Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:767

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
20-02-2018
Datum publicatie
20-02-2018
Zaaknummer
05/840860-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Drie mannen veroordeeld voor mishandeling, bedreiging en poging zware mishandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/840860-17

Datum uitspraak : 20 februari 2018

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1947 te [geboorteplaats] , wonende te [adres]

Raadsman: mr. R. Vierhout, advocaat te Nijkerk.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 februari 2018.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 3 augustus 2017 te Voorthuizen, althans in de gemeente Barneveld,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met voormeld oogmerk die [slachtoffer] met een hamer en/of een ijzeren buis/staaf,

althans met een of meerdere harde voorwerpen, op/tegen het hoofd heeft geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 3 augustus 2017 te Voorthuizen, althans in de gemeente Barneveld,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met voormeld oogmerk die [slachtoffer] met een hamer en/of een ijzeren staaf/buis, althans met een of meerdere harde voorwerpen, op/tegen het hoofd heeft/hebben geslagen en/of die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, in/op/tegen het gezicht en/of de borst heeft/hebben geslagen en/of gestompt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 3 augustus 2017 te Voorthuizen, althans in de gemeente Barneveld,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen

[slachtoffer] heeft mishandeld door hem met een ijzeren staaf/buis en/of een hamer, althans met een of meerdere harde voorwerpen op/tegen het hoofd te slaan en/of hem meermalen, althans eenmaal, op/tegen het gezicht en/of de borst, althans op/tegen het lichaam, te slaan en/of te stompen;

2.

hij op of omstreeks 3 augustus 2017 te Voorthuizen, althans in de gemeente Barneveld,

[slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door op korte afstand van die [slachtoffer] een (opklapbare) zaag, althans een hard en/of scherp voorwerp, uit te klappen, althans duidelijk zichtbaar voor die [slachtoffer] een zaag (vast) te houden en/of daarbij die [slachtoffer] dreigend de woorden ik maak je af" toe te voegen, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Ten aanzien van feit 1

Ten aanzien van het primair en subsidiair tenlastegelegde

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan (het medeplegen van) een poging doodslag c.q. zware mishandeling van aangever [slachtoffer] .

Ten aanzien van het meer subsidiair tenlastegelegde

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling, nu verdachte aangever [slachtoffer] in het chalet meermalen heeft geslagen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat bewezen kan worden dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan mishandeling van aangever [slachtoffer] . Van medeplegen is echter geen sprake, zodat op dit punt partiële vrijspraak dient te volgen.

Beoordeling door de rechtbank

Vast staat dat er op 3 augustus 2017 in een chalet op het recreatiepark [recreatiepark] te Voorthuizen een vechtpartij heeft plaatsgevonden, waarbij aangever [slachtoffer] letsel heeft opgelopen, bestaande uit een wond aan de achterzijde van zijn hoofd en een lichte hersenschudding.2

Toegepaste geweld

[slachtoffer] heeft verklaard dat hij zag dat er ineens drie mannen bij de openslaande deuren van het chalet stonden. Hij zag dat het verdachte en medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] waren. Hij zag dat [medeverdachte 2] in zijn rechterhand een hamer vasthad en als eerste het chalet in liep, kort daarna gevolgd door verdachte. Hij zag dat verdachte op hem af kwam lopen. [slachtoffer] zat op dat moment nog in zijn stoel. Vervolgens zag [slachtoffer] dat verdachte met zijn rechtervuist uithaalde en hem met gebalde vuist op zijn linkerwang sloeg. Verdachte sloeg, aldus aangever, met maximale kracht. [slachtoffer] voelde als gevolg hiervan veel pijn aan deze wang. Vervolgens stond [slachtoffer] op en duwde verdachte van zich af. Als gevolg hiervan viel verdachte achterover op de bank rechts van [slachtoffer] . Verdachte kwam op zijn rug in de bank terecht. [slachtoffer] pakte hem bij zijn benen en stelt hem uit de bank te hebben willen trekken. [slachtoffer] werd op dat moment meerdere malen op zijn lichaam geslagen. Op het moment dat [slachtoffer] naar voren leunde, voelde hij een klap op zijn achterhoofd, op de plek waar later een wond was. Hij hoorde een dof geluid en voelde een hevige felle brandende pijn. Hij voelde direct nat op zijn hoofd en in zijn nek. Hij zag toen bloed op zijn T-shirt en op de grond en voelde zich gedesoriënteerd. [slachtoffer] verklaart dat hij hoorde en voelde dat er met metaal op zijn schedel werd geslagen. Nadat [slachtoffer] geslagen was, zag hij dat de drie mannen het chalet uitliepen.3

