Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:723

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
19-02-2018
Datum publicatie
19-02-2018
Zaaknummer
05/760055-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De militaire kamer te Arnhem heeft een 40-jarige man uit Vlaardingen veroordeeld voor schennis van de eerbaarheid op een plaats voor het openbaar verkeer bestemd, tot een werkstraf voor de duur van 30 uur subsidiair 15 dagen hechtenis.

De man, voormalig werknemer bij de koninklijke marechaussee, is inmiddels ontslagen bij Defensie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/760055-17

Datum uitspraak : 19 februari 2018

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige militaire kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1977 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , [woonplaats] .

raadsvrouw: mr. P.A. Ellenbroek, advocaat te Rotterdam.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 05 februari 2018.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 02 november 2016 te Vlaardingen de eerbaarheid heeft geschonden op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten het Broekpolderpad, door zich daar te bevinden met ontbloot onderlichaam en/of door trekkende bewegingen aan zijn, verdachtes, penis te maken;

2.

hij op meerdere tijdstippen althans op enig tijdstip in of omstreeks de periode van 1 september 2016 tot en met 18 september 2016 te Vlaardingen, (telkens) de eerbaarheid heeft geschonden op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten het Broekpolderpad, door zich daar te bevinden met ontbloot onderlichaam en/of door trekkende bewegingen aan zijn, verdachtes, penis te maken;

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Bewijsverweren.

Door de verdediging is bij aanvang van het onderzoek ter terechtzitting een preliminair verweer gevoerd strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie. Dit verweer is door de militaire kamer verworpen. De verdediging stelt zich op het standpunt dat nu de militaire kamer niet de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie accepteert er door dezelfde vormverzuimen zeker sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs.

Door de verdediging is, kort zakelijk weergegeven, het volgende daartoe aangevoerd.

De observatie d.m.v. het plaatsen van de camera is onrechtmatig geweest want het betreft een stelselmatige observatie waarvoor de officier van justitie een bevel had moeten afgeven. Het betreft bovendien een observatie van een persoon met behulp van een technisch hulpmiddel hetwelk per definitie ingrijpender is dan het waarnemen door en opsporingsambtenaar zelf. Onbegrijpelijk is waarom er op enig moment een tweede camera is opgehangen. Op dat moment moest immers al duidelijk zijn dat er een persoon op beeld stond van de eerste camera. Zeker toen was een bevel van de officier van justitie noodzakelijk geweest. In beide gevallen is er een camera geplaatst die niet voldeed aan het Besluit technische hulpmiddelen bijzondere opsporingsmethoden. Dit blijkt uit het feit dat datum en tijdstippen van screenshots niet overeenkomen met die in het dossier elders genoemd worden. Niet blijkt uit het dossier dat de heer [naam 1] als bijzonder opsporingsambtenaar voldeed aan bepaalde bekwaamheidseisen waardoor hij uitvoering mocht geven aan het bevel tot het opnemen van vertrouwelijke communicatie. Door dit alles is een belangrijk strafvorderlijk voorschrift in aanzienlijke mate geschonden en is het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort gedaan. Dit moet leiden tot bewijsuitsluiting en dientengevolge tot vrijspraak.

De militaire kamer overweegt als volgt.

Was sprake van stelselmatige observatie? Wanneer gekeken wordt naar de jurisprudentie en wat de wetgever heeft opgemerkt bij het opstellen van artikel 126g van het Wetboek van Strafvordering, dan is er, kort samengevat, sprake van stelselmatige observatie indien er een min of meer volledig beeld van iemands leven wordt verkregen. In de onderhavige zaak is daarvan niet gebleken aangezien op het moment van het plaatsen van de camera op 1 september 2016 niet duidelijk was om wie het ging en zeker nog niet dat het om deze verdachte ging. Er waren meldingen dat er een of meerdere potloodventer(s) actief was/waren in de polder en onbekend was wie de dader of daders waren. Vervolgens is er een camera in de openbare ruimte geplaatst om daarmee (een) mogelijke verdachte(n) te achterhalen. Aan de voorwaarde dat een min of meer volledig beeld van het leven van deze verdachte moet zijn verkregen is daarom niet voldaan. Uit het dossier blijkt dat eerst ruim na 2 november 2016 de persoon die op de beelden te zien is, herkend wordt als zijnde verdachte. Dat betekent dat ook ten tijde van het plaatsen van een camera op 2 november 2016 niet specifiek gericht was op deze verdachte en ook bij deze tweede observatie niet van stelselmatige observatie kan worden gesproken. Toestemming van de officier van justitie voor het plaatsen van deze camera was daarom niet nodig.

