Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:804

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
05-02-2018
Datum publicatie
22-02-2018
Zaaknummer
C/05/330930 / KG ZA 17-639
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Veroordeling om mee te werken aan aanvraag omgevingsvergunning c.q. bestemmingsplanwijziging om één wooneenheid waarvan het voor- en achterhuis afzonderlijk van elkaar worden bewoond (ook) in bestuursrechtelijke zin te splitsen in twee woningen. Belangenafweging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/330930 / KG ZA 17-639

Vonnis in kort geding van 5 februari 2018

in de zaak van

[Eiser] ,

[woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. K.W.A. Wools te Elst Gld,

tegen

1 [gedaagde 1] , en

2. [gedaagde 2],

beiden wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. S.T.W. Verhaagh te Nijmegen.

Eisende partij zal hierna [Eiser] worden genoemd. Gedaagde partijen zullen hierna gezamenlijk [gedaagden] worden genoemd en ieder afzonderlijk [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1 tot en met 10

- productie 1 van [gedaagden]

- de mondelinge behandeling van 30 januari 2018

- de pleitnota van [gedaagden] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[Eiser] is de moeder van [gedaagde 2] . [gedaagde 2] is in gemeenschap van goederen getrouwd met [gedaagde 1] .

2.2.

[Eiser] en haar echtgenoot hadden sinds 1972 in eigendom het perceel grond met opstal (een woning) aan de [adres A] in [plaats] , [gemeente] .

2.3.

Bij mondelinge koopovereenkomst van augustus 1994 hebben [Eiser] en haar echtgenoot aan [gedaagden] het voorhuis van de woning verkocht alsmede een gedeelte van het bijbehorende perceel grond. De eigendom van dit gedeelte van het perceel met een deel van de opstal is overgedragen door middel van een akte van levering daterende van 10 oktober 1994. Het aan [gedaagden] verkochte gedeelte wordt sindsdien aangeduid met [adres A] , kadastraal bekend [kadastrale aanduiding 1] en het door [Eiser] behouden gedeelte wordt aangeduid met [adres B] , kadastraal bekend gemeente [kadastrale aanduiding 2] . De akte van notariële levering vermeldt voor zover thans van belang:

‘(…)

KOOPOVEREENKOMST, LEVERING, REGISTERGOED

Verkoper heeft in de maand augustus jongstleden verkocht en levert op grond daarvan aan koper die op diezelfde dag heeft gekocht en bij deze aanvaardt:

- het voorhuis met erf en tuin plaatselijk bekend [adres A] te [plaats] , uitmakende een ter plaatse kennelijk afgepaald gedeelte van het perceel kadastraal bekend [gemeente] , [kadstrale aanduiding 3] ter grootte van ongeveer zes are vijftig centiare zoals na kadastrale uitmeting zal blijken;

hierna aan te duiden als: het verkochte.

(…)

Artikel 9.

Wanneer de eigenaar van het verkochte tot vervreemding daarvan wenst over te gaan, is hij verplicht dit bij aangetekende brief aan de verkoper, casu quo diens echtgenote, indien deze dan nog eigenaar is van het aan hem in eigendom verblijvende gedeelte van het perceel kadastraal bekend [gemeente] , [kadstrale aanduiding 3] , ter kennis te brengen. Deze zal alsdan het recht van voorkeur tot aankoop van het verkochte hebben, uit te oefenen als hierna bepaald:

(…)’

2.4.

De woning aan de [adres A] in [woonplaats] en het bijbehorende perceel zijn kadastraal van elkaar gesplitst, maar de woning vormt volgens het bestemmingsplan nog altijd slechts één wooneenheid. Het voorhuis en het achterhuis vormen beide zelfstandige woningen die door [gedaagden] respectievelijk [Eiser] (onafhankelijk van elkaar) worden bewoond. Tussen het voorhuis en het achterhuis bevindt zich nog één tussendeur die verplicht is zolang het bestemmingplan slechts één woning op het perceel toelaat. Deze tussendeur is op dit moment dichtgespijkerd.

2.5.

Op 2 juni 2004 hebben [Eiser] en haar echtgenoot ook twee andere percelen die bekend staan als [kadastrale aanduiding 4] en [kadastrale aanduiding 5] aan [gedaagden] verkocht en geleverd.

