Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:709

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
16-02-2018
Datum publicatie
16-02-2018
Zaaknummer
05/860757-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Man wordt wegens aanranding en mishandeling van twee vrouwen tijdens de zomerfeesten 2016 in Nijmegen veroordeeld tot een werkstraf van 180 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/860757-16

Datum uitspraak : 16 februari 2018

Verstek

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] , wonende te [adres]

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 februari 2018.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 19 juli 2016 te Nijmegen, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten het onverhoeds duwen/drukken/brengen van zijn, verdachtes, hand tussen de benen en/of in het kruis [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het onverhoeds aanraken en/of betasten en/of bevoelen van de vagina, althans de schaamstreek;

2.

Primair

hij op of omstreeks 19 juli 2016 te Nijmegen aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten gebroken neus, heeft toegebracht door voornoemde [slachtoffer 1] krachtig met zijn, verdachtes, vuist in/tegen het gezicht te slaan en/of te stompen;

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling leidt:

Subsidiair

hij op of omstreeks 19 juli 2016 te Nijmegen [slachtoffer 1] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 1] krachtig met zijn, verdachtes, vuist in/tegen het gezicht te slaan en/of te stompen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten gebroken neus ten

gevolge heeft gehad;

3.

hij op of omstreeks 19 juli 2016 te Nijmegen, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten het onverhoeds aan/bij de kleding vastpakken en/of (vervolgens) krachtig de kleding uit- en/of stuktrekken [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het onverhoeds ontbloten van haar borsten;

4.

hij op of omstreeks 19 juli 2016 te Nijmegen [slachtoffer 2] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 2] krachtig één of meermalen op/tegen dier gezicht te slaan en/of te stompen en/of (vervolgens) krachtig aan dier haren te trekken.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Vrijspraak poging tot zware mishandeling (feit 2 primair)

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot het toebrengen van het zwaar lichamelijk letsel, nu het opzet daarop niet is komen vast te staan. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van dit feit.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt dat de feiten bewezen kunnen worden. Van feit 2 vindt de officier van justitie dat de subsidiair tenlastegelegde mishandeling bewezen kan worden en dat [slachtoffer 2] hieraan zwaar lichamelijk letsel heeft overgehouden. De officier heeft hiertoe aangevoerd dat:

  • -

    het slachtoffer een ingreep – het rechtzetten van de neus – heeft moeten ondergaan,

  • -

    de pijn en de klachten van [slachtoffer 1] lang hebben aangehouden,

  • -

    zij drie weken niet heeft kunnen werken en het herstel van de gebroken neus traag is verlopen.

Beoordeling door de rechtbank

Uit het dossier zijn de volgende verklaringen – zakelijk weergegeven - van belang.

Aangifte [slachtoffer 1] (feiten 1 en 2)

In de nacht van maandag 18 juli 2016 op dinsdag 19 juli 2016 tijdens de zomerfeesten liepen

[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] vanaf het Keizer Karel plein in de richting van het station op de Van Schaeck Mathonsingel (de rechtbank begrijpt: in Nijmegen). Op dat moment kwam er een man in de richting van [slachtoffer 1] gelopen. Deze man pakte [slachtoffer 1] in het voorbijgaan in haar kruis. Zij voelde de hand van de man tussen haar benen. Zij voelde dat hij in haar vagina kneep. [slachtoffer 1] zei daarop tegen de man: “waarom raak je me aan, dat vind ik niet fijn”. De man liep terug in haar richting en stak zijn twee handen vooruit ter hoogte van haar borsten. Hij greep met zijn rechterhand richting de borst van [slachtoffer 1] . Zij sloeg daarop zijn handen weg. Op dat moment sloeg de man haar met gebalde vuist in haar gezicht. Hij raakte haar vol op haar neus. [slachtoffer 1] voelde daardoor veel pijn. Zij voelde bovendien dat haar neus scheef stond.2

[slachtoffer 1] zag ook dat het truitje van [slachtoffer 2] kapot was en dat de man haar strapless BH naar beneden trok. Zij zag dat de voorkant van het haar van [slachtoffer 2] korter was en dat zij onder de krassen zat in haar hals en op haar borst.3

Op 22 juli 2016 – 3 dagen na het feit – werd geconstateerd dat de neus van [slachtoffer 1] gebroken was.4

Aangifte [slachtoffer 2] (feiten 3 en 4)

