Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:777

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
20-02-2018
Datum publicatie
21-02-2018
Zaaknummer
05/840862-17 en 16/256641-15 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Drie mannen veroordeeld voor mishandeling, bedreiging en poging zware mishandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummers : 05/840862-17 en 16/256641-15 (tul)

Datum uitspraak : 20 februari 2018

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats] , zonder vaste woon- of verblijfplaats hier ten lande.

Raadsvrouw: mr. R.E.H. Jager, advocaat te Amersfoort.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 12 december 2017 en 6 februari 2018.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 3 augustus 2017 te Voorthuizen, althans in de gemeente Barneveld,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met voormeld oogmerk die [slachtoffer] met een hamer en/of een ijzeren buis/staaf,

althans met een of meerdere harde voorwerpen, op/tegen het hoofd heeft/hebben geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 3 augustus 2017 te Voorthuizen, althans in de gemeente Barneveld,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met voormeld oogmerk die [slachtoffer] met een hamer en/of een ijzeren staaf/buis, althans met een of meerdere harde voorwerpen, op/tegen het hoofd heeft/hebben geslagen en/of die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, in/op/tegen het gezicht en/of de borst, althans op/tegen het lichaam, heeft/hebben geslagen en/of gestompt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 3 augustus 2017 te Voorthuizen, althans in de gemeente Barneveld,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen

[slachtoffer] heeft mishandeld door hem met een ijzeren staaf/buis en/of een hamer, althans met een of meerdere harde voorwerpen op/tegen het hoofd te slaan en/of hem meermalen, althans eenmaal, op/tegen het gezicht en/of de borst, althans op/tegen het lichaam, te slaan en/of te stompen.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde, te weten medeplegen van een poging doodslag. De officier van justitie is van mening dat verdachte degene is geweest die aangever [slachtoffer] met een ijzeren buis op het hoofd heeft geslagen. Medeverdachte [medeverdachte 1] zou op dat moment aan aangever getrokken hebben, waardoor het slaan op het achterhoofd mogelijk werd. Nu zowel verdachte als medeverdachte [medeverdachte 1] een voldoende significante bijdrage hebben geleverd aan het slaan met de buis op het hoofd, is er sprake van medeplegen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte moet worden vrijgesproken van het hem primair en subsidiair tenlastegelegde. De verdediging is primair van mening dat niet bewezen kan worden dat verdachte aangever [slachtoffer] met een ijzeren buis op het hoofd heeft geslagen, omdat aangever zelf heeft verklaard dat verdachte naar hem had uitgehaald maar had gemist. Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat geen sprake was van een ijzeren of zelfs loden of stalen buis of pijp maar van een (holle) lichte kleding roede en dat, nu verdachte [slachtoffer] éénmaal met een roede op zijn hoofd heeft geslagen, er geen sprake is van een aanmerkelijke kans op de dood of zwaar lichamelijk letsel. Met betrekking tot het meer subsidiair tenlastegelegde refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

Vast staat dat er op 3 augustus 2017 in een chalet op het recreatiepark [naam 1] te Voorthuizen een vechtpartij heeft plaatsgevonden, waarbij aangever [slachtoffer] letsel heeft opgelopen, bestaande uit een wond aan de achterzijde van zijn hoofd en een lichte hersenschudding.2