2.6.

De echtgenoot van [Eiser] is op 6 augustus 2006 overleden. Vanaf enig moment daarna is de verstandhouding tussen [Eiser] en [gedaagden] ernstig verslechterd. Op dit moment hebben zij in het geheel geen contact meer met elkaar.

2.7.

[Eiser] heeft haar gedeelte van de woning, [adres B] in [woonplaats] , eind 2017 te koop gezet. Op 4 december 2017 heeft zij met [naam kopers] een koopovereenkomst gesloten betreffende de woning met toebehoren. In artikel 20.2 van de koopovereenkomst staat vermeldt:

‘20.2

Verkoper en koper hebben de mogelijkheid deze overeenkomst van koop en verkoop, zonder kosten en enige vorm van schadevergoeding, te ontbinden indien de woning niet gesplitst kan worden in 2 wooneenheden, nu 1 wooneenheid (bestemmingsplanwijziging). De splitsing/bestemmingsplanwijziging zal worden uitgevoerd door en voor kosten van verkoper. En eventueel voor kosten van de andere eigenaar (voorhuis). Verkoper zal al het redelijk mogelijke verrichten om deze splitsing/bestemmingsplanwijziging zo spoedig mogelijk uit te voeren. Deze ontbinding kan verkoper of koper inroepen vóór 04-04-2018 en dient schriftelijk via gangbare communicatiemiddelen te geschieden aan [naam makelaar] . De tussendeur tussen het voor- en achterhuis zal voor de datum van het notarieel transport dichtgemetseld worden door verkoper.’

2.8.

[Eiser] heeft eind 2017 bij de gemeente Overbetuwe een omgevingsvergunning voor splitsing van de woning aangevraagd. Deze aanvraag is afgewezen, omdat een dergelijke aanvraag enkel rechtsgeldig kan worden ingediend door alle eigenaren van de woning gezamenlijk.

2.9.

[Eiser] heeft daarna aan [gedaagden] gevraagd medewerking te verlenen aan het verkrijgen van een omgevingsvergunning om te bewerkstelligen dat uiteindelijk sprake zal zijn van twee afzonderlijke woningen, dan wel mee te werken aan een aanvraag tot bestemmingsplanwijziging. [gedaagden] hebben hun medewerking daaraan tot op heden niet verleend.

3 Het geschil

3.1.

[Eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ieder afzonderlijk alsmede tezamen te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis de nieuwe aanvraag voor een omgevingsvergunning c.q. bestemmingsplanwijziging, zoals gevoegd als productie 9 bij dagvaarding, te ondertekenen, primair met bepaling dat dit vonnis in de plaats van de handtekeningen van [gedaagden] komt, indien zij (of één van hen) niet tijdig aan deze veroordeling voldoen, subsidiair met bepaling dat [gedaagden] bij niet tijdige voldoening aan dit gedeelte van het vonnis een hoofdelijk verschuldigde en direct opeisbare dwangsom verschuldigd worden aan [Eiser] ten bedrage van € 1.000,00 per dag, voor iedere dag dat zij in gebreke blijven om aan dit gedeelte van het vonnis te voldoen;

II [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ieder afzonderlijk alsmede tezamen te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis de verklaring als bedoeld in productie 10 bij dagvaarding te ondertekenen, primair met bepaling dat dit vonnis in de plaats van de handtekeningen van [gedaagden] komt, indien zij (of één van hen) niet tijdig aan deze veroordeling voldoen, subsidiair met bepaling dat [gedaagden] bij niet tijdige voldoening aan dit gedeelte van het vonnis een hoofdelijk verschuldigde en direct opeisbare dwangsom verschuldigd worden aan [Eiser] ten bedrage van € 1.000,00 per dag, voor iedere dag dat zij in gebreke blijven om aan dit gedeelte van het vonnis te voldoen;

