Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:791

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
20-02-2018
Datum publicatie
21-02-2018
Zaaknummer
05/840861-17 en 05/740139-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Drie mannen veroordeeld voor mishandeling, bedreiging en poging zware mishandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/840861-17 en 05/740139-15

Datum uitspraak : 20 februari 2018

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats] , wonende te [adres]

Raadsman: mr. Z. Nahar, advocaat te Amsterdam.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 14 november 2017 en 6 februari 2018.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 3 augustus 2017 te Voorthuizen, althans in de gemeente Barneveld,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met voormeld oogmerk die [slachtoffer] met een hamer en/of een ijzeren buis/staaf, althans met een of meerdere harde voorwerpen, op/tegen het hoofd heeft geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 3 augustus 2017 te Voorthuizen, althans in de gemeente Barneveld,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met voormeld oogmerk die [slachtoffer] met een hamer en/of een ijzeren staaf/buis, althans met een of meerdere harde voorwerpen, op/tegen het hoofd heeft/hebben geslagen en/of die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, in/op/tegen het gezicht en/of de borst heeft/hebben geslagen en/of gestompt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 3 augustus 2017 te Voorthuizen, althans in de gemeente Barneveld,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen

[slachtoffer] heeft mishandeld door hem met een ijzeren staaf/buis en/of een hamer, althans met een of meerdere harde voorwerpen op/tegen het hoofd te slaan en/of hem meermalen, althans eenmaal, op/tegen het gezicht en/of de borst, althans op/tegen het lichaam, te slaan en/of te stompen;

2.

hij op of omstreeks 3 augustus 2017 te Voorthuizen, althans in de gemeente Barneveld,

[slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen "ik maak je dood" en/of "ik schiet je kapot", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of daarbij dreigend met een hamer een zwaaiende beweging gemaakt in de richting van het hoofd van die [slachtoffer] , althans duidelijk zichtbaar voor die [slachtoffer] een hamer (vast)gehouden.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Ten aanzien van feit 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde, te weten medeplegen van poging tot doodslag. De officier van justitie is van mening dat medeverdachte [medeverdachte 1] aangever [slachtoffer] met een ijzeren buis op het hoofd heeft geslagen. Nu verdachte degene is geweest die [slachtoffer] op dat moment vasthield aan zijn T-shirt en hem omlaag trok, heeft hij een voldoende significante bijdrage geleverd aan het slaan met de buis op het hoofd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte moet worden vrijgesproken van het hem onder 1 tenlastegelegde. De verdediging is van mening dat niet kan worden bewezen dat verdachte aangever [slachtoffer] met een hamer heeft geslagen dan wel dat hij [slachtoffer] met de vuisten heeft gestompt. Daarnaast is er geen sprake van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten.

Beoordeling door de rechtbank

Vaststaat dat op 3 augustus 2017 in een chalet op het recreatiepark [naam 1] te Voorthuizen een vechtpartij heeft plaatsgevonden, waarbij aangever [slachtoffer] letsel heeft opgelopen, bestaande uit een wond aan de achterzijde van zijn hoofd en een lichte hersenschudding.2

Toegepaste geweld

[slachtoffer] heeft verklaard dat hij zag dat er ineens drie mannen bij de openslaande deuren van het chalet stonden. Hij zag dat het verdachte en medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] waren. Hij zag dat verdachte in zijn rechterhand een hamer vast had en als eerste het chalet in liep, kort daarna gevolgd door [medeverdachte 2] Hij zag dat [medeverdachte 2] op hem af kwam lopen. [slachtoffer] zat op dat moment nog in zijn stoel. Vervolgens zag [slachtoffer] dat [medeverdachte 2] met zijn rechtervuist uithaalde en met gebalde vuist op zijn linkerwang sloeg. [medeverdachte 2] sloeg met maximale kracht. [slachtoffer] voelde als gevolg hiervan veel pijn aan deze wang. Vervolgens stond [slachtoffer] op en duwde [medeverdachte 2] van zich af. Als gevolg hiervan viel deze achterover op de bank rechts van [slachtoffer] . Hij kwam op zijn rug terecht. [slachtoffer] pakte hem bij zijn benen en zegt hem uit de bank te hebben willen trekken. [slachtoffer] werd op dat moment meerdere malen op zijn lichaam geslagen. Op het moment dat [slachtoffer] naar voren leunde, voelde hij een klap op zijn achterhoofd, op de plek van de wond. Hij hoorde een dof geluid en voelde een hevige felle brandende pijn. Hij voelde direct nat op zijn hoofd en in zijn nek. Hij zag toen bloed op zijn T-shirt en op de grond en voelde zich gedesoriënteerd. [slachtoffer] verklaart dat hij hoorde en voelde dat er met metaal op zijn schedel werd geslagen. Nadat [slachtoffer] geslagen was, zag hij dat de drie mannen het chalet uitliepen.3