De stelling van de verdediging, zo begrijpt de militaire kamer hetgeen door de verdediging is aangevoerd, dat de (bijzonder) opsporingsambtenaar zelf had moeten observeren omdat dit minder ingrijpend zou zijn dan gebruik te maken van een technisch hulpmiddel, kan de militaire kamer niet volgen. Niet kan immers worden verwacht van een opsporingsambtenaar dat hij in dit soort gevallen 24/7 gaat posten. Bovendien is de stelling niet verder onderbouwd.

De opmerking van de verdediging dat uit het dossier niet blijkt dat de heer [naam 1] voldeed aan de bekwaamheidseisen om uitvoering de geven aan een bevel tot opnemen van vertrouwelijke communicatie behoeft geen bespreking omdat er geen sprake was van zo een bevel. opnamen,

Voor wat betreft het niet naleven van het besluit technische hulpmiddelen is de militaire kamer van oordeel dat dit verweer geen verdere behandeling behoeft nu er ter zitting een plausibele verklaring is gegeven voor de tijdsverschillen en het verweer voor het overige onvoldoende is onderbouwd.

Ten aanzien van feit 1:

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 2 november 2016 wordt te Vlaardingen op een plaats voor het openbaar verkeer bestemd, te weten het Broekpolderpad, een persoon gezien die aldaar de eerbaarheid heeft geschonden door zich daar te bevinden met ontbloot onderlichaam en door trekkende bewegingen aan zijn penis te maken.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan schennis van de eerbaarheid op een plaats voor het openbaar verkeer bestemd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit en aangevoerd dat met de verklaring van verdachte, dat hij wel eens gemasturbeerd heeft in de buitenlucht op beschutte plekken waar hij nimmer gezien is door derden en niet gezien kon worden, niet tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde kan worden gekomen. Bovendien had verdachte niet de opzet dat derden hem zouden zien. Weliswaar bekent verdachte regelmatig in de Broekpolder te zijn geweest maar hij ontkent op 2 november 2016 door aangeefster te zijn gezien.

Beoordeling door de militaire kamer

Anders dan de verdediging is de militaire kamer van oordeel dat aangeefster [slachtoffer] op 2 november 2016 plotseling werd geconfronteerd met deze verdachte en niet, zoals verdachte verklaart, met een willekeurig ander persoon.

Verdachte erkent de persoon te zijn die te zien is op de 16 foto’s zoals opgenomen in het proces-verbaal (pag. 020 t/m 36). Deze foto’s zijn gemaakt op 2 november 2016.3

Aangeefster verklaart dat zij op 2 november 2016 om 14.00 uur een afspraak had bij [naam 2] , de hockeyclub. Aangeefster ziet rond 13:50 uur, wanneer zij aan komt fietsen, een man stil achter een bankje staan. Toen zij dichterbij was, kwam de man naar haar toegelopen waardoor aangeefster heel hard is gaan fietsen. Het viel aangeefster op dat de man geen kleding aan had aan de onderkant van zijn lichaam en dat hij zijn shirt over zijn hoofd had gedaan en verder helemaal naakt was. De kleur van het t- shirt was bruin of wit, maar het kan ook wit van zijn lichaam zijn want zijn lichaam was echt heel wit. Hij had een normaal postuur, niet gespierd. Aangeefster schat de man tussen de 20 en 40 jaar oud. Eén hand hing naast zijn lichaam en met zijn andere hand had hij zijn piemel vast. Aangeefster heeft zijn piemel gezien en er kwam sperma uit.4

