Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:683

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
14-02-2018
Datum publicatie
16-02-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 4295
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning milieu ten behoeve van de herstructurering van de Bemmelse Waard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 17/4295 en 17/4318

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaken tussen

[eiseres], gevestigd te [woonplaats], eiseres,

en

[eisers] , en [eisers], allen wonend in [woonplaats], eisers,

(gemachtigde: mr. drs. E.D.M. Knegt)

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lingewaard te [plaats], verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde-partij], gevestigd te [plaats], (gemachtigde: mr. R. Benhadi).

Procesverloop

Bij besluit van 4 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan de [vergunninghouder] een omgevingsvergunning (revisievergunning) voor de activiteit milieu verleend.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2017. De zaken zijn gevoegd behandeld. Namens eiseres zijn [eisers], [eisers] en

[eisers] verschenen. [eisers] is ook voor eisers verschenen. Namens verweerder zijn R. Rikmanspoel en T. Korts verschenen. Namens de derde-partij zijn [derde-partij], [derde-partij] en de gemachtigde verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.1.

De [vergunninghouder] exploiteert sinds 2007 op percelen die zijn gelegen aan de [locatie] te [plaats], een inrichting die zich bezighoudt met een bestaande zand- en grindwinning en -verwerking in de Bemmelse Waard, een natuurgebied ten zuiden van Bemmel en ten noorden van de Waal. Sinds 2010 wordt gewerkt aan de herinrichting van de Bemmelse Waard. De activiteiten van [vergunninghouder] en deze omgevingsvergunning maken onderdeel uit van die herinrichting.

1.2.

De bestaande omgevingsvergunning ziet op het winnen en op het verwerken en op- en overslaan van bouwgrondstoffen zoals zand, grind en klei.

De aangevraagde veranderingen betreffen onder andere:

  • -

    de aanvoer van grondstoffen;

  • -

    de opslag van aangevoerde grondstoffen in de bestaande waterplas via een losponton of bakkenzuiger;

  • -

    de wijziging van de contour van de waterplassen; en

  • -

    het enkel met een elektrische zandzuiger werken.

1.3.

In het bestreden besluit is op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) een omgevingsvergunning (revisievergunning) voor de activiteit milieu verleend voor een aantal wijzingen op de bestaande omgevingsvergunning.

1.4.

Voorafgaand aan de aanvraag heeft verweerder het bestemmingsplan “Herinrichting Bemmelse Waard” (hierna: bestemmingsplan) op 29 september 2016 herzien. De aangevraagde activiteiten passen binnen dit plan. De beroepen van eiseres en eisers [eisers] en [eisers] tegen het bestemmingsplan zijn ongegrond verklaard in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 4 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2654. Het bestemmingsplan staat daarmee in rechte vast.

Verder is van belang dat op 14 juli 2016 en 12 oktober 2016 aan [vergunninghouder] een Natuurbeschermingswetvergunning en een Ontgrondingswetvergunning zijn verleend voor de inrichting. Deze vergunningen staan beide in rechte vast.

Wettelijk kader

2. Ingevolge artikel 2.14, derde lid, van de Wabo kan de omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo slechts worden geweigerd in het belang van de bescherming van het milieu.

3. De rechtbank zal de beroepsgronden van eiseres en eisers tezamen bespreken.

Uitbreiding activiteiten en bedrijfsinstallaties en strijd met natuurdoelen

4. Eisers betogen dat de omgevingsvergunning een forse uitbreiding en intensivering van de eerder vergunde activiteiten mogelijk maakt, met name door grootschalige aanvoer van zand en grind van elders voor tijdelijke opslag. Daarnaast wordt, volgens eisers, een ongewenste uitbreiding van bedrijfsinstallaties mogelijk gemaakt met het gebruik van een mobiele kraan op een drijvend ponton en een bakkenzuiger.

Eisers betogen dat deze uitbreiding van de activiteiten en bedrijfsinstallaties in strijd is met de natuurdoelen van het bestemmingsplan, omdat de vergunde activiteiten los staan van de natuurontwikkeling. De noodzaak daarvan is niet aangetoond, zo stellen eisers. De aanvoer van zand, grind of andere gronden moet daarom slechts worden toegestaan als dat gaat om klei voor de bestaande steenfabriek of grond voor de verondieping van de plassen in de Bemmelse Waard. Dat maakt de bakkenzuiger overbodig, aldus eisers.

4.1.

De rechtbank stelt voorop dat het aan de aanvrager van de omgevingsvergunning is om te bepalen voor welke inrichting hij een omgevingsvergunning aanvraagt. Verweerder is op zijn beurt gehouden te beoordelen of de vergunning kan worden verleend. Dat is hier gebeurd.