Rol van verdachte en zijn medeverdachten

Verdachte heeft verklaard dat hij samen met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar het chalet is gelopen. Omdat [slachtoffer] niet naar buiten wilde komen, is verdachte naar binnen gelopen. [medeverdachte 2] liep ook naar binnen. Eenmaal binnen werd er over en weer geschreeuwd. Hij denkt dat [slachtoffer] [medeverdachte 2] de eerste klap gaf, waarna deze achterover op de bank viel. Verdachte ging zich ermee bemoeien en pakte [slachtoffer] vast. Verdachte verklaart dat hij een hamer bij zich had. Het zou kunnen dat hij hiermee slaande bewegingen heeft gemaakt, maar hij heeft [slachtoffer] niet geraakt met de hamer. Verdachte weet niet hoe medeverdachte [medeverdachte 1] aan de buis is gekomen.4

Medeverdachte [medeverdachte 2] verklaart dat hij samen met verdachte naar het chalet is gelopen. Eenmaal aangekomen zag hij mensen voor de deur staan, waaronder een donkere man. Toen hij binnenkwam sloeg [slachtoffer] hem op zijn linker onderkin. Vervolgens viel hij achterover op de bank. Verdachte kwam gelijk achter hem aan. [medeverdachte 2] verklaart dat hij [slachtoffer] twee klappen heeft teruggegeven, eenmaal op zijn gezicht en eenmaal op zijn schouder. Volgens [medeverdachte 2] hebben hij, verdachte en [slachtoffer] klappen uitgedeeld. [medeverdachte 2] weet niets van een stalen buis.5

Medeverdachte [medeverdachte 1] verklaart dat hij samen met verdachte en [medeverdachte 2] naar het chalet is gelopen. [medeverdachte 2] stapte als eerste naar binnen. Verdachte zag dat [medeverdachte 2] vervolgens een klap kreeg van [slachtoffer] tegen zijn gezicht. Hij zag dat de klap raak was en dat [medeverdachte 2] bloed had aan zijn mond. [medeverdachte 1] schrok hiervan. Hij zag dat [medeverdachte 2] [slachtoffer] een klap terug gaf in het gezicht. [medeverdachte 1] en verdachte gingen zich er vervolgens mee bemoeien. Ze gingen ertussen staan. [medeverdachte 1] verklaart dat hij zag dat [slachtoffer] [medeverdachte 2] met beide handen bij zijn nek pakte en hem begon te wurgen, toen die op de bank was gevallen. Hij schrok daarvan. Hij zag dat er een ijzeren of aluminium voorwerp op de tafel lag. Hij pakte dit op en sloeg er vervolgens mee op het hoofd van [slachtoffer] . Toen liet [slachtoffer] los. Vervolgens liep [medeverdachte 1] samen met verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] naar buiten. [medeverdachte 1] heeft het voorwerp waarmee hij heeft geslagen, buiten het chalet achtergelaten.6