Uit een proces-verbaal van bevindingen blijkt dat op 2 november 2016 omstreeks 13:53 uur een onbekend gebleven melder met een mobiel telefoonnummer melding van een zogenaamde potloodventer maakte. Wanneer de verbalisant telefonisch contact opneemt met voornoemd mobiel telefoonnummer dan blijkt de melder aangeefster [slachtoffer] te zijn.5

Op 2 november 2016 had verdachte verlof c.q. was hij roostervrij.6

De hiervoor bedoelde 16 foto’s zijn, wanneer gekeken wordt naar de daarop vermelde datum en tijd, allen gemaakt op 2 november 2016 van 14:32:18 uur tot 14:46:42 uur. De militaire kamer stelt vast dat op de foto, zoals weergegeven op pagina 29 een manspersoon te zien is die met zijn linkerhand zijn penis vasthoudt.7

De camera die voornoemde opnames heeft gemaakt heeft gehangen op de locatie Broekpolderpad in de Broekpolder. Voorts blijkt uit dit proces-verbaal dat de tijdsaanduiding van de camera op zomertijd stond en dus de tijdsaanduiding, nu 2 november 2016 buiten de zomertijd valt, met één uur verminderd moet worden.8 Dit houdt in dat de werkelijke tijdsaanduiding van voornoemde 16 foto’s moet zijn van 13:32:18 uur tot 13:46:42 uur.

Aangeefster [slachtoffer] fietste, zoals zij verklaart, op 2 november 2016 rond 13.50 uur over het Broekpolderpad. Omstreeks 13:53 neemt zij telefonisch contact op met de politie en maakt melding van het zien van een potloodventer. Weliswaar zit er enig tijdsverschil tussen het zien door [slachtoffer] van de betreffende persoon, rond 13:50 uur en de laatst gemaakte foto waarop verdachte te zien is, 13:46:42 uur, maar het gegeven signalement van aangeefster, een man met een bruin t-shirt, normaal postuur, niet gespierd en in de leeftijd van 20 tot 40 jaar, komt op al deze punten overeen met de persoon die te zien is op de 16 foto’s. Dit maakt dan ook dat de militaire kamer het hoogst onwaarschijnlijk acht dat, zoals verdachte stelt, er in de tijd gelegen tussen de laatste fotografische opname van verdachte, 13:46:42 uur en de confrontatie van aangeefster met die persoon, 13:50:00 uur, een ander persoon binnen een tijdsspanne van 3 minuten en 18 seconden, de plaats van verdachte heeft ingenomen. Op de laatste foto, 13:46:42 uur is verdachte te zien, gekleed in een bruin t-shirt en zwarte broek. De militaire kamer komt tot de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat in de tijd gelegen tussen 13:46:42 uur en het moment dat aangeefster geconfronteerd wordt met verdachte, verdachte zijn onderkleding heeft uitgedaan en, zoals aangeefster verklaart, eerst achter het bankje stilstond in het zicht van aangeefster en vervolgens naar haar is toegelopen. Wanneer er op deze wijze met ontbloot onderlichaam toegelopen wordt op een willekeurig persoon dan is er, anders dan verdachte stelt, naar het oordeel van de militaire kamer, sprake van opzet.

Op grond van het voorgaande acht de militaire kamer feit 1 bewezen.

Ten aanzien van feit 2:

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat feit 2 niet wettig en overtuigend bewezen kan worden en heeft gerekwireerd tot vrijspraak.

Het standpunt van de verdediging

Ook de verdediging heeft voor wat betreft feit 2 vrijspraak bepleit.

Beoordeling door de militaire kamer

De militaire kamer heeft op grond van het onderzoek ter terechtzitting en de wettige bewijsmiddelen niet de overtuiging gekregen dat verdachte feit 2 heeft gepleegd zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de militaire kamer is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op of omstreeks 02 november 2016 te Vlaardingen de eerbaarheid heeft geschonden op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten het Broekpolderpad, door zich daar te bevinden met ontbloot onderlichaam en/of door trekkende bewegingen aan zijn, verdachtes, penis te maken;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Schennis van de eerbaarheid op een plaats voor het openbaar verkeer bestemd.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 30 uur subsidiair 15 dagen hechtenis onvoorwaardelijk.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat bij het opleggen van een straf rekening moet worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Hij is inmiddels zijn baan kwijt, heeft zelf hulp gezocht en heeft als gevolg van het feit veel stress ervaren. De verdediging pleit daarom voor een schuldigverklaring zonder oplegging van straf.