Rol van verdachte en zijn medeverdachten

Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij samen met verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] naar het chalet is gelopen, alwaar aangever [slachtoffer] op dat moment verbleef. Omdat [slachtoffer] niet naar buiten wilde komen, is [medeverdachte 2] naar binnen gelopen. Verdachte liep ook naar binnen. Eenmaal binnen werd er over en weer geschreeuwd. Hij denkt dat [slachtoffer] verdachte de eerste klap gaf, waarna verdachte achterover op de bank viel. [medeverdachte 2] ging zich ermee bemoeien en pakte [slachtoffer] vast. [medeverdachte 2] verklaart dat hij een hamer bij zich had. Het zou kunnen dat hij hiermee slaande bewegingen heeft gemaakt, maar hij heeft [slachtoffer] niet geraakt met de hamer. Hij weet niet hoe medeverdachte [medeverdachte 1] aan de buis is gekomen.4

Verdachte verklaart dat hij samen met [medeverdachte 2] naar het chalet is gelopen. Eenmaal aangekomen zag hij mensen voor de deur staan, waaronder een donkere man. Toen hij binnenkwam sloeg [slachtoffer] hem op zijn linker onderkin. Vervolgens viel hij achterover op de bank. [medeverdachte 2] kwam gelijk achter hem aan. Verdachte verklaart dat hij [slachtoffer] twee klappen heeft teruggegeven, eenmaal op zijn gezicht en eenmaal op zijn schouder. Volgens verdachte hebben hij, [medeverdachte 2] en [slachtoffer] klappen uitgedeeld. Verdachte weet niets van een stalen buis.5

Medeverdachte [medeverdachte 1] verklaart dat hij samen met verdachte en [medeverdachte 2] naar het chalet is gelopen. Vervolgens stapte verdachte naar binnen. [medeverdachte 1] zag dat verdachte vervolgens een klap kreeg van [slachtoffer] tegen zijn gezicht. Hij zag dat de klap raak was en dat verdachte bloed had aan zijn mond. [medeverdachte 1] schrok hiervan. Hij zag vervolgens dat verdachte [slachtoffer] een klap terug gaf in het gezicht. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] gingen zich er vervolgens mee bemoeien. Ze gingen ertussen staan. [medeverdachte 1] verklaart dat hij zag dat [slachtoffer] verdachte met zijn beide handen bij zijn nek pakte en hem begon te wurgen, toen verdachte op de bank was gevallen. Hij schrok daarvan. Hij zag dat er zich een ijzeren of aluminium voorwerp op de tafel bevond. Hij pakte deze op en sloeg er vervolgens mee op het hoofd van [slachtoffer] . Toen liet [slachtoffer] los. Vervolgens liep [medeverdachte 1] samen met verdachte en [medeverdachte 2] naar buiten. [medeverdachte 1] heeft het voorwerp waarmee hij heeft geslagen, buiten het chalet achtergelaten.6

De verklaringen van verdachte en zijn medeverdachten komen niet met elkaar overeen. Het gaat hierbij dan onder meer om het al dan niet samen naar de woning van aangever gaan, het al dan niet bloeden van [verdachte] en het al dan niet wurgen door aangever.