III [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ieder afzonderlijk alsmede tezamen te veroordelen om hun medewerking te verlenen en te blijven verlenen aan zowel het indienen van een aanvraag bij de gemeente Overbetuwe, als aan de daarop volgende bestuursrechtelijke procedure, zulks met als doel dat via een bestemmingsplanwijziging (dan wel via een kortere procedure) een splitsing van het perceel in twee wooneenheden wordt gelegaliseerd, alsmede dat er een vergunning wordt verkregen van de gemeente Overbetuwe voor het definitief dichtmaken van de tussendeur tussen de wooneenheden aan de [adres A] en [adres B] in [plaats] , met bepaling dat [gedaagden] bij niet tijdige voldoening aan dit gedeelte van het vonnis een hoofdelijk verschuldigde en direct opeisbare dwangsom verschuldigd worden aan [Eiser] ten bedrage van € 1.000,00 per dag, voor iedere dag dat zij in gebreke blijven om aan dit gedeelte van het vonnis te voldoen;

IV [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ieder afzonderlijk alsmede tezamen te verbieden om een feitelijke handeling en/of een rechtshandeling te verrichten die tot gevolg zou kunnen hebben dat de gewenste splitsing van de woningen aan de [adres A] en [adres B] in [plaats] in twee wooneenheden niet zou worden bereikt en/of de gewenste vergunning voor het dichtmaken van de tussendeur niet zou worden toegestaan, met bepaling dat [gedaagden] bij niet tijdige voldoening aan dit gedeelte van het vonnis een hoofdelijk verschuldigde en direct opeisbare dwangsom verschuldigd worden aan [Eiser] ten bedrage van € 1.000,00 per dag, voor iedere dag dat zij in gebreke blijven om aan dit gedeelte van het vonnis te voldoen;

V [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ieder afzonderlijk alsmede tezamen te veroordelen tot het meewerken aan, en het dulden van, het dichtmaken van de tussendeur in de woningen aan de [adres A] en [adres B] in [plaats] , indien en zodra dat wordt toegestaan door de gemeente Overbetuwe, met bepaling dat [gedaagden] bij niet tijdige voldoening aan dit gedeelte van het vonnis een hoofdelijk verschuldigde en direct opeisbare dwangsom verschuldigd worden aan [Eiser] ten bedrage van € 1.000,00 per dag, voor iedere dag dat zij in gebreke blijven om aan dit gedeelte van het vonnis te voldoen;

VI [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ieder afzonderlijk alsmede tezamen te veroordelen om de op eerste verzoek van de gemeente en/of van de heer [naam persoon A] de helft van de in rekening gebrachte kosten die verband houden met het verkrijgen van de vergunningen als bedoeld onder I tot en met IV hiervoor, te voldoen aan de gemeente en/of de heer [naam persoon A] met bepaling dat [gedaagden] bij niet tijdige voldoening aan dit gedeelte van het vonnis een hoofdelijk verschuldigde en direct opeisbare dwangsom verschuldigd worden aan [Eiser] ten bedrage van € 1.000,00 per dag, voor iedere dag dat zij in gebreke blijven om aan dit gedeelte van het vonnis te voldoen;

VII te bepalen dat [gedaagden] gehouden zijn om voor de helft bij te dragen in de kosten van het dichtmaken van de tussendeur;

VIII [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen in de proces- en nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.2.

[gedaagden] voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen.

3.3.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover voor de beoordeling van dit geschil van belang, worden ingegaan.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