[slachtoffer 2] zag uit de tegenovergestelde richting een man op hen komen aflopen. Vanuit het niets pakte deze man [slachtoffer 1] vol in haar kruis, met zijn linkerhand, vanaf de voorzijde. [slachtoffer 1] duwde hem tegen de schouder om hem bij haar vandaan te duwen. De man greep toen naar haar borst. [slachtoffer 1] duwde hem weer weg. Vanuit het niets haalde de man uit en sloeg haar vol op haar neus met de vuist. [slachtoffer 2] rende daarop achter de man aan. De man draaide zich toen om en pakte [slachtoffer 2] bij haar trui vast. Hij trok die trui helemaal kapot. Hij greep haar toen in haar hoge kuif en trok hard aan haar haar. De man trok zo een pluk haar uit haar hoofd. Dit deed [slachtoffer 2] zeer. Vervolgens trok de man de BH van [slachtoffer 2] naar beneden waardoor zij in haar blote borsten stond op de Van Schaeck Mathonsingel, een openbare plaats. Hij pakte haar vervolgens met zijn linkerhand weer bij haar trui beet. Met de andere hand sloeg de man [slachtoffer 2] op haar linkerwang en kaak. Hij heeft haar meerdere malen vol in haar gezicht geslagen.5

Verklaring getuige [getuige]

heeft verklaard dat hij met verdachte en [naam] die avond op pad was. Zij hadden rond 01:00 uur bij de auto afgesproken om terug te rijden. Hij is bij het toegangsblok van de parkeergarage gaan zitten. Verdachte liep weer richting de weg.6

Verklaring van verdachte

Verdachte heeft verklaard dat hij bij de parkeergarage aan het dansen was en dat het druk was en toen raakte hij de eerste vrouw per ongeluk bij haar buik aan. Zij duwde hem toen en hierop heeft hij uitgehaald met links en sloeg hij haar uit reflex.

Met de andere vrouw ontstond er geduw en getrek. Uiteindelijk waren ze allebei aan het slaan. Hij denkt dat hij ook haar shirt van haar lijf heeft getrokken en het shirt heeft gescheurd.7

Conclusies

De rechtbank vindt de verklaringen van verdachte niet aannemelijk, nu deze niet consistent zijn en onvoldoende zijn onderbouwd. Zo heeft niemand verklaard dat het ten tijde van het incident druk was op de Van Schaeck Mathonsingel (het was 02:30 uur) en heeft [getuige] gezegd dat verdachte weer is weggelopen. Hij heeft niet gezegd verdachte te hebben zien dansen.

Feit 1: aanranding van [slachtoffer 1]

Op grond van de beide aangiften vindt de rechtbank bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] van voren in haar kruis heeft gepakt. Deze handeling, waarbij het gaat om één van de intiemste delen van het lichaam van de vrouw, kan niet anders worden gezien dan een handeling met een seksuele bedoeling. Gezien de onverhoedse beweging en de strijd met de sociaal ethische norm, is sprake van feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

Feit 2: mishandeling van [slachtoffer 1]

Op grond van de beide aangiften en de medische verklaring vindt de rechtbank ook bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] met een vuist in het gezicht heeft geslagen haar neus heeft gebroken. Daarmee is sprake van mishandeling.

De rechtbank vindt niet dat de gebroken neus als zwaar lichamelijk letsel is aan te merken. De breuk kon met een - weliswaar zeer pijnlijke maar – relatief beperkte medische ingreep weer worden recht gezet. Niet is gebleken dat sprake is van blijvende vervorming van de neus of het aangezicht. [slachtoffer 1] heeft enkele weken pijn en hinder ondervonden van de gebroken neus maar niet zolang en niet zodanig dat in juridische zin sprake is van zwaar lichamelijk letsel, zodat zij verdachte van dit deel van de tenlastelegging vrij zal spreken.

Feit 3 en 4: de aanranding en mishandeling van [slachtoffer 2]

De rechtbank vindt bewezen dat verdachte aan de kleding van [slachtoffer 2] heeft getrokken en haar shirt heeft gescheurd waardoor zij ongewild met ontblote borsten op de openbare weg stond. Dit op basis van zijn eigen verklaring en de aangifte van [slachtoffer 2] . De rechtbank vindt dit een aanranding van de eerbaarheid omdat sprake is van een onverhoeds handelen en er sprake is van een overschrijding van de sociaal-ethische norm. Het scheuren van kleding en ontbloten van borsten in het openbaar zal door veel vrouwen als beschamend worden ervaren omdat het om een intiem lichaamsdeel gaat. Dat verdachte hiermee kennelijk een seksuele bedoeling had, kan ook worden afgeleid uit zijn eerdere handelen naar [slachtoffer 1] die hij kort daarvoor in het kruis had gegrepen.

