Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:722

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
19-02-2018
Datum publicatie
19-02-2018
Zaaknummer
05/840581-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In een langere periode meermalen mishandeling van zijn levensgezel. Meerdere vernielingen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/840581-17

Datum uitspraak : 19 februari 2018

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1988 te [geboorteplaats] , wonende te [adres 1] ,

raadsvrouw: mr. I. Nagelmaker, advocaat te Apeldoorn.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 5 december 2017 en 5 februari 2018.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegewezen vordering wijziging tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juli 2015 tot en met 30 september 2015, Bussloo, althans in de gemeente Voorst, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [adres 1] opzettelijk van het leven te beroven, met voormeld opzet het hoofd van die [adres 1] meermalen, althans eenmaal, onder water heeft geduwd/gedrukt en/of onder water geduwd/gedrukt heeft gehouden, en/of (daarbij) die [adres 1] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) in/op/tegen het gezicht/hoofd heeft geslagen en/of gestompt en/of (daarbij) die [adres 1] (met kracht) een zogenoemde kopstoot heeft gegeven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2015 tot en met 31 juli 2015, in elk geval in de periode van 1 juli 2015 tot en met 31 augustus 2015 te Bussloo, althans in de gemeente Voorst, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [adres 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met voormeld opzet het hoofd van die [adres 1] meermalen, althans eenmaal, onder water heeft geduwd/gedrukt en/of onder water geduwd/gedrukt gehouden (daarbij) en/of (met kracht) die [adres 1] in/op/tegen het gezicht/hoofd heeft geslagen en/of gestompt en/of (daarbij) (met kracht) die [adres 1] een zogenoemde kopstoot heeft gegeven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 subsidiair niet tot een veroordeling leidt:

hij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juli 2015 tot en met 30 september 2015 te Bussloo, althans in de gemeente Voorst, zijn levensgezel, [adres 1] , heeft mishandeld door haar meermalen, althans eenmaal, onder water te duwen/drukken en/of onder water geduwd/gedrukt te houden en/of (daarbij) (met kracht) meermalen, althans, eenmaal in/op/tegen het gezicht/hoofd te slaan en/of te stompen en/of (daarbij) (met kracht) een zogenoemde kopstoot te geven;

2.

hij op of omstreeks 18 april 2017, in elk geval in de periode van 1 april 2017 tot en met 30 april 2017, te Apeldoorn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [adres 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met voormeld opzet die [adres 1] met een keukentrap, althans met een hard voorwerp, op/tegen het hoofd heeft geslagen, en/of/althans een keukentrap tegen/op het hoofd van die [adres 1] heeft gegooid, en/of geduwd en/of gedrukt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 18 april 2017, in elk geval in de periode van 1 april 2017 tot en met 30 april 2017, te Apeldoorn zijn levensgezel, [adres 1] , heeft mishandeld door haar met een keukentrap, althans met een hard voorwerp, op/tegen het hoofd te slaan en/of/althans een keukentrap tegen/op het hoofd te gooien en/of te duwen en/of te drukken;

3.

hij op of omstreeks 17 mei 2017 te Apeldoorn zijn levensgezel, [adres 1] , heeft mishandeld door haar met een houten beeld, althans met een hard voorwerp, op/tegen een arm te slaan;

4.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 maart 2015 tot

en met 16 mei 2017 te Apeldoorn zijn levensgezel, [adres 1] , heeft mishandeld door haar

- meermalen, althans eenmaal, op/tegen een/de be(e)n(en), althans op/tegen het lichaam, te trappen en/of te schoppen en/of

- een kopstoot in/op/tegen het gezicht te geven en/of - meermalen, althans eenmaal, met een stofzuigerstang en/of een asbak en/of

een vaas, althans met een hard voorwerp, op/tegen het lichaam te slaan en/of

te stompen en/of

- een warme krultang op/tegen een arm te drukken (waarbij die [adres 1] een brandwond en/of een blijvend litteken heeft opgelopen);

5.

Hij op een of meer tijdstippen op of omstreeks 17 mei 2017 te Apeldoorn (telkens) opzettelijk en wederrechtelijk een (aantal) autoband(en) en/of een (aantal) ra(a)m(en) (van een woning gelegen aan de [adres 2] ), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [adres 1] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt, en/of weggemaakt.

