Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:831

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
22-02-2018
Datum publicatie
23-02-2018
Zaaknummer
05/861768-13 (ontneming)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Dagvaarding met oplichting en verduistering van dezelfde personen is geldig. Oplichting tezamen en in vereniging, waarbij meerdere personen zijn opgelicht. Vrijspraak van verduistering. Witwassen en het voorhanden hebben van wapen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/861768-13

Datum zitting : 8 februari 2018

Datum uitspraak: 22 februari 2018

Tegenspraak

Uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie van het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

naam : [verdachte] (hierna te noemen: veroordeelde),

geboren op : [geboortedag] 1971 te [geboorteplaats] ,

adres : [adres]

raadsmannen: mr. J.A. Schadd, advocaat te Arnhem en mr. U. Yildirim, advocaat te Zwolle.

1 De inhoud van de vordering

De officier van justitie vordert dat de rechtbank, conform artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel voorlopig wordt geschat op € 4.429.444,26.

2 De procedure

Ter terechtzitting van 8 februari 2018 heeft de officier van justitie de ontnemingsvordering aanhangig gemaakt.

3 Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 8 februari 2018 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is veroordeelde verschenen. Veroordeelde is bijgestaan door mr. J.A. Schadd, advocaat te Arnhem en mr. U. Yildirim, advocaat te Zwolle.

De officier van justitie, mr. P. de Jong, heeft ter terechtzitting gepersisteerd bij de vordering, met dien verstande dat hij de rechtbank wel heeft verzocht om het gevorderde bedrag naar beneden bij te stellen.

Veroordeelde en zijn raadsmannen hebben het woord ter verdediging gevoerd.

4 De beoordeling van de vordering

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat er dubbeltellingen in het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel zitten. Sommige bedragen zijn zowel bij de berekening van medeverdachte [medeverdachte 1] , als bij veroordeelde opgenomen, terwijl er gelden zijn die via [medeverdachte 1] bij veroordeelde terecht zijn gekomen. Ook is er bij een aantal personen geen sprake van een strafbaar feit, maar zijn de gelden van deze personen wel in de berekening opgenomen. De officier van justitie heeft gesteld dat de helft van de bedragen die op de bankrekeningen van veroordeelde zijn gestort via een omweg weer bij medeverdachte [medeverdachte 1] terecht moet zijn gekomen. De officier van justitie heeft verzocht het wederrechtelijk verkregen voordeel te schatten op € 2.200.000,-.

De officier van justitie heeft zich niet verzet tegen het gelasten van een schriftelijke ronde.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gesteld dat de rechtbank alleen op basis van aannemelijkheid tot een schatting kan komen. Er is een aantal aspecten dat de vordering ingewikkeld maakt. Een groot deel van de bedragen lijkt terugbetaald te zijn. Ook kunnen de ontvangen gelden van de personen bij wie geen sprake is van een strafbaar feit, niet als wederrechtelijk verkregen voordeel worden gezien. Sommige bedragen zijn door anderen contant opgenomen. Hiervan kan niet zonder meer worden gezegd dat verdachte hiervan voordeel heeft genoten. Op basis van het dossier kan dan ook niet worden vastgesteld dat veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. De vordering dient te worden afgewezen.

Subsidiair verzoekt de verdediging om de behandeling van de vordering aan te houden tot na het vonnis in de hoofdzaak. Dan kan de verdediging, eventueel schriftelijk, behoorlijk reageren op de vordering.

Beoordeling door de rechtbank

Bij de beoordeling van de vordering tot ontneming heeft de rechtbank kennisgenomen van het op 22 februari 2018 tegen veroordeelde gewezen vonnis.

De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten. De beslissing dat veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.1

Bij vonnis van 22 februari 2018 is veroordeelde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek, vanwege grootschalige oplichting, witwassen en het voorhanden hebben van wapens.