Camerabeelden

De partner van aangever [slachtoffer] , mevrouw [naam] , heeft beelden gemaakt van het incident.7 De beelden zijn bekeken door verbalisant [verbalisant 1] . De verbalisant beschrijft dat zij op de beelden een man gekleed in een spijkerbroek, donkerblauw shirt en met een petje op (dader 1) in het chalet ziet staan. Daarachter ziet zij een man met een kaal hoofd staan, gekleed in een korte broek en met een wit shirt (dader 2). Na 1 seconde ziet zij ook een derde verdachte in beeld komen. Deze persoon heeft een joggingsbroek aan en een wit shirt met daarover een zwart vest. Deze persoon heeft een donkere huidskleur (dader 3). Na 15 seconden ziet zij dader 2 ruimte maken. Dit doet hij door dader 1 aan de kant te duwen. Zij ziet dat dader 2 met zijn rechter vuist uithaalt in de richting van [slachtoffer] . Vervolgens ziet zij dat dader 1 zich er mee begint te bemoeien. Met 18 seconden is te zien dat dader 1 een hamer uit zijn vest haalt. Zij ziet dat dader 2 uit balans raakt en op een andere bank terechtkomt. Terwijl dader 2 op de bank valt ziet ze dader 3 ook weer in beeld. Met 22 seconden ziet de verbalisant dat dader 1 nog steeds tegenover [slachtoffer] staat en met zijn rechter hand een vuist balt. Dader 2 zit nog steeds op de bank en maakt vanuit de bank trappende bewegingen naar [slachtoffer] . Ze ziet dat al het geschreeuw en geruzie gericht is op [slachtoffer] . Met 24 seconden heeft dader 1 [slachtoffer] vast. Ook is te zien dat [slachtoffer] dader 1 vast heeft. Met 26 seconden hoort ze dader 3 zeggen dat dader 1 weg moet gaan. In de rechterhand van dader 3 ziet ze dan een grote zilveren stalen pijp. Met 27 seconden ziet ze dat dader 3 in zijn rechterhand een stalen pijp heeft en dat dader 3 met pijp een slaande beweging in de richting van [slachtoffer] maakt. Na deze klap/slaande beweging ziet ze dader 3 gelijk een stap terug doen. Vervolgens loopt dader 3 naar buiten, de tuin in. Hierbij neemt hij dader 1 met zich mee naar buiten. Vervolgens ziet ze dader 1 weer naar binnen lopen en iets van de grond pakken. Ook dader 2 staat weer op de bank en loopt in de richting van buiten de tuin in. Van 30-37 seconden is het beeld heel wiebelig en slecht dat er niets van te maken is. Bij 38 seconden zijn alle drie de verdachten buiten het chalet.8 Verbalisant [verbalisant 2] herkent dader 1 als medeverdachte [medeverdachte 2] en dader 2 als verdachte.9

De beelden zijn ter terechtzitting getoond. Daarnaast heeft de officier van justitie screenshots gemaakt van de camerabeelden. Deze screenshots zijn eveneens ter terechtzitting getoond. De rechtbank stelt vast dat hetgeen op de beelden is te zien, overeenkomt met de handelingen zoals beschreven door verbalisant [verbalisant 1] .

Conclusie

De rechtbank is van oordeel dat verdachte aangever [slachtoffer] in vereniging heeft mishandeld, nu hij samen met [medeverdachte 2] naar het chalet is gegaan waar [slachtoffer] op dat moment was. Aldaar hebben ze [slachtoffer] toen allebei mishandeld. Uit de verklaring van [slachtoffer] , de camerabeelden van de vechtpartij en de verklaring van verdachte, leidt de rechtbank de nauwe samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] af. De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van mishandeling.