[Eiser] vordert in deze kort gedingprocedure kort gezegd veroordeling van [gedaagden] medewerking te verlenen aan het tot stand komen van een omgevingsvergunning dan wel bestemmingsplanwijziging, die bestuursrechtelijk mogelijk maakt dat de wooneenheid gelegen aan de [adres A] in [plaats] wordt gesplitst in twee afzonderlijke woningen. [Eiser] legt aan deze vordering ten grondslag dat tussen partijen in 1994 een koopovereenkomst is gesloten op basis waarvan zij aan [gedaagden] het voorhuis van de woning met een stuk grond als afzonderlijke woning heeft verkocht en geleverd. [Eiser] stelt dat de kadastrale splitsing van het perceel reeds heeft plaatsgevonden, maar dat in bestuursrechtelijke zin nog sprake is van één wooneenheid. [Eiser] stelt dat zij haar achterhuis wenst te verkopen, maar dat dit enkel kan indien de woning ook in bestuursrechtelijke zin in twee afzonderlijke woningen wordt gesplitst en de aanwezige tussendeur tussen de woningen wordt dichtgemetseld. Daarvoor is een omgevingsvergunning vereist, althans een wijziging van het bestemmingsplan op dat punt, die niet verkregen kunnen worden zonder de medewerking van [gedaagden] Volgens [Eiser] zijn [gedaagden] op grond van de koopovereenkomst tot medewerking daaraan verplicht. Nu [gedaagden] daaraan ondanks hun contractuele verplichting niet vrijwillig willen meewerken, dienen zij daartoe in dit kort geding te worden veroordeeld. [gedaagden] voeren verweer en voeren in dat verband aan dat zij op basis van de koopovereenkomst uit 1994 niet gehouden zijn mee te werken aan het tot stand brengen van een splitsing van de woning in bestuursrechtelijke zin. Zij voeren aan dat zij daartoe dan ook enkel bereid zijn, indien zij van [Eiser] nog een bepaald perceel grond met daarop een afzonderlijk huisje kunnen kopen. [gedaagden] voeren aan dat zij een groot (emotioneel) belang hebben bij het verkrijgen van dit perceel grond en dat de belangen van [Eiser] bij splitsing van de woning en verkoop aan een derde daartegen niet opwegen, zodat de vorderingen van [Eiser] dienen te worden afgewezen.

4.2.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Vaststaat dat tussen partijen in augustus 1994 een mondelinge koopovereenkomst is gesloten met betrekking tot de (ver)koop van het voorhuis van de woning aan de [adres A] in [plaats] . Deze koopovereenkomst is schriftelijk vastgelegd in een notariële akte van levering van

10 oktober 1994. Uit de omschrijving van het verkochte in de akte moet worden afgeleid dat een afgesplitst gedeelte van de woning, bestaande uit het voorhuis met erf en tuin, uitmakende een afgepaald gedeelte van [kadstrale aanduiding 3] , aan [gedaagde 1] is verkocht en in volle eigendom is geleverd. De akte biedt geen aanknopingspunt ervoor dat (bedoeld zou zijn) een aandeel in de onverdeelde mede eigendom van de gehele woning aan [gedaagde 1] te leveren. Dat staat er niet. Dat bedoeld is een zelfstandige woning te (ver)kopen, vindt ook bevestiging in artikel 9 van de akte, waarin een voorkeursrecht is opgenomen dat erop neerkomt dat indien [gedaagden] hun deel van de woning willen verkopen, zij dat gedeelte eerst aan [Eiser] moeten aanbieden. Partijen hebben blijkens de inhoud van de akte dus de klaarblijkelijke bedoeling gehad dat ieder van hen de volle eigendom zou krijgen van het voor- respectievelijk achterhuis en dat de onderscheiden delen van de woning als zelfstandige wooneenheid verkocht zouden kunnen worden aan derden. Dat partijen kennelijk tevens hebben beoogd met de (ver)koop in elkaars nabijheid te wonen omdat zo op termijn (relatief eenvoudig) zorg aan [Eiser] verleend zou kunnen worden, doet daaraan niet af, nu partijen juridisch gezien niets anders hebben geregeld dan in de notariële akte staat en daaruit voortvloeit.

4.3.

Vaststaat dat een eventuele verkoop van de woning van [Eiser] eerst kan plaatsvinden nadat de thans bestaande wooneenheid in bestuursrechtelijke zin is gesplitst in twee afzonderlijke woningen. Daarnaast staat eveneens vast dat een splitsing slechts kan plaatsvinden na het verkrijgen van een omgevingsvergunning die dat toelaat dan wel nadat het thans geldende bestemmingsplan op dat punt is gewijzigd. Daarom behelst de tussen partijen in 1994 gesloten koopovereenkomst, mede op grond van maatstaven van redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen partijen beheersen, ook de verplichting voor partijen (waaronder ook [gedaagden] ) medewerking te verlenen aan het effectueren van een splitsing van de wooneenheid op publiekrechtelijk vlak.

4.4.