Toegepaste geweld

[slachtoffer] heeft verklaard dat hij zag dat er ineens drie mannen bij de openslaande deuren van het chalet stonden. Hij zag dat het verdachte en medeverdachten [medeverdachte 1] (verder: [medeverdachte 1] ) en [medeverdachte 2] (verder: [medeverdachte 2] ) waren. Hij zag dat [medeverdachte 1] in zijn rechterhand een hamer vast had en als eerste het chalet in liep, kort daarna gevolgd door [medeverdachte 2] Hij zag dat [medeverdachte 2] op hem af kwam lopen. [slachtoffer] zat op dat moment nog in zijn stoel. Vervolgens zag [slachtoffer] dat [medeverdachte 2] met zijn rechtervuist uithaalde en hem met kracht op zijn linkerwang sloeg. [slachtoffer] voelde als gevolg hiervan veel pijn aan deze wang. Vervolgens stond [slachtoffer] op en duwde hij [medeverdachte 2] naar eigen zeggen zachtjes van zich af. Als gevolg hiervan viel [medeverdachte 2] achterover op de bank rechts van [slachtoffer] . Hij kwam op zijn rug terecht en bleef aldus [slachtoffer] spartelen om weer op te staan. [slachtoffer] pakte hem bij zijn benen en stelt hem uit de bank te hebben willen trekken. [slachtoffer] werd op dat moment meerdere malen op zijn lichaam geslagen. Op het moment dat [slachtoffer] naar voren leunde, voelde hij een klap op zijn achterhoofd, op de plek van de wond. Hij hoorde een dof geluid en voelde een hevige felle brandende pijn. Hij voelde direct nat op zijn hoofd en in zijn nek. Hij zag toen bloed op zijn T-shirt en op de grond en voelde zich gedesoriënteerd. [slachtoffer] verklaart dat hij hoorde en voelde dat er met metaal op zijn schedel werd geslagen. Nadat [slachtoffer] geslagen was, zag hij dat de drie mannen het chalet uitliepen.3

Rol van verdachte en zijn medeverdachten

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij samen met verdachte en [medeverdachte 2] naar het chalet is gelopen. Omdat [slachtoffer] niet naar buiten wilde komen, is [medeverdachte 1] naar binnen gelopen. [medeverdachte 2] liep ook naar binnen. Eenmaal binnen werd er over en weer geschreeuwd. [medeverdachte 1] denkt dat [slachtoffer] [medeverdachte 2] de eerste klap gaf als gevolg waarvan [medeverdachte 2] op de bank viel. [medeverdachte 1] ging zich ermee bemoeien en pakte [slachtoffer] vast. [medeverdachte 1] verklaart dat hij een hamer bij zich had. Het zou kunnen dat hij hiermee slaande bewegingen heeft gemaakt, maar hij heeft [slachtoffer] niet geraakt met de hamer. [medeverdachte 1] weet niet hoe verdachte aan de buis is gekomen.4

[medeverdachte 2] verklaart dat hij samen met [medeverdachte 1] naar het chalet is gelopen. Eenmaal aangekomen zag hij mensen voor de deur staan, waaronder een donkere man. Toen hij binnenkwam sloeg [slachtoffer] hem op zijn linker onderkin. [medeverdachte 2] viel toen op de bank. [medeverdachte 1] kwam gelijk achter hem aan. [medeverdachte 2] verklaart dat hij [slachtoffer] twee klappen heeft teruggegeven, eenmaal op zijn gezicht en eenmaal op zijn schouder. Volgens [medeverdachte 2] hebben hij, [medeverdachte 1] en [slachtoffer] , klappen uitgedeeld. [medeverdachte 2] weet niets van een stalen buis.5

Verdachte verklaart dat hij samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar het chalet is gelopen. Vervolgens stapte [medeverdachte 2] naar binnen. Verdachte zag dat [medeverdachte 2] vervolgens een klap kreeg van [slachtoffer] tegen zijn gezicht. Hij zag dat de klap raak was en dat [medeverdachte 2] bloed had aan zijn mond. Verdachte schrok hiervan. Hij zag dat [medeverdachte 2] [slachtoffer] een klap terug gaf in het gezicht. Verdachte en [medeverdachte 1] gingen zich er vervolgens mee bemoeien. Ze gingen ertussen staan. Verdachte verklaart dat hij zag dat [slachtoffer] [medeverdachte 2] met beide handen bij zijn nek pakte en hem begon te wurgen, toen [medeverdachte 2] op de bank was gevallen. Hij schrok daarvan. Hij zag dat er een ijzeren of aluminium voorwerp op de tafel lag. Hij pakte dit op en sloeg er vervolgens mee op het hoofd van [slachtoffer] . Toen liet [slachtoffer] los. Vervolgens liep verdachte samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar buiten toe. Verdachte heeft het voorwerp waarmee hij heeft geslagen, buiten het chalet achtergelaten.6

De verklaringen van verdachte en zijn medeverdachten komen niet met elkaar overeen. Het gaat hierbij dan onder meer om het al dan niet samen naar de woning van aangever gaan, het al dan niet bloeden van [medeverdachte 2] en het al dan niet wurgen door aangever.