Feit 4: de mishandeling van [slachtoffer 2]

Op grond van de aangifte en de verklaring van verdachte vindt de rechtbank ook bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de mishandeling van [slachtoffer 2] door haar meermaals in haar gezicht te slaan en door haar krachtig aan haar haren te trekken.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feiten 1, 2 (subsidiair), 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op of omstreeks 19 juli 2016 te Nijmegen, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten het onverhoeds duwen/drukken/brengen van zijn, verdachtes, hand tussen de benen en/of in het kruis [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het onverhoeds aanraken en/of betasten en/of bevoelen van de vagina, althans de schaamstreek;

2.

Subsidiair

hij op of omstreeks 19 juli 2016 te Nijmegen [slachtoffer 1] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 1] krachtig met zijn, verdachtes, vuist in/tegen het gezicht te slaan en/of te stompen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken neus ten

gevolge heeft gehad;

3.

hij op of omstreeks 19 juli 2016 te Nijmegen, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten het onverhoeds aan/bij de kleding vastpakken en/of (vervolgens) krachtig de kleding uit- en/of stuktrekken [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het onverhoeds ontbloten van haar borsten;

4.

hij op of omstreeks 19 juli 2016 te Nijmegen [slachtoffer 2] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 2] krachtig één of meermalen op/tegen dier gezicht te slaan en/of te stompen en/of (vervolgens) krachtig aan dier haren te trekken.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van de feiten 1 en 3:

Feitelijke aanranding van de eerbaarheid;

Ten aanzien van de feiten 2 en 4:

Mishandeling.

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte, gelet op de ernst van de feiten, de toepasselijkheid van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht en zijn persoonlijke omstandigheden, ter zake van het onder feiten 1, 2 (subsidiair), 3 en 4 wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 180 uren, met aftrek van de tijd die hij al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, te weten 3 dagen zijnde 6 uren. Daarnaast dient een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren te worden opgelegd.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 28 december 2017.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de feitelijke aanranding van de eerbaarheid en de mishandeling van zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] . Hij heeft [slachtoffer 1] in haar kruis gepakt en haar met zijn vuist tegen haar neus geslagen waardoor zij haar neus heeft gebroken. Bij [slachtoffer 2] heeft verdachte haar truitje kapot getrokken en haar BH omlaag getrokken waardoor zij met ontblote borsten op de openbare weg stond. Verder heeft hij [slachtoffer 2] meermaals in haar gezicht geslagen en heeft hij een pluk haar uit haar hoofd getrokken. Verdachte heeft door zo te handelen een zeer ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van beide vrouwen. Een plezierige avond uit in Nijmegen draaide voor beide vrouwen uit op een traumatische ervaring. En dit slechts omdat verdachte zijn drankgebruik en zijn frustraties over een ontmoeting met zijn ex vriendin niet in de hand had. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ervaren nog altijd de vervelende gevolgen van de jegens hen gepleegde feiten. Zij voelen zich nog altijd onveilig wanneer zij over straat lopen. De rechtbank neemt dit verdachte zeer kwalijk.

In het voordeel van verdachte neemt de rechtbank mee dat sprake is van een beperkt strafblad.

Ondanks dat de rechtbank – in tegenstelling tot de officier van justitie – bij de mishandeling van [slachtoffer 1] niet bewezen acht dat sprake was van zwaar lichamelijk letsel (feit 2, subsidiair), zal zij de eis van de officier van justitie toch volgen. De rechtbank acht een werkstraf voor de duur van 180 uren met daarbij een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden passend en geboden. De rechtbank acht het, gelet op de ernst van de feiten, van belang dat verdachte lang onder controle blijft staan van justitie, zodat zij de proeftijd zal bepalen op een duur van 3 jaren.

7a. De beoordeling van de civiele vorderingen, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De volgende benadeelde partijen hebben zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding:

  • -

    feiten 1 en 2: [slachtoffer 1] , € 1.000,- immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 juli 2016;

  • -

    feiten 3 en 4: [slachtoffer 2] , € 1.860,98 (bestaande uit € 360,98 materiële schade en € 1.500,- immateriële schade) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 juli 2016.