Duidelijk is dat [Eiser] belang heeft bij een splitsing en het werkelijk kunnen verkopen van haar woning, omdat zij kennelijk behoefte heeft aan zorg die zij niet van [gedaagde 2] zal ontvangen in verband met de onmin waarin partijen al enige tijd leven en zij daarom ergens anders dan in het buitengebied wil wonen waar zij gemakkelijker in haar (zorg)behoeften kan voorzien. Dat dit belang ook spoedeisend is volgt in zijn algemeenheid reeds uit het feit dat [Eiser] in verband met haar leeftijd de noodzaak voelt om elders te gaan wonen en meer specifiek uit het feit dat zij haar woning op 4 december 2017 heeft verkocht en met de kopers is overeengekomen dat zij al het redelijk mogelijke zal doen om een splitsing van de woning in bestuursrechtelijke zin te realiseren. Het standpunt van [gedaagden] dat een bestuursrechtelijk traject tot splitsing nooit voor 4 april 2018, zijnde de uiterste datum waarop de gesloten koopovereenkomst door beide partijen zonder (financiële) gevolgen kan worden ontbonden, kan zijn afgerond en deze kort gedingprocedure daarom niet zinvol zou zijn, doet daar niet aan af. In de eerste plaats niet omdat zowel [Eiser] als de bij de verkoop betrokken makelaar ter zitting hebben verklaard dat bij de kopers de bereidheid bestaat om de termijn waarbinnen zij ontbinding van de overeenkomst wegens het ontbreken van een toegestane splitsing kunnen inroepen, te verlengen en in de tweede plaats niet omdat in het geval de vergunning niet tijdig zal worden verleend om de thans gesloten koopovereenkomst doorgang te laten vinden, [Eiser] nog altijd een spoedeisend belang heeft bij de medewerking van [gedaagden] om te komen tot een splitsing met het oog op het (binnen afzienbare tijd) kunnen verkopen van haar woning aan een andere partij.

4.5.

De belangen aan de zijde van [gedaagden] om niet mee te werken aan het tot stand komen van een splitsing wegen daartegen niet op. Dat belang is klaarblijkelijk vooral een emotioneel belang dat een bepaald stuk grond met daarop een zelfstandige huisje niet in handen van derden komt, omdat [gedaagden] dit huisje kennelijk zelf hebben gebouwd en daarin enige tijd hebben gewoond. Op zichzelf kan dit een begrijpelijk belang zijn, maar het is geen zodanig zwaarwegend belang dat het opweegt tegen het belang van [Eiser] bij het verkrijgen van een omgevingsvergunning om te kunnen overgaan tot verkoop van haar woning. De mogelijkheid tot verkoop van één van de woonhelften is nu eenmaal in de koopovereenkomst van 1994 verdisconteerd en deze mogelijkheid heeft [gedaagde 1] bij het aangaan van die overeenkomst aanvaard. Ditzelfde geldt voor het door [gedaagden] gestelde belang om niet te worden geconfronteerd met derden die het zelfstandige huisje al dan niet tijdelijk zullen gaan bewonen, in verband met de mogelijke overlast die dat oplevert. Nog afgezien van de omstandigheid dat ook deze mogelijkheid in de koopovereenkomst van 1994 zit verdisconteerd, speelt daarbij tevens mee dat in zijn algemeenheid altijd de kans bestaat dat op het moment dat buren (een gedeelte van) hun perceel verkopen de bestaande situatie verandert. Ook dit belang weegt daarom niet op tegen het belang van [Eiser] . Voor het overige heeft te gelden dat [gedaagden] niet op basis van de koopovereenkomst het recht toekomt het meewerken aan het tot stand komen van een splitsing van de woningen in bestuursrechtelijke zin afhankelijk te stellen van de medewerking van [Eiser] om aan hen een extra stuk grond te verkopen.

4.6.

Dit alles leidt tot de slotsom dat de door [Eiser] ingestelde vorderingen met betrekking tot het realiseren van een splitsing van de woningen in bestuursrechtelijke zin zullen worden toegewezen, nu tegen de wijze waarop deze vorderingen zijn ingesteld en geformuleerd als zodanig geen verweer is gevoerd. De gevorderde dwangsommen zullen op de voet van artikel 611a Rv worden gemaximeerd als na te melden.