Camerabeelden

De partner van [slachtoffer] , mevrouw [naam 2] , heeft beelden gemaakt van het incident.7 De beelden zijn bekeken door verbalisant [verbalisant 1] . De verbalisant beschrijft dat zij op de beelden een man gekleed in een spijkerbroek, donkerblauw shirt en met een petje op (dader 1) in het chalet ziet staan. Daarachter ziet zij een man met een kaal hoofd, gekleed in een korte broek en met een wit shirt (dader 2). Na 1 seconde ziet zij ook een derde verdachte in beeld komen. Deze persoon heeft een joggingsbroek aan en een wit shirt met daarover een zwart vest. Deze persoon heeft een donkere huidskleur (dader 3). Na 15 seconden ziet zij dader 2 ruimte maken. Dit doet hij door dader 1 aan de kant te duwen. Zij ziet dat dader 2 met zijn rechter vuist uithaalt in de richting van [slachtoffer] . Vervolgens ziet zij dat dader 1 zich er mee begint te bemoeien. Met 18 seconden is te zien dat dader 1 een hamer uit zijn vest haalt. Zij ziet dat dader 2 uit balans raakt en op een andere bank terechtkomt. Terwijl dader 2 op de bank valt, ziet ze dader 3 ook weer in beeld. Met 22 seconden ziet de verbalisant dat dader 1 nog steeds tegenover [slachtoffer] staat en met zijn rechterhand een vuist balt. Dader 2 zit nog steeds op de bank en maakt vanuit de bank trappende bewegingen naar [slachtoffer] . Ze ziet dat al het geschreeuw en geruzie gericht is op [slachtoffer] . Met 24 seconden heeft dader 1 [slachtoffer] vast. Ook is te zien dat [slachtoffer] dader 1 vast heeft. Met 26 seconden hoort ze dader 3 zeggen dat dader 1 weg moet gaan. In de rechterhand van dader 3 ziet ze dan een grote zilveren stalen pijp. Met 27 seconden ziet ze dat dader 3 in zijn rechterhand een stalen pijp heeft en dat dader 3 met de pijp een slaande beweging maakt in de richting van [slachtoffer] . Na deze klap/slaande beweging ziet ze dader 3 gelijk een stap terug doen. Vervolgens loopt dader 3 naar buiten, de tuin in. Hierbij neemt hij dader 1 met zich mee naar buiten. Vervolgens ziet ze dader 1 weer naar binnen lopen en iets van de grond pakken. Ook dader 2 staat weer op van de bank en loopt naar buiten. Bij seconde 38 zijn alle drie de verdachten buiten het chalet.8 Verbalisant [verbalisant 2] herkent dader 1 als medeverdachte [medeverdachte 1] en dader 2 als medeverdachte [medeverdachte 2] .9

De camerabeelden zijn ter terechtzitting getoond. Daarnaast heeft de officier van justitie screenshots gemaakt van de beelden, die aan het proces-verbaal van de terechtzitting zijn toegevoegd. Deze screenshots zijn eveneens ter terechtzitting getoond. De rechtbank stelt vast dat hetgeen op de beelden is te zien, overeenkomt met de handelingen zoals beschreven door verbalisant [verbalisant 1] .

Conclusie

Op basis van het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte aangever [slachtoffer] met een buis/staaf op het hoofd heeft geslagen. Als gevolg hiervan heeft [slachtoffer] een wond aan de achterzijde van zijn hoofd en een lichte hersenschudding opgelopen.

De rechtbank stelt vast dat de buis/staaf niet is gevonden. De rechtbank schat de lengte van de buis/staaf, op basis van de camerabeelden en de screenshots, op ongeveer 40 cm. Hoewel de getuigen [medeverdachte 1] en [naam 3] ter terechtzitting hebben verklaard dat verdachte heeft geslagen met een aluminium roede, is de rechtbank van oordeel dat zij op basis van het onderliggende dossier en de camerabeelden niet kan vaststellen van welk materiaal de buis/staaf waarmee geslagen is, is gemaakt en of de buis/staaf van binnen hol is of niet. Nu de rechtbank derhalve niet kan vaststellen of het slaan met een dergelijk voorwerp potentieel dodelijk letsel kan veroorzaken, spreekt de rechtbank verdachte vrij van de primair tenlastegelegde poging tot doodslag.