Ten aanzien van feit 2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van aangever [slachtoffer] , door na afloop van de vechtpartij op korte afstand van aangever [slachtoffer] een uitgeklapte zaag naar hem te richten.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

Aangever [slachtoffer] heeft aangifte gedaan van bedreiging, gepleegd door verdachte. [slachtoffer] stelt, dat hij, nadat hij geslagen was en de drie mannen het chalet uitliepen, zag dat verdachte zich omdraaide en uit zijn rechterbroekzak een opvouwbare zaag haalde. Dit was een zaag was om takken mee te snoeien. Opgevouwen is deze zaag ongeveer 25 centimeter en uitgeklapt 50 centimeter. Aan de voorzijde zat een scherpe punt. [slachtoffer] zag dat verdachte de zaag uitvouwde en omhoog tilde en aan hem toonde. Op dat moment riep [medeverdachte 2] : ‘We maken het nog een keer af’.10

Verbalisant [verbalisant 1] ziet op de camerabeelden met 42 seconden dat dader 1 de hamer vast heeft en dat dader 2 een soort zaag in handen heeft. Deze zaag heeft een groen/blauw handvat en is inklapbaar. Met 43 seconden klapt dader 2 de zaag uit. Verbalisant [verbalisant 2] herkent dader 1 als medeverdachte [medeverdachte 2] en dader 2 als verdachte.11 Verdachte herkent zichzelf op de beelden.12

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangever [slachtoffer] heeft bedreigd met zware mishandeling door op korte afstand duidelijk zichtbaar een uitgeklapte zaag naar aangever [slachtoffer] te richten.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

ten aanzien van feit 1 meer subsidiair

hij op of omstreeks 3 augustus 2017 te Voorthuizen, althans in de gemeente Barneveld,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen

[slachtoffer] heeft mishandeld door hem met een ijzeren staaf/buis en/of een hamer,

althans met een of meerdere harde voorwerpen op/tegen het hoofd te slaan

en/of hem meermalen, althans eenmaal, op/tegen het gezicht en/of de borst,

althans op/tegen het lichaam, te slaan en/of te stompen;

2.

hij op of omstreeks 3 augustus 2017 te Voorthuizen, althans in de gemeente Barneveld,

[slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door op korte afstand van die [slachtoffer] een (opklapbare) zaag, althans een hard en/of scherp voorwerp, uit te klappen, althans duidelijk zichtbaar voor die

[slachtoffer] een zaag (vast) te houden en/of daarbij die [slachtoffer] dreigend de woorden

ik maak je af" toe te voegen, althans woorden van gelijke dreigende aard

en/of strekking.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 meer subsidiair:

Medeplegen van mishandeling.

Ten aanzien van feit 2:

Bedreiging met zware mishandeling.

5 De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7a. Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 meer subsidiair en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot het verrichten van een werkstraf voor de duur van 80 uren, te vervangen door 40 dagen hechtenis, en daarnaast tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 3 jaren.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat bij een strafoplegging kan worden volstaan met oplegging van een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 21 december 2017;

- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 1 november 2017.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van mishandeling en bedreiging. Hij heeft aangever in zijn chalet opgezocht en samen met zijn medeverdachte heeft hij hem meermalen tegen het gezicht en het lichaam geslagen en gestompt. Verder heeft verdachte aangever met een uitgeklapte zaag in zijn hand bedreigd met zware mishandeling. Dit zijn ernstige feiten. Verdachte heeft met zijn handelen een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever. Het feit heeft veel impact op hem gehad, zoals ook blijkt uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring.

Verdachte heeft geen relevante documentatie. Uit het reclasseringsrapport blijkt dat er geen problemen zijn op de verschillende leefgebieden. De kans op herhaling wordt ingeschat als laag. Geadviseerd wordt oplegging van een deels voorwaardelijke straf, waarbij geen bijzondere voorwaarden worden geadviseerd.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee ernstige feiten. Gelet op het recidiverisico dat door de reclassering als laag wordt ingeschat, ziet de rechtbank geen aanleiding om een voorwaardelijk strafdeel op te leggen. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf, gelijk aan de duur van het voorarrest, passend en geboden. Nu de rechtbank minder bewezen acht dan de officier van justitie, zal de rechtbank een lagere straf opleggen dan is geëist door de officier van justitie.