2a. Vrijspraak

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat het onder feit 3 tenlastegelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Uit het dossier kan niet worden afgeleid op welk moment het letsel bij [adres 1] is ontstaan en of het letsel door verdachte is toegebracht. Verder bevindt zich in het dossier enkel de aangifte van [adres 1] en dat is onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen. Om die reden zal verdachte van het onder 3 tenlastegelegde feit worden vrijgesproken.

2b. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

[adres 1] (hierna: aangeefster), en verdachte hadden op het moment van aangifte op 18 mei 2017 drie jaar een relatie;, zij woonden toen anderhalf jaar samen.2

Op 17 mei 2017 woonde aangeefster en haar dochter aan de [adres 2] te Apeldoorn. 3

Feit 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het subsidiair tenlastegelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte enkel ten aanzien van het meer subsidiair tenlastegelegde feit kan worden veroordeeld. Verdachte wenste de dood van aangeefster niet. Aangeefster is gezien met een blauw oog. Aangeefster en verdachte waren allebei vervelend naar elkaar. Al met al is er alleen sprake van een mishandeling.

Beoordeling door de rechtbank

Bij de politie heeft aangeefster verklaard dat zij in de zomer van 2015 met verdachte naar Bussloo ging. Verdachte huurde toen een bootje/waterfiets. Aangeefster vertelde tegen verdachte dat de hond dood was. Verdachte ontplofte omdat aangeefster dat niet eerder had verteld en draaide helemaal door. Verdachte sprong op het luchtbed waarop aangeefster lag en aangeefster viel toen in het water. Verdachte begon aangeefster onder water te drukken. Verdachte drukte aangeefster steeds weer onder water waardoor aangeefster snakte naar lucht. De laatste keer dat aangeefster boven water kwam, gaf verdachte haar een harde kopstoot op haar linkeroog. Haar oog werd extreem dik. Verdachte stopte en ging met de auto weg.4

De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij in de zomer 2015 met [getuige 2] op Bussloo was. Op een gegeven moment zag [getuige 1] de moeder van [naam] (aangeefster in deze zaak) op een luchtbed op het water drijven. [getuige 1] hoorde geschreeuw. De man op de waterfiets fietste naar de vrouw toe. De man trok haar van het luchtbed en gaf haar een paar stompen in haar gezicht. De man lag inmiddels ook in het water en duwde de vrouw onder water. Af en toe liet hij de vrouw boven water komen. De vrouw schreeuwde dat hij haar ging verdrinken. De man hield haar vervolgens weer onder water en [getuige 1] zag dat hij haar weer een paar stompen in haar gezicht gaf. Toen de vrouw uit het water kwam zag [getuige 1] dat één oog en rondom het oog van de vrouw opgezwollen en blauw-paars was.5

De getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij in de zomer van 2015 samen met [getuige 1] op Bussloo was. Hij zag een man met een waterfiets en daarbij een vrouw op een luchtbed op het water. Hij hoorde een hoop geschreeuw. Hij zag een man van de waterfiets op het luchtbed liggen met de vrouw. [getuige 2] hoorde de man schelden. Hij zag dat de man en de vrouw door een worsteling in het water terecht kwamen. De man duwde de vrouw onder water. De vrouw spartelde met haar armen en probeerde los te komen. Daarna zag [getuige 2] dat de man, de vrouw een aantal vuistslagen op haar hoofd gaf. Op het strand zag [getuige 2] de vrouw lopen en zag dat zij een blauw oog had.6

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuig bewezen dat verdachte, aangeefster meermalen onder water heeft geduwd en onder water heeft gehouden en meermalen tegen het gezicht heeft geslagen en een kopstoot heeft gegeven. De vraag is hoe dat handelen gekwalificeerd dient te worden. Niet kan worden vastgesteld dat verdachte opzet heeft gehad op de dood of zwaar lichamelijk letsel van aangeefster. Integendeel, uit de verklaring van [getuige 1] leidt de rechtbank af dat verdachte aangeefster af en toe boven water liet komen. Dit past niet bij het willen doden van aangeefster. Dan is de vraag of verdachte de kans op de koop toe heeft genomen dat aangeefster door zijn handelen zou komen te overlijden of zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. In dat geval moet worden bewezen dat de kans op de dood of op zwaar lichamelijk letsel naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk was. Dan moet wel bekend zijn hoe lang iemand onder water is gehouden. Het onder water duwen of houden van een persoon levert immers niet per definitie een aanmerkelijke kans op de dood of op zwaar lichamelijk letsel op, ook niet indien aangeefster zoals zij heeft verklaard naar lucht te moeten snakken. Daarvoor is meer informatie nodig. Die informatie ontbreekt hier. De rechtbank vindt daarom dat het handelen van verdachte niet kan worden gekwalificeerd als poging tot doodslag of poging tot zware mishandeling. Verdachte zal van het primair en het subsidiair tenlastegelegde worden vrijgesproken.