Hoewel niet kan worden vastgesteld van welk materiaal de buis/staaf waarmee geslagen is, is gemaakt, acht de rechtbank bewezen dat verdachte door zijn handelen een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel in het leven heeft geroepen. Door met een buis/staaf, met een omvang zoals voornoemd, zelfs als deze van licht materiaal zoals aluminium is, krachtig op het hoofd, een kwetsbaar onderdeel van het lichaam, te slaan, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. Gelet daarop acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling.

De rechtbank stelt vast dat verdachte de buis/staaf tijdens de vechtpartij heeft gepakt. Niet kan worden bewezen dat verdachte de buis/staaf al in zijn bezit had op het moment dat hij onderweg was naar het chalet. De rechtbank acht eveneens niet bewezen dat medeverdachte [medeverdachte 1] aangever [slachtoffer] met een hamer tegen het hoofd heeft geslagen. Hoewel getuige [naam 4] bij de politie heeft verklaard, dat hij heeft gezien dat medeverdachte [medeverdachte 1] aangever [slachtoffer] met een hamer op het hoofd sloeg, komt hij bij de rechter-commissaris op deze verklaring terug. Deze gang van zaken doet naar het oordeel van de rechtbank sterk afbreuk aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van getuige [naam 4] en leidt ertoe dat de rechtbank zijn verklaringen buiten beschouwing laat. Nu anderszins niet kan worden bewezen dat medeverdachte [medeverdachte 1] een significante bijdrage heeft geleverd aan de poging zware mishandeling, spreekt de rechtbank verdachte vrij van het onderdeel medeplegen.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 3 augustus 2017 te Voorthuizen, althans in de gemeente Barneveld,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met voormeld oogmerk die [slachtoffer] met een hamer en/of een ijzeren staaf/buis, althans met een of meerdere harde voorwerpen, op/tegen het hoofd heeft/hebben geslagen en/of die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, in/op/tegen het gezicht en/of de borst, althans op/tegen het lichaam, heeft/hebben geslagen en/of gestompt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde:

Poging tot zware mishandeling.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht verdachte, in tegenstelling tot deskundige [naam 5] , volledig toerekeningsvatbaar. Hoewel er volgens de officier van justitie sprake is van een lichte verstandelijke beperking bij verdachte, is zij van mening dat dit niet heeft doorgewerkt in het plegen van het tenlastegelegde feit.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte, overeenkomstig de conclusie van deskundige [naam 5] , verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht. Het ontbreekt verdachte aan de vaardigheden om in geval van oplopende stress, zoals een hevige ruzie, de juiste keuzes te maken en adequaat te reageren. Het incident in het chalet werd groter en groter. Verdachte raakte het overzicht kwijt en heeft op een niet-adequate manier geprobeerd het overzicht terug te winnen.

Beoordeling door de rechtbank

Klinisch psycholoog [naam 5] heeft in een rapport van 31 januari 2018 geconcludeerd dat verdachte lijdend is aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een licht verstandelijke beperking. Daarnaast is er sprake van een sterk vermijdende copingstijl. Duidelijke aanwijzingen voor een vermijdende persoonlijkheidsstoornis konden niet gevonden worden. Het vermogen van verdachte om te zien wat adequaat is in een situatie zoals die van een heftige ruzie, is beperkt. Daarnaast bestaat er een vergrote kwetsbaarheid voor druk van de situatie. Verdachte is in dit opzicht gemakkelijk beïnvloedbaar en verliest bij oplopende stress het overzicht om keuzes te maken die rationeel en adequaat zijn. De mentale capaciteit om met spanning (ook als het agressieve opwinding is) en stress om te gaan, is zowel vanwege zijn beperkte cognitieve vermogens als ook vanwege zijn vermijdende copingstijl, beperkt. De gehele situatie wegend in relatie tot de omstandigheid dat verdachte in ieder geval achteraf gezien op de hoogte is van het onaanvaardbare karakter van het tenlastegelegde feit, pleit dit ervoor het hem tenlastegelegde feit verminderd toe te rekenen, aldus de deskundige [naam 5] .

De rechtbank neemt de conclusie van de deskundige, dat verdachte ten tijde van het plegen van het delict verminderd toerekeningsvatbaar was, over.