Camerabeelden

De partner van [slachtoffer] , mevrouw [naam 2] , heeft beelden gemaakt van het incident.7 De beelden zijn bekeken door verbalisant [naam 3] . De verbalisant verklaart op de beelden een man gekleed in een spijkerbroek, donkerblauw shirt en met een petje op (dader 1) in het chalet te zien staan. Daarachter ziet zij een man met een kaal hoofd staan, gekleed in een korte broek en met een wit shirt (dader 2). Na 1 seconde ziet zij ook een derde verdachte in beeld komen. Deze persoon heeft een joggingsbroek aan en een wit shirt met daarover een zwart vest. Deze persoon heeft een donkere huidskleur (dader 3). Na 15 seconden ziet zij dader 2 ruimte maken. Dit doet hij door dader 1 aan de kant te duwen. Zij ziet dat dader 2 met zijn rechter vuist uithaalt in de richting van [slachtoffer] . Vervolgens ziet zij dat dader 1 zich er mee begint te bemoeien. Met 18 seconden is te zien dat dader 1 een hamer uit zijn vest haalt. Zij ziet dat dader 2 uit balans raakt en op een andere bank terechtkomt. Terwijl dader 2 op de bank valt ziet ze dader 3 ook weer in beeld. Met 22 seconden ziet de verbalisant dat dader 1 nog steeds tegenover [slachtoffer] staat en met zijn rechter hand een vuist balt. Dader 2 zit nog steeds op de bank en maakt vanuit de bank trappende bewegingen naar [slachtoffer] . Ze ziet dat al het geschreeuw en geruzie gericht is op [slachtoffer] . Met 24 seconden heeft dader 1 [slachtoffer] vast. Ook is te zien dat [slachtoffer] dader 1 vast heeft. Met 26 seconden hoort ze dader 3 zeggen dat dader 1 weg moet gaan. In de rechterhand van dader 3 ziet ze dan een grote zilveren stalen pijp. Met 27 seconden ziet ze dat dader 3 in zijn rechterhand een stalen pijp heeft en dat dader 3 met deze pijp een slaande beweging in de richting van [slachtoffer] maakt. Na deze klap/slaande beweging ziet ze dader 3 gelijk een stap terug doen. Vervolgens loopt dader 3 naar buiten, de tuin in. Hierbij neemt hij dader 1 met zich mee naar buiten. Vervolgens ziet ze dader 1 weer naar binnen lopen en iets van de grond pakken. Ook dader 2 staat weer op van de bank en loopt naar buiten. Bij seconde 38 zijn alle drie de verdachten buiten het chalet.8 Verbalisant [naam 4] herkent dader 1 als verdachte en dader 2 als medeverdachte [medeverdachte 2] .9

De beelden zijn ter terechtzitting getoond. Daarnaast heeft de officier van justitie screenshots gemaakt van de camerabeelden. Deze screenshots zijn eveneens ter terechtzitting getoond. De rechtbank stelt vast dat hetgeen op de beelden is te zien, overeenkomt met de handelingen zoals beschreven door verbalisant [naam 3] .

Conclusie

Op basis van het voorgaande concludeert de rechtbank dat niet kan worden bewezen dat verdachte aangever [slachtoffer] met een hamer tegen het hoofd dan wel tegen het lichaam heeft geslagen. De rechtbank spreekt verdachte derhalve vrij van de hem primair ten laste gelegde poging tot doodslag. Daarnaast acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte een voldoende significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het slaan met de buis/staaf tegen het hoofd van aangever [slachtoffer] door medeverdachte [medeverdachte 1] , zodat de rechtbank verdachte eveneens vrijspreekt van het hem subsidiair tenlastegelegde medeplegen van poging tot zware mishandeling.

De rechtbank is wel van oordeel dat verdachte aangever [slachtoffer] in vereniging heeft mishandeld, nu hij samen met medeverdachte [medeverdachte 2] naar het chalet is gegaan waar aangever [slachtoffer] op dat moment was. Zij hebben hem daar toen mishandeld door hem meermalen te slaan en te stompen tegen zijn lichaam en gezicht. Uit de verklaring van aangever, de camerabeelden van de vechtpartij en de verklaring van [medeverdachte 2] , leidt de rechtbank de bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] af.

Ten aanzien van feit 2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde, nu verdachte aangever [slachtoffer] heeft bedreigd door met een hamer in zijn hand dreigend tegenover hem te staan en hem de woorden toe te voegen ‘Ik maak je dood’.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

Aangever [slachtoffer] heeft aangifte gedaan van bedreiging, gepleegd door verdachte. [slachtoffer] verklaart dat op het moment dat verdachte samen met de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de deuropening van het chalet stonden, zij tegen hem schreeuwden. Zo heeft [medeverdachte 2] aldus [slachtoffer] geroepen: ‘Kom naar buiten, ik maak je af’. [slachtoffer] hoorde dat verdachte soortgelijke woorden schreeuwde. Verdachte had op dat moment een hamer in zijn hand.10