Wel leveren de voorgaande handelingen een mishandeling op. Ook de handelingen ‘het onder water duwen en het onder water houden’ vallen onder mishandeling. De Hoge Raad (HR 11 februari 1929) heeft uitgemaakt dat onder ‘pijn’ als bestanddeel van mishandeling dient te worden verstaan iedere op het lichaam betrokken min of meer hevige onaangename gewaarwording. In datzelfde arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat iemand in het kanaal duwen hieronder kan vallen. In casu heeft verdachte, aangeefster onder water geduwd en onder water gehouden. Dat dit een onaangename gewaarwording voor aangeefster heeft opgeleverd, behoeft naar oordeel van de rechtbank geen nader betoog; dat is een feit van algemene bekendheid.

Feit 2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan subsidiair tenlastegelegde.

Het standpunt van de verdediging

Door de raadsvrouw van verdachte is naar voren gebracht dat verdachte niet de bedoeling heeft gehad om bij aangeefster letsel te veroorzaken. Hij heeft tegen de keukentrap geschopt om op die manier zijn agressie kwijt te kunnen en die keukentrap is toen tegen aangeefster aan gevallen..

Beoordeling door de rechtbank

Aangeefster heeft bij de politie verklaard zij dat op 18 april 2017 te Apeldoorn een gigantische bloeduitstorting op haar oog had.7 Bij de rechter-commissaris heeft aangeefster verklaard dat verdachte met een dichtgeklapte keukentrap naar haar toe kwam. Vervolgens kwam hij met de trap tegen haar oog aan. Hij duwde de trap tegen haar gezicht. Aangeefster had hierdoor een blauw oog.8

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij tegen de keukentrap heeft getrapt.

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de keukentrap door opzettelijk handelen van verdachte tegen aangeefster aan is gekomen waardoor bij aangeefster letsel is ontstaan. Ondanks dat verdachte heeft verklaard dat hij tegen de keukentrap heeft getrapt, gaat de rechtbank uit van de lezing van aangeefster dat verdachte de keukentrap tegen aangeefster heeft geduwd waardoor de keukentrap tegen haar oog is gekomen. De rechtbank ziet namelijk geen aanleiding om aan de verklaring van aangeefster te twijfelen.

Naar oordeel van de rechtbank wordt dit handelen van verdachte niet gekwalificeerd als een poging tot zware mishandeling maar als een mishandeling. Verdachte zal dan ook van het primair tenlastegelegde feit worden vrijgesproken.

Feit 4

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan tenlastegelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit niet concreet is. Aangeefster heeft zich wel eens verbrand met de krultang. Beiden hebben zij wel eens aan elkaar getrokken, maar niet de intentie gehad om letsel te veroorzaken. Verdachte heeft ook wel eens letsel gehad. De boosheid en agressie kwam van beiden kanten en daar moet rekening mee worden gehouden.

Beoordeling door de rechtbank

Aangeefster heeft bij de politie verklaard dat zij ergens in februari 2017 haar haren aan het krullen was met een krultang. Aangeefster kreeg toen om iets kleins ruzie met verdachte. Verdachte pakte toen de krultang af en brandde toen haar rechterbovenarm. Dat deed toen enorm pijn en aangeefster heeft daar een litteken aan overgehouden. Vanaf februari 2017 tot 17 mei 2017 werd aangeefster dagelijks door verdachte mishandeld. Als verdachte zich betrapt voelde, werd aangeefster door verdachte geschopt.9

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat het geweld dat tussen aangeefster en hem is voorgevallen uit duwen en trekken bestond. Ook heeft hij aangeefster wel eens geschopt. Aangeefster heeft wel eens blauwe plekken gehad. Ook is er iets met de krultang gebeurd waardoor er bij aangeefster een brandwond is ontstaan. Aangeefster en verdachte waren aan het bekvechten en verdachte trok aan de krultang10

Gelet op het voorgaande in samenhang bezien is de rechtbank van oordeel dat de tenlastegelegde handelingen wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Met uitzondering van de kopstoot en de stofzuigerslang en het slaan met andere voorwerpen, daarvan zal verdachte partieel worden vrijgesproken.