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7a. Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het hem primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, waarvan 211 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met naast de algemene voorwaarden oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals voorgeschreven door de reclassering, en voorts tot het verrichten van 180 uren werkstraf te vervangen door 90 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de rechtbank verdachte een gevangenisstraf op te leggen, gelijk aan de duur van het voorarrest.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 21 december 2017;

- een voorlichtingsrapportage van GGZ Novadic-Kentron, gedateerd 1 november 2017;

- een voorlichtingsrapportage van GGZ Novadic-Kentron, gedateerd 31 januari 2018;

- een mono-rapportage Pro Justitia van [naam 5] , psycholoog, gedateerd 31 januari 2018.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling, door aangever [slachtoffer] met een buis/staaf op het hoofd te slaan. [slachtoffer] heeft daardoor letsel opgelopen, waaronder een hoofdwond en een lichte hersenschudding. Hiermee is een inbreuk gemaakt op zijn lichamelijke integriteit. Daarnaast heeft het feit veel psychische impact gehad op [slachtoffer] , zoals ook blijkt uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring.

Verdachte is eerder voor een geweldsdelict veroordeeld, maar heeft geen recente documentatie op dit gebied. Wel liep verdachte ten tijde van het plegen van onderhavig strafbare feit in een proeftijd in verband met een eerdere veroordeling. De rechtbank houdt, zoals gezegd, rekening met de conclusie van de psycholoog, die verdachte verminderd toerekeningsvatbaar acht.

Uit de voorlichtingsrapportage van GGZ Novadic-Kentron volgt dat er sprake is van een gemiddelde kans op recidive. Er is bij verdachte sprake van instabiliteit op de belangrijkste levensterreinen. Om tot een aanvaardbare reductie van het recidiverisico te komen dienen er volgens de reclassering op diverse niveaus interventies gepleegd te worden. Bijzondere terreinen van aandacht daarbij zijn het aanleren van vaardigheden bij het oplossen van problemen, impulsbeheersing, het langdurig verwerven van werk en daarnaast een stabiele daginvulling.

Gelet op het voorgaande adviseert de reclassering om aan verdachte, in geval van een strafoplegging, een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en begeleid wonen of maatschappelijke opvang.

Alles overziende zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf opleggen waarbij het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de duur van het voorarrest. De rechtbank legt aan verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 269 dagen waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met naast de algemene voorwaarden oplegging van de bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd door de reclassering. Daarnaast veroordeelt de rechtbank verdachte tot het verrichten van een werkstraf voor de duur van 140 uren. De rechtbank komt tot een lagere strafoplegging dan de officier van justitie, nu de rechtbank verdachte verminderd toerekeningsvatbaar acht en zij daarnaast tot een andere bewezenverklaring komt.

7b. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het tenlastegelegde feit. Gevorderd wordt een bedrag van

€ 25.830,- met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen tot een bedrag van € 1.945,-, met de wettelijke rente over de toe te wijzen schade vanaf 3 augustus 2017, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 29 dagen hechtenis. Voor het overige heeft de officier van justitie verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van de gevorderde schade primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu de vordering onvoldoende is onderbouwd. Subsidiair verzoekt de verdediging, indien de rechtbank overgaat tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft hoge schulden en zit momenteel in een bewind. De verdediging verzoekt de rechtbank om alsdan een betaling in termijnen toe te staan.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat het gevorderde bedrag aan materiele schade tot een bedrag van € 445,- voor toewijzing vatbaar is, nu de gevorderde kosten, met uitzondering van de eigen bijdrage voor 2018, voldoende zijn onderbouwd, in directe relatie staan tot het strafbare feit en niet gemotiveerd zijn betwist. De rechtbank merkt op dat zij de gevraagde vergoeding van de eigen bijdrage voor 2018 ter hoogte van € 385,- niet zal toewijzen, nu niet vaststaat dat de eigen bijdrage in 2018 wordt verbruikt.