4.7.

[Eiser] vordert verder veroordeling van [gedaagden] de helft van de kosten die met de vergunningsaanvraag dan wel bestemmingsplanwijziging zijn gemoeid te voldoen en te bepalen dat zij ook de helft van de kosten die verband houden met het dichtmetselen van de tussendeur dienen te betalen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat, nu reeds is geoordeeld dat op beide partijen uit hoofde van de koopovereenkomst uit 1994 de verplichting rust medewerking te verlenen aan het realiseren van een splitsing van de woning, de maatstaven van redelijkheid en billijkheid met zich brengen dat zij ook allebei de helft van de daarmee redelijkerwijs gemoeide kosten zullen dragen. Nu deze kosten op dit moment echter nog niet zijn gemaakt en op voorhand niet kan worden beoordeeld welke de daarmee redelijkerwijs gemoeide kosten zullen zijn, zal een veroordeling die neerkomt op veroordeling van [gedaagden] tot betaling van een aantal onbepaalde bedragen in deze kort gedingprocedure achterwege blijven. Deze vorderingen zullen daarom thans worden afgewezen.

4.8.

Gelet op de onderlinge verhoudingen tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd als na te melden.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ieder afzonderlijk alsmede tezamen om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis de nieuwe aanvraag voor een omgevingsvergunning c.q. bestemmingsplanwijziging, zoals gevoegd als productie 9 bij dagvaarding, te ondertekenen, met bepaling dat dit vonnis in de plaats van de handtekeningen van [gedaagden] komt, indien zij (of één van hen) niet tijdig aan deze veroordeling voldoen,

5.2.

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ieder afzonderlijk alsmede tezamen om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis de verklaring als bedoeld in productie 10 bij dagvaarding te ondertekenen, met bepaling dat dit vonnis in de plaats van de handtekeningen van [gedaagden] komt, indien zij (of één van hen) niet tijdig aan deze veroordeling voldoen,

5.3.

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ieder afzonderlijk alsmede tezamen om hun medewerking te verlenen en te blijven verlenen aan zowel het indienen van een aanvraag bij de gemeente Overbetuwe, als aan de daarop volgende bestuursrechtelijke procedure, zulks met als doel dat via een bestemmingsplanwijziging (dan wel via een kortere procedure) een splitsing van het perceel aan de [adres A] in [plaats] in twee wooneenheden wordt gelegaliseerd, alsmede dat er een vergunning wordt verkregen van de gemeente Overbetuwe voor het definitief dichtmaken van de tussendeur tussen de wooneenheden aan de [adres A] en [adres B] in [plaats] , op straffe van een hoofdelijk verschuldigde en direct opeisbare dwangsom van € 1.000,00 per dag, voor iedere dag dat zij in gebreke blijven om aan deze veroordeling te voldoen,

5.4.

verbiedt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ieder afzonderlijk alsmede tezamen om een feitelijke handeling en/of een rechtshandeling te verrichten die tot gevolg zou kunnen hebben dat de gewenste splitsing van de woningen aan de [adres A] en [adres B] in [plaats] in twee wooneenheden niet zou worden bereikt en/of de gewenste vergunning voor het dichtmaken van de tussendeur niet zou worden toegestaan, op straffe van een hoofdelijk verschuldigde en direct opeisbare dwangsom van € 1.000,00 per dag, voor iedere dag dat zij in gebreke blijven om aan dit verbod te voldoen,

5.5.

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ieder afzonderlijk alsmede tezamen tot het meewerken aan, en het dulden van, het dichtmaken van de tussendeur in de woningen aan de [adres A] en [adres B] in [plaats] , indien en zodra dat wordt toegestaan door de gemeente Overbetuwe, op straffe van een hoofdelijk verschuldigde en direct opeisbare dwangsom van € 1.000,00 per dag, voor iedere dag dat zij in gebreke blijven om aan deze veroordeling te voldoen,

5.6.

bepaalt dat boven een totaalbedrag van € 100.000,00 geen dwangsommen meer door [gedaagden] zullen worden verbeurd,

5.7.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.8.

compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.9.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.H.J. Krijnen op 5 februari 2018.