Feit 5

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [adres 1] , p. 70 e.v.;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 5 februari 2018.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 meer subsidiair, feit 2 subsidiair, feit 4 en feit 5 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juli 2015 tot en met 30 september 2015 te Bussloo, althans in de gemeente Voorst, zijn levensgezel, [adres 1] , heeft mishandeld door haar meermalen, althans eenmaal, onder water te duwen/drukken en/of onder water geduwd/gedrukt te houden en/of (daarbij) (met kracht) meermalen, althans, eenmaal in/op/tegen het gezicht/hoofd te slaan en/of te stompen en/of (daarbij) (met kracht) een zogenoemde kopstoot te geven;

2.

hij op of omstreeks 18 april 2017, in elk geval in de periode van 1 april 2017 tot en met 30 april 2017, te Apeldoorn zijn levensgezel, [adres 1] , heeft mishandeld door haar met een keukentrap, althans met een hard voorwerp, op/tegen het hoofd te slaan en/of/althans een keukentrap tegen/op het hoofd te gooien en/of te duwen en/of te drukken;

4.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 maart 2015 tot

en met 16 mei 2017 te Apeldoorn zijn levensgezel, [adres 1] , heeft mishandeld door haar

- meermalen, althans eenmaal, op/tegen een/de be(e)n(en), althans op/tegen het lichaam, te trappen en/of te schoppen en/of

- een kopstoot in/op/tegen het gezicht te geven en/of

- meermalen, althans eenmaal, met een stofzuigerstang en/of een asbak en/of

een vaas, althans met een hard voorwerp, op/tegen het lichaam te slaan en/of

te stompen en/of

- een warme krultang op/tegen een arm te drukken (waarbij die [adres 1] een brandwond en/of een blijvend litteken heeft opgelopen);

5.

Hij op een of meer tijdstippen op of omstreeks 17 mei 2017 te Apeldoorn (telkens) opzettelijk en wederrechtelijk een (aantal) autoband(en) en/of een (aantal) ra(a)m(en) (van een woning gelegen aan de [adres 2] ), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [adres 1] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt, en/of weggemaakt.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 meer subsidiair:

Mishandeling begaan tegen zijn levensgezel

Ten aanzien van feit 2 subsidiair:

Mishandeling begaan tegen zijn levensgezel

Ten aanzien van feit 4:

Mishandeling begaan tegen zijn levensgezel, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 5:

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, meermalen gepleegd

5 De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, waarvan 70 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Voorts dient rekening te worden gehouden met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat een straf conform het voorarrest voldoende is. Mocht er nog een straf als stok achter de duur worden opgelegd, dan verzoekt zij om een werkstraf op te leggen in plaats van een gevangenisstraf.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 8 november 2017;

- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 21 augustus 2017.

Verdachte heeft zich in een langere periode meermalen schuldige gemaakt aan mishandeling van zijn levensgezel. Verdachte heeft daarbij ernstig inbreuk gemaakt op haar lichamelijke en geestelijke integriteit. Daarbij is strafverzwarend dat dit plaats vond in de woning van aangeefster, waar ook de dochter van aangeefster verbleef. Zij heeft een deel van dit geweld ook gezien. Dit rekent de rechtbank verdachte aan. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan vernieling van de autobanden van de auto van aangeefster en van ruiten van haar woning . Het handelen van verdachte getuigt van weinig respect voor de eigendom van anderen, daarnaast heeft hij aangeefster daarmede overlast bezorgd.

Blijkens de justitiële documentatie van verdachte van 8 november 2017 is verdachte niet eerder voor dergelijke feiten veroordeeld.

Verdachte heeft ter zitting aangegeven dat hij geen contact met de reclassering wenst. Hij heeft inmiddels zelf - zonder hulp van de reclassering - een woning gevonden en een baan.