Met betrekking tot het gevorderde bedrag van € 25.000,- wegens immateriële schade overweegt de rechtbank het volgende. Aan de benadeelde partij is door het bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks schade toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Als gevolg van de poging tot zware mishandeling heeft de benadeelde partij [slachtoffer] onder meer een lichte hersenschudding en wond aan zijn achterhoofd opgelopen. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat het feit een grote impact op [slachtoffer] heeft gehad. Dit is mede aan verdachte toe te rekenen. Aan de wettelijke vereisten, waaronder die genoemd in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek is voldaan. Hoewel de rechtbank niets wil afdoen aan de gevolgen voor [slachtoffer] , is de rechtbank van oordeel dat het bedrag in de hoogte zoals door [slachtoffer] gevorderd aan immateriële schade slechts in zeer uitzonderlijke gevallen wordt toegewezen. Alsdan moet sprake zijn van forse psychische schade. Dat is echter naar het oordeel van de rechtbank in deze zaak niet vast komen te staan. Gelet op hetgeen in gelijksoortige zaken doorgaans wordt toegewezen, acht de rechtbank een bedrag van

€ 1.500,- toewijsbaar.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen tot een totaal bedrag van € 1.945,- schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering is tot dit bedrag voor toewijzing vatbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 augustus 2017.

De rechtbank zal bepalen dat verdachte hoofdelijk met zijn mededaders aansprakelijk is voor de vordering.

Ter meerdere zekerheid voor daadwerkelijke betaling aan de benadeelde partij, zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

De rechtbank acht termen aanwezig om een termijnbetaling te bepalen.

7c. De beoordeling van de vordering na voorwaardelijke veroordeling

Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van de vordering na voorwaardelijke veroordeling in de zaak met parketnummer 16/256641-15 vordert de officier van justitie de tenuitvoerlegging van de werkstraf voor de duur van 40 uren die door de Rechtbank Midden-Nederland op 23 februari 2016 voorwaardelijk is opgelegd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht de vordering af te wijzen.

Beoordeling door de rechtbank

Nu is bewezen dat verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit, dient de bij vonnis van de Rechtbank Midden-Nederland van 23 februari 2016 (16/256641-15) voorwaardelijk opgelegde werkstraf voor de duur van 40 uren ten uitvoer gelegd te worden.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24a, 36f, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van het primair tenlastegelegde;

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 269 (tweehonderdnegenenzestig) dagen;

bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 180 (honderdtachtig) dagen niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden voor het einde van de proeftijd die op twee jaren wordt bepaald;

stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

  1. zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

  2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

  3. zijn medewerking zal verlenen aan het door de Reclassering Nederland te houden toezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde:

4. zich uiterlijk binnen drie dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis zal melden bij GGZ Reclassering Inforsa te Utrecht (ABC Straat 5, 088-1617480) en zich gedurende de proeftijd zal blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zo lang de instelling dat noodzakelijk vindt;

5. zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering;

6. verblijft in een begeleide woonvorm of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start zodra de reclassering het moment daarvoor geschikt acht. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.

Geeft opdracht aan de Reclassering Inforsa te Utrecht tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht).

en voorts tot:

een werkstraf gedurende 140 (honderdenveertig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur 70 (zeventig) dagen;

beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde straf in mindering zal worden gebracht;

heft op het, geschorste, bevel tot voorlopige hechtenis.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer], ten bedrag van € 1.945,00 (negentienhonderdenvijfenveertig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 augustus 2017, tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Maatregel tot schadevergoeding

 legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 1.945,00 (negentienhonderdenvijfenveertig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 augustus 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 29 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

 verstaat dat indien en voor zover door de mededader het betreffende schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd;

 bepaalt dat de veroordeelde het hiervoor genoemde bedrag mag betalen in 24 maandelijkse termijnen van elk € 84,04.

De beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling

gelast de tenuitvoerlegging van de werkstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de Rechtbank Midden-Nederland op 23 februari 2016, onder parketnummer 16/256641-15.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.D. Jacobs (voorzitter), mr. C. van Linschoten en mr. J.H.D. van Onna, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M.J.A. Peters, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 februari 2018.

Mr. C. van Linschoten is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Oost- Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2017362028, gesloten op 6 augustus 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer] , p. 42; proces-verbaal van verhoor [slachtoffer] , p. 46-49; geneeskundige verklaring, p. 90; verklaring verdachte afgelegd ter terechtzitting van 6 februari 2018.

3 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer] , p. 47-49.

4 Proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte 1] , p. 72-73.

5 Proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte 2] , p. 77-79.

6 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 87.

7 Proces-verbaal van verhoor [naam 2] , p. 51.

8 Proces-verbaal van bevindingen, p. 62.

9 Proces-verbaal van bevindingen, p. 68.