Beide benadeelde partijen verzoeken de rechtbank over te gaan tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide vorderingen van de benadeelde partijen volledig kunnen worden toegewezen, nu deze voldoende zijn onderbouwd en het bedrag redelijk voorkomt. Voor beide vorderingen geldt dat deze vermeerderd dienen te worden met de wettelijke rente en dat de schadevergoedingsmaatregel moet worden opgelegd. Indien de rechtbank van oordeel is dat de immateriële schade die wordt gevorderd door [slachtoffer 2] te hoog is, stelt de officier van justitie dat deze moet worden gematigd tot € 1.000,- zodat dit gelijk is aan het bedrag dat aan immateriële schade kan worden toegewezen aan van [slachtoffer 1] .

Beoordeling door de rechtbank

De vordering van de benadeelde [slachtoffer 1] (feiten 1 en 2)

Gelet op het lichamelijk letsel van [slachtoffer 1] , te weten haar gebroken neus, de nasleep die [slachtoffer 1] als gevolg van het handelen van verdachte heeft gehad en het feit dat de vordering niet wordt betwist, is de rechtbank van oordeel dat de vordering volledig kan worden toegewezen.

De vordering van de benadeelde [slachtoffer 2] (feiten 3 en 4)

Materiële schade

De materiële schade is inhoudelijk niet betwist. Nu deze naar het oordeel van de rechtbank verder voldoende is onderbouwd en redelijk voorkomt, is zij van oordeel dat de materiële schade geen onevenredige belasting voor het strafproces vormt en dat de vordering voor wat betreft het gevorderde bedrag aan materiële schade, te weten € 360,98, kan worden toegewezen.

Immateriële schade

Gelet op het lichamelijk letsel van [slachtoffer 2] , te weten verschillende krassen in haar nek en op haar borst en een pluk haar die uit haar hoofd is getrokken, en het feit dat de vordering niet wordt betwist, is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor wat betreft de immateriële schade kan worden toegewezen. De rechtbank heeft echter geen reden om de immateriële schade bij [slachtoffer 2] op een hoger bedrag vast te stellen dan bij [slachtoffer 1] , zodat zij de vordering voor wat betreft de immateriële schade zal matigen tot een bedrag van

€ 1.000,-.

Proceskosten

De benadeelde partij vordert tevens vergoeding van de kosten die zij heeft gemaakt ter verkrijging van schadevergoeding, bestaande uit de reiskosten naar Slachtofferhulp en naar de rechtbank. Deze kostenpost is inhoudelijk niet betwist. Nu de rechtbank het voldoende onderbouwd en redelijk acht dat benadeelde kosten heeft gemaakt om naar genoemde instanties af te reizen, zal zij het gevorderde bedrag toewijzen.

Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . De gevorderde en toegewezen rente en proceskosten zijn daar volgens de landelijke oriëntatiepunten niet bij inbegrepen.

De gevorderde wettelijke rente is voor beide vorderingen toewijsbaar vanaf 19 juli 2016.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 36f, 246 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

 een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden;

 bepaalt, dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde voor het einde van de proeftijd die op drie jaren wordt bepaald;

 dat de veroordeelde zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

 een werkstraf gedurende 180 (honderdtachtig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 (negentig) dagen;

 beveelt dat voor de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de werkstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] (feiten 1 en 2)

  • -

    veroordeelt verdachte ten aanzien van feiten 1 en 2 tot betaling van schadevergoeding aan benadeelde partij [slachtoffer 1], van een bedrag van € 1.000,- (duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 juli 2016 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1] , een bedrag te betalen van € 1.000,- (duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 juli 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 20 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] (feiten 3 en 4)

  • -

    veroordeelt verdachte ten aanzien van feiten 3 en 4 tot betaling van schadevergoeding aan benadeelde partij [slachtoffer 2], van een bedrag van € 1.360,98 (duizenddriehonderdzestig euro en achtennegentig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 juli 2016 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 17,24;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 2] , een bedrag te betalen van € 1.360,98 (duizenddriehonderdzestig euro en achtennegentig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 juli 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 23 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.G.J. Post (voorzitter), mr. R.G.J. Welbergen en

mr. E.C. Ruinaard, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.W.A. Nabbe, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 februari 2018.

mr. E.C. Ruinaard is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost Nederland, dienst regionale recherche, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600 2017150501, gesloten op 3 april 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , p. 18, 19 en 21.

3 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , p. 18.

4 Het schriftelijk bescheid, zijnde een geneeskundige verklaring, p. 41 en het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , p. 19.

5 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , p. 47 en 48.

6 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 28.

7 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 114, 122 en 123.