Verbalisant [naam 4] verklaart dat hij tijdens het filmpje van het voorval in en bij het chalet, na 8 seconde hoort dat verdachte roept: ‘Ik maak je dood hé kankerlijer’. [naam 4] ziet dat verdachte op dat moment wijst richting aangever.11 Nadat verdachte samen met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] het chalet uitloopt, draait verdachte zich om en roept hij ‘Kankerhond, je gaat eraan’. Op dat moment heeft verdachte duidelijk zichtbaar voor [slachtoffer] een hamer in zijn hand.12

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangever [slachtoffer] heeft bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht, door [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen ‘Ik maak je dood hé kankerlijer’ en daarnaast duidelijk zichtbaar voor die [slachtoffer] een hamer vast te houden.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

ten aanzien van feit 1 meer subsidiair

hij op of omstreeks 3 augustus 2017 te Voorthuizen, althans in de gemeente Barneveld,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen

[slachtoffer] heeft mishandeld door hem met een ijzeren staaf/buis en/of een hamer, althans met een of meerdere harde voorwerpen op/tegen het hoofd te slaan en/of hem meermalen, althans eenmaal, op/tegen het gezicht en/of de borst, althans op/tegen het lichaam, te slaan en/of te stompen;

ten aanzien van feit 2

hij op of omstreeks 3 augustus 2017 te Voorthuizen, althans in de gemeente Barneveld,

[slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen "ik maak je dood" en/of "ik schiet je kapot", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of daarbij dreigend met een hamer een zwaaiende beweging gemaakt in de richting van het hoofd van die [slachtoffer] , althans duidelijk zichtbaar voor die [slachtoffer] een hamer (vast)gehouden.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 meer subsidiair:

Medeplegen van mishandeling.

Ten aanzien van feit 2:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

5 De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7a. Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, waarvan 107 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, en voorts tot het verrichten van 120 uren werkstraf, te vervangen door 60 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de rechtbank om verdachte een gevangenisstraf op te leggen, gelijk aan de duur van het voorarrest.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 21 december 2017;

- een voorlichtingsrapportage van Tactus Verslavingszorg, gedateerd 26 oktober 2017.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van mishandeling en bedreiging. Hij heeft aangever in zijn chalet opgezocht en samen met zijn medeverdachte heeft hij hem meermalen tegen het gezicht en het lichaam geslagen en gestompt. Verder heeft verdachte aangever met een hamer in zijn hand bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht. Dit zijn ernstige feiten. Verdachte heeft met zijn handelen een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever. Het feit heeft veel impact op hem gehad, zoals ook blijkt uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring.

Verdachte is eerder voor een geweldsdelict veroordeeld, maar heeft geen recente documentatie op dit gebied. Verdachte liep ten tijde van het plegen van de onderhavige strafbare feiten in een proeftijd in verband met een eerdere veroordeling. Uit het reclasseringsrapport blijkt dat er sprake is van problemen op verschillende leefgebieden. Hiervoor is aan verdachte in het verleden meermalen hulp geboden. Desondanks is verdachte doorgegaan met het plegen van strafbare feiten. De kans op herhaling wordt ingeschat als groot. Geadviseerd wordt een langdurige klinische behandeling gevolgd door een traject van begeleid wonen.

De rechtbank weegt in strafverzwarende zin mee dat verdachte een wapen heeft meegenomen naar het chalet. Nu niet is gebleken dat verdachte bereid is zich te houden aan voorwaarden die mogelijk aan hem gesteld kunnen worden in het kader van behandeling en begeleiding, ziet de rechtbank geen aanleiding een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. Nu de rechtbank minder bewezen acht dan de officier van justitie, zal de rechtbank een lagere straf opleggen dan is geëist door de officier van justitie.

7b. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van de tenlastegelegde feiten. Gevorderd wordt een bedrag van

€ 25.830,- met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen tot een bedrag van € 1.945,-, met de wettelijke rente over de toe te wijzen schade vanaf 3 augustus 2017, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 29 dagen hechtenis. Voor het overige heeft de officier van justitie verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van de gevorderde schade op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu de vordering onvoldoende is onderbouwd.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat het gevorderde bedrag aan materiële schade tot een bedrag van € 445,- voor toewijzing vatbaar is, nu de gevorderde kosten, met uitzondering van de eigen bijdrage voor 2018, voldoende zijn onderbouwd en daarnaast in directe relatie staan tot het strafbare feit en niet gemotiveerd zijn betwist. De rechtbank merkt op dat zij de gevraagde vergoeding van de eigen bijdrage voor 2018 ter hoogte van € 385,- niet zal toewijzen, nu niet vaststaat dat de eigen bijdrage in 2018 wordt verbruikt.