Beoordeling door de rechtbank

De militaire kamer heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 28 december 2017;

- een voorlichtingsrapportage van de Reclassering Nederland, gedateerd 29 januari 2018;

De militaire kamer overweegt als volgt.

Op 2 november 2016 wordt de aangeefster [slachtoffer] , toen net 18 jaar oud, plotseling geconfronteerd met een nagenoeg geheel ontklede man. Niet alleen ziet zij deze man, maar deze komt ook nog haar richting opgelopen. Aangeefster stond eerst heel stil, was bang omdat zij niet wist wat die man ging doen, of hij een mes of pistool had. Vervolgens is zij huilend hard doorgefietst en heeft zij ondertussen haar moeder gebeld.

Om zich te ontladen van de stress en problemen thuis masturbeerde verdachte wanneer hij buiten was. Verdachte heeft verklaard dat hij er alles aan deed om niet gezien te worden. Uit de bewijsmiddelen zoals hiervoor opgesomd blijkt echter dat die verklaring van verdachte niet kan kloppen en heeft het ontstressen zich niet alleen beperkt tot het in de buitenlucht masturberen maar is dit ook in het volle zicht van anderen gedaan die daarmee de schrik van hun leven hebben gekregen.

Juist verdachte, ten tijde van het feit werkzaam als opsporingsambtenaar bij de Koninklijke Marechaussee, weet hoe angstig zijn handelen voor niets vermoedende voorbijgangers, vooral jonge meisjes, moet zijn geweest. De militaire kamer rekent dit verdachte zwaar aan.

De officier van justitie eist een onvoorwaardelijke werkstraf voor de duur van 30 uur en heeft daarbij rekening gehouden met verdachte zijn persoonlijke omstandigheden en dan met name de omstandigheid dat verdachte uit eigen beweging hulp heeft gezocht.

De verdediging bepleit, vanwege diezelfde persoonlijke omstandigheden, een schuldig verklaring zonder oplegging van straf.

De militaire kamer is van oordeel dat een schuldigverklaring zonder oplegging van straf geen recht doet aan de ernst van het feit. Strafoplegging is ook vergelding en de militaire kamer is, ondanks de aangevoerde persoonlijke omstandigheden van verdachte, van oordeel dat een straf, zoals geëist door de officier van justitie, passend en geboden is.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 22c, 22d en 239 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De militaire kamer:

 Spreekt verdachte vrij van het onder 2 ten laste gelegde feit.

 verklaart bewezen dat verdachte het overige ten laste gelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een werkstraf gedurende 30 (dertig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 15 (vijftien) dagen;

Dit vonnis is gewezen door mr. P.C. Quak, voorzitter, mr. J.B.J. Driessen, rechter en kolonel mr. H.C.M. Snellen, militair lid, in tegenwoordigheid van R. van Dijk, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 februari 2018, zijnde mr. Quak buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door een verbalisant van de Koninklijke Marechaussee, kabinet / cluster Integriteit, sectie Interne Onderzoeken, opgemaakte proces-verbaal, mutatienummer PL27AZ/16-000303, gesloten op 10 mei 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Een proces-verbaal van aangifte, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] (pag. 61 e.v.); schriftelijke bescheiden, te weten 16 foto’s (pag. 020 e.v.);

3 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 5 februari 2018.

4 Een proces-verbaal van aangifte, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] (pag. 62);

5 Een proces-verbaal van bevindingen (pag. 12);

6 Een proces-verbaal van bevindingen (pag. 41);

7 Schriftelijke bescheiden, te weten 16 foto’s (pag. 20 e.v.);

8 Een proces-verbaal van bevindingen (nagezonden);