7b. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het tenlastegelegde feit. Gevorderd wordt een bedrag van

€ 25.830,- met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen tot een bedrag van € 1.945,-, met de wettelijke rente over de toe te wijzen schade vanaf 3 augustus 2017, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 29 dagen hechtenis. Voor het overige heeft de officier van justitie verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering, nu er geen rechtstreeks verband is tussen de tenlastegelegde feiten en de gevorderde schade. Subsidiair is de verdediging van mening dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu de vordering onvoldoende is onderbouwd.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat het gevorderde bedrag aan materiële schade tot een bedrag van € 445,- voor toewijzing vatbaar is, nu de gevorderde reiskosten en de betaling van de eigen bijdrage over 2017 voldoende zijn onderbouwd, in directe relatie staan tot het strafbare feit en niet gemotiveerd zijn betwist. De rechtbank merkt op dat zij de gevraagde vergoeding van de eigen bijdrage voor 2018 ter hoogte van € 385,- niet zal toewijzen, nu niet vaststaat dat de eigen bijdrage in 2018 wordt verbruikt.

Met betrekking tot het gevorderde bedrag van € 25.000,- wegens immateriële schade overweegt de rechtbank het volgende. Aan de benadeelde partij is door het bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks schade toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Als gevolg van de mishandeling heeft de benadeelde partij [slachtoffer] pijn en letsel opgelopen. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat het feit een grote impact op [slachtoffer] heeft gehad. Dit is mede aan verdachte toe te rekenen. Aan de wettelijke vereisten, waaronder die genoemd in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek is voldaan. Hoewel de rechtbank niets wil afdoen aan de gevolgen voor [slachtoffer] , is de rechtbank van oordeel dat het gevorderde bedrag aan immateriële schade slechts in zeer uitzonderlijke gevallen wordt toegewezen. Alsdan moet sprake zijn van forse psychische schade. Daarvan is echter naar het oordeel van de rechtbank in deze zaak geen sprake. Gelet op hetgeen in gelijksoortige zaken doorgaans wordt toegewezen, acht de rechtbank een bedrag van

€ 1.500,- toewijsbaar.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen tot een totaalbedrag van € 1.945,- schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering is tot dit bedrag voor toewijzing vatbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 augustus 2017.

De rechtbank zal bepalen dat verdachte hoofdelijk met zijn mededaders aansprakelijk is voor de vordering.

Ter meerdere zekerheid voor daadwerkelijke betaling aan de benadeelde partij, zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

De rechtbank acht termen aanwezig om een termijnbetaling te bepalen.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 24a, 36f, 47, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde;

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 17 (zeventien) dagen;

beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde straf in mindering zal worden gebracht.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer], ten bedrag van € 1.945,00 (negentienhonderdenvijfenveertig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 augustus 2017, tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Maatregel tot schadevergoeding

 legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 1.945,00 (negentienhonderdenvijfenveertig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 augustus 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 29 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast onder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

 verstaat dat indien en voor zover door de mededader het betreffende schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd;

 bepaalt dat de veroordeelde het hiervoor genoemde bedrag mag betalen in 24 maandelijkse termijnen van elk € 84,04.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.D. Jacobs (voorzitter), mr. C. van Linschoten en mr. J.H.D. van Onna, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M.J.A. Peters, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 februari 2018.

Mr. C. van Linschoten is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2017362028, gesloten op 6 augustus 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer] , p. 42; proces-verbaal van verhoor [slachtoffer] , p. 46-49; geneeskundige verklaring, p. 90; verklaring verdachte afgelegd ter terechtzitting van 6 februari 2018.

3 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer] , p. 47-49.

4 Proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte 2] , p. 72-73.

5 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 77-79.

6 Proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte 1] , p. 87.

7 Proces-verbaal van verhoor [naam] , p. 51.

8 Proces-verbaal van bevindingen, p. 62.

9 Proces-verbaal van bevindingen, p. 68, alsmede de waarneming van de rechtbank ter terechtzitting.

10 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer] , p. 46, 47 en 48.

11 Proces-verbaal van bevindingen, p. 68.

12 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 79.