De rechtbank is van oordeel dat veroordeelde uit de gepleegde oplichting en witwassen wederrechtelijk voordeel heeft genoten. De omvang van dit voordeel is aan de hand van het ontnemingsdossier en de stellingen van de officier van justitie tijdens de behandeling ter terechtzitting echter niet eenvoudig vast te stellen. Zowel het ‘Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel’ als de stellingen van de officier van justitie roepen vragen op. De ontnemingsvordering betreft een bedrag van € 4.429.444,26. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht om de vordering te verlagen en om gebruik te maken van de schattingsbevoegdheid. Het bedrag genoemd in het ‘Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel’ kan niet zonder meer aan veroordeelde worden ontnomen, aldus de officier, omdat onduidelijk is wat de verhouding is tussen dit bedrag en het bedrag dat aan verdachte [medeverdachte 1] zou moeten worden ontnomen.

De rechtbank zal gebruik maken van haar bevoegdheid om het wederrechtelijk voordeel te schatten, conform artikel 36e lid 5 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank sluit aan bij het tegen veroordeelde gewezen vonnis en overweegt dat het voordeel dat veroordeelde heeft genoten in ieder geval bestaat uit de door hem contant opgenomen en daarmee witgewassen bedragen. Bedragen die door anderen voor hem contant zijn opgenomen, heeft de rechtbank daarbij opgeteld.

Veroordeelde heeft in totaal € 2.525.797,- contant opgenomen van zijn bankrekeningen,
€ 181.560,- geleend aan [medeverdachte 2] , € 140.076,- geleend aan [medeverdachte 3] en € 493.800,- geleend aan [medeverdachte 4] . Hiervan hebben [medeverdachte 3] € 117.361,- en [medeverdachte 4] € 319.953,- contant opgenomen.2 [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij een keer of vijf € 10.000,- contant heeft opgenomen en dit aan veroordeelde heeft gegeven.3 In totaal betreft dit een bedrag van

€ 3.013.111,- aan contant opgenomen gelden.

De bedragen, die op de bankrekeningen van veroordeelde terecht zijn gekomen en die vervolgens zijn opgenomen of aan anderen zijn overgemaakt, opgenomen en vervolgens contant aan veroordeelde zijn gegeven, zijn aan hem ten goede gekomen. Veroordeelde heeft het geld vervolgens ‘opgemaakt’. Hij heeft het met name uitgegeven aan zijn luxe levensstijl. Voor wat betreft het meerdere, zoals beschreven in het ‘Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel’ geldt dat bij de huidige stand van zaken - het rapport en de stellingen van de officier van justitie- onvoldoende aannemelijk is dat veroordeelde ook die gelden daadwerkelijk als voordeel heeft genoten.

De rechtbank is, gezien het voorgaande, van oordeel dat op basis van het dossier voldoende kan worden vastgesteld wat het wederrechtelijk verkregen voordeel is. De verdediging is ook voldoende in de gelegenheid geweest om hier tijdens de terechtzitting op 8 februari 2018 behoorlijk op te reageren. Verdachte heeft ervoor gekozen om ter terechtzitting niet te verschijnen en geen nadere toelichting te geven. Een toelichting kan echter alleen van zijn kant komen. De rechtbank wijst het subsidiaire verzoek van de verdediging, om de zaak aan te houden, daarom af.

De rechtbank volgt de berekening van het bij vonnis van 22 februari 2018 bewezenverklaarde witwassen en zal, gelet op het vorenstaande, vaststellen dat het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat op € 3.013.111,-.

5 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

6 De beslissing

Stelt vast het bedrag waarop het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op een bedrag van € 3.013.111,- (zegge: drie miljoen dertienduizend en honderdelf euro).

Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 3.013.111,- (zegge: drie miljoen dertienduizend en honderdelf euro).

Aldus gewezen door mr. J.M. Klep (voorzitter), mr. G. Noordraven en mr. M.A. van Leeuwen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Langstraat, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 februari 2018.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost Nederland, district IJsselland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer BVH 2013106046, gesloten op 27 februari 2014 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, p. 1484.

3 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 2] , p. 601.