Met betrekking tot het gevorderde bedrag van € 25.000,- wegens immateriële schade overweegt de rechtbank het volgende. Aan de benadeelde partij is door het bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks schade toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Als gevolg van de mishandeling heeft de benadeelde partij [slachtoffer] letsel opgelopen. Daarnaast acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat het feit een grote impact op [slachtoffer] heeft gehad. Dit is mede aan verdachte toe te rekenen. Aan de wettelijke vereisten, waaronder die genoemd in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek is voldaan. Hoewel de rechtbank niets wil afdoen aan de gevolgen voor [slachtoffer] , is de rechtbank van oordeel dat het bedrag in de hoogte zoals door [slachtoffer] gevorderd aan immateriële schade slechts in zeer uitzonderlijke gevallen wordt toegewezen. Alsdan moet sprake zijn van forse psychische schade. Dat is echter naar het oordeel van de rechtbank in deze zaak niet komen vast te staan. Gelet op hetgeen in gelijksoortige zaken doorgaans wordt toegewezen, acht de rechtbank een bedrag van

€ 1.500,- toewijsbaar.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen tot een totaalbedrag van € 1.945,- schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering is tot dit bedrag voor toewijzing vatbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 augustus 2017.

De rechtbank zal bepalen dat verdachte hoofdelijk met zijn mededaders aansprakelijk is voor de vordering.

Ter meerdere zekerheid voor daadwerkelijke betaling aan de benadeelde partij, zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

De rechtbank acht termen aanwezig om een termijnbetaling te bepalen.

7c. De beoordeling van de vordering na voorwaardelijke veroordeling

Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van de vordering na voorwaardelijke veroordeling in de zaak met parketnummer 05/740139-15 vordert de officier van justitie de tenuitvoerlegging van de werkstraf voor de duur van 90 uren die door de Rechtbank Gelderland op 8 oktober 2015 voorwaardelijk is opgelegd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

Nu is bewezen dat verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit, dient de bij vonnis van de Rechtbank Gelderland van 8 oktober 2015 (05/740139-15) voorwaardelijk opgelegde werkstraf voor de duur van 90 uren ten uitvoer gelegd te worden.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 24a, 36f, 47, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde;

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 133 (honderddrieëndertig) dagen;

beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde straf in mindering zal worden gebracht;

heft op het, geschorste, bevel tot voorlopige hechtenis.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer], ten bedrag van € 1.945,00 (negentienhonderdenvijfenveertig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 augustus 2017, tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Maatregel tot schadevergoeding

 legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 1.945,00 (negentienhonderdenvijfenveertig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 augustus 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 29 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast onder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

 verstaat dat indien en voor zover door de mededader het betreffende schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd;

 bepaalt dat de veroordeelde het hiervoor genoemde bedrag mag betalen in 24 maandelijkse termijnen van elk € 84,04.

De beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling

gelast de tenuitvoerlegging van de werkstraf voor de duur van 90 (negentig) uren, voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de Rechtbank Gelderland op 8 oktober 2015, onder parketnummer 05/740139-15.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.D. Jacobs (voorzitter), mr. C. van Linschoten en mr. J.H.D. van Onna, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M.J.A. Peters, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 februari 2018.

Mr. C. van Linschoten is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2017362028, gesloten op 6 augustus 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer] , p. 42; proces-verbaal van verhoor [slachtoffer] , p. 46-49; geneeskundige verklaring, p. 90; verklaring verdachte afgelegd ter terechtzitting van 6 februari 2018.

3 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer] , p. 47-49.

4 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 72-73.

5 Proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte 2] , p. 77-79.

6 Proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte 1] , p. 87.

7 Proces-verbaal van verhoor [naam 2] , p. 51.

8 Proces-verbaal van bevindingen, p. 62.

9 Proces-verbaal van bevindingen, p. 68.

10 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer] , p. 46, 47 en 48.

11 Proces-verbaal van bevindingen, p. 68, alsmede de eigen waarneming van de rechtbank ter terechtzitting van 6 februari 2018.

12 De eigen waarneming van de rechtbank ter terechtzitting van 6 februari 2018.