Gelet op de ernst en de hoeveelheid feiten acht de rechtbank een gevangenisstraf op zijn plaats. De rechtbank is van oordeel dat een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf, dan die verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, niet op zijn plaats is. Verdachte krijgt zo de mogelijkheid om de ingeslagen positieve weg voort te zetten. Wel acht zij een voorwaardelijke gevangenisstraf passend, als stok achter de deur, met een proeftijd van drie jaar. Daarbij heeft de rechtbank, gelet op de eerdere veroordeling van verdachte, rekening gehouden met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

7a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [adres 1] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van de bewezenverklaarde feiten. Gevorderd wordt een bedrag van € 1.093,32 aan materiële schade en een bedrag van € 3.250,00 aan immateriële schade. Het totale bedrag bedraagt € 4.343,32.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat de materiële schadeposten, die zien op het taxivervoer naar het politiebureau, € 21,97, en de reparatiekosten ten aanzien van de drie vernielde autobanden, € 269,55, voor een totaalbedrag van € 291,55 kunnen worden toegewezen. De overige materiële schadeposten dienen niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu deze schadeposten zien op het onder feit drie tenlastegelegd waar verdachte voor dient te worden vrijgesproken. De immateriële schade dient te worden gematigd tot een bedrag van € 1.200,00 en voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte is van mening dat de schade die verband houdt met het ontstane letsel niet kan worden toegewezen omdat het letsel niet door verdachte is veroorzaakt. Ten aanzien van de taxikosten heeft de benadeelde partij de plicht om de schade te beperken. Voor het overige verzoekt de raadsvrouw van verdachte de vordering van de benadeelde partij te matigen.

Beoordeling door de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De materiële schadeposten die zien op het taxivervoer naar het politiebureau, € 21,97, en de reparatiekosten ten aanzien van de drie vernielde autobanden, € 269,55, voor een totaalbedrag van € 291,55 kunnen worden toegewezen. Voor wat betreft de overige materiële schadeposten is niet gebleken dat verdachte deze schade heeft veroorzaakt. Om die reden wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in dit deel van de vordering.

Ten aanzien van de immateriële schade zal de rechtbank gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid en het bedrag schatten op bedrag van € 750,00 euro. Voor het overige deel van de immateriële schade zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard.

Daarbij merkt de rechtbank nog op dat het gevorderde bedrag ten aanzien van feit 1 aan immateriële schade zich moeilijk verhoudt tot het jaar na het voorval waarin de relatie nog goed is geweest, aldus aangeefster.

Van de vordering van de benadeelde partij dient een totaalbedrag van € 1.041,55 te worden toegewezen.

De gevorderde en toegewezen rente/vergoeding voor proceskosten, zijn daar niet bij inbegrepen.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 17 mei 2017.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 36f, 57, 300, 304 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van het onder 1, primair en subsidiair, onder 2 primair en onder 3 tenlastegelegde feit.

 verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

 een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

 bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde(n) voor het einde van de proeftijd die op drie jaren wordt bepaald;

 dat de veroordeelde zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [adres 1] .

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [adres 1], van een bedrag van € 1.041,55 (duizend eenenveertig euro en vijfenvijftig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 mei 2017 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [adres 1] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

  • -

    verstaat dat indien en voor zover door de mededader en/of mededaders het betreffende schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [adres 1] , een bedrag te betalen van € 1.041,55 (duizend eenenveertig euro en vijfenvijftig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 mei 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 20 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.P. Bakker (voorzitter), mr. C. Kleinrensink en mr. S.C.A.M. Janssen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Verhagen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 februari 2018.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Oost Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, basisteam Apeldoorn, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600 2017 2017223039, gesloten op 14 juni 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Het proces-verbaal van aangifte van [adres 1] , p. 71.

3 Het proces-verbaal van aangifte van [adres 1] , p. 72.

4 Het proces-verbaal van aangifte van [adres 1] , p. 72.

5 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 134 en 135.

6 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 132.

7 Het proces-verbaal van aangifte van [adres 1] , p. 73, zevende alinea.

8 Het proces-verbaal getuigenverhoor kabinet rechter-commissaris van [adres 1] op 17 januari 2018,
p. 3 onderaan en p. 4 bovenaan.

9 Het proces-verbaal van aangifte van [adres 1] , p. 73.

10 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 5 februari 2018.