4.2.

De rechtbank stelt verder vast dat de enige extra vergunde activiteit ten opzichte van de bestaande omgevingsvergunning het tijdelijk opslaan van grondstoffen in de bestaande plas is, waarvoor een bakkenzuiger dan wel een kraan op het losponton wordt gebruikt. Er zijn in het bestreden besluit niet meer scheepvaartbewegingen en/of vrachtwagenbewegingen toegestaan dan al is vergund in de bestaande omgevingsvergunning. Dat betekent dat de activiteiten in zoverre begrensd zijn.

4.3.

In de Natuurbeschermingswetvergunning is voorts overwogen dat niet gebleken is dat natuurbelangen zich verzetten tegen het tijdelijk opslaan van schone grondstoffen die elders zijn vrijgekomen, in een klein gedeelte van de plas. Deze opslag moet voldoen aan de strenge eisen van de Waterwet en het Besluit Bodemkwaliteit. De effecten van de ingrepen in het gebied, waaronder de uitbreiding van de herinrichting, zijn onder andere beoordeeld in de natuurtoets in het rapport van 22 oktober 2015 van Bureau Waardenburg. In die natuurtoets is geconcludeerd dat geen sprake is van een effect op de instandhoudingsdoelen van het gebied (niet tijdelijk en ook niet permanent).

4.4.

In haar uitspraak van 4 oktober 2017, rechtsoverweging 7.2, heeft de Afdeling overwogen dat ten behoeve van het bestemmingsplan het milieueffectrapport ‘MER Herinrichting Bemmelse Waard, gemeente Lingewaard’ van 4 januari 2016 (milieueffectrapport) is opgesteld door SAB adviseurs. Hierin zijn de gevolgen van het bestemmingsplan voor het milieu, waaronder de milieuaspecten natuur, geluid, licht en luchtkwaliteit, beoordeeld. Geconcludeerd is dat het voornemen slechts beperkt negatieve milieueffecten heeft op onder meer de bodemopbouw, de fysieke landschappelijke kwaliteit en geluidbelasting, maar positieve effecten op het gebied van landschap en cultuurhistorie, water (kwel binnendijks) en vooral natuur. De Afdeling heeft vervolgens in rechtsoverweging 7.5 geoordeeld dat er geen aanleiding is voor het oordeel dat verweerders gemeenteraad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bestemmingsplan geen verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dat gebied tot gevolg heeft en dat het bestemmingsplan geen significant verstorend effect heeft op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. In wat eisers hebben aangevoerd heeft de Afdeling geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de gemeenteraad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bestemmingsplan geen onaanvaardbare aantasting van de wezenlijke kenmerken van het Nederlands Natuurnetwerk tot gevolg heeft.

4.5.

De rechtbank ziet in het betoog van eisers geen grond voor een ander oordeel. Verweerder heeft, mede gelet op het voorgaande, daarom kunnen oordelen dat de aanvraag niet in strijd is met het belang van de bescherming van het milieu. De beroepsgrond slaagt niet.

Geluid

5. Eisers betogen dat de geluidsrapporten die aan het bestreden besluit ten grondslag liggen geen realistisch beeld geven van het feitelijk te verwachten geluidsniveau omdat onvoldoende gekeken is naar de cumulatie van geluid. Er is onvoldoende rekening gehouden met de akoestische effecten van de rivier en de haven op de geluidsverspreiding en de weerkaatsing van de nieuwe activiteiten. Volgens eisers is sprake van een klankkast.

5.1.

Uit het akoestisch onderzoek “Herinrichting zandwinning Bemmelse Waard” van Ecopart B.V. van 31 juli 2015, dat deel uitmaakt van het bestreden besluit, blijkt dat, in overeenstemming met de Handleiding meten en rekenen industrielawaai (1999), rekening is gehouden met reflecties en afschermingen, het effect van de rivier en eventuele cumulatie van het geluid. Ecopart is tot de conclusie gekomen dat de optredende cumulatieve geluidsniveaus dermate laag zijn dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Ook wordt aan de gestelde grenswaarden voldaan. Met het opnemen van die geluidgrenswaarden in de vergunning wordt geluidhinder in voldoende mate beperkt. In de zienswijzennota heeft verweerder aangegeven dat geen rekening gehouden is met het normale scheepvaartverkeer op de Waal en dat het niet mogelijk is om daar voorschriften voor op te nemen.

5.2.

In wat eisers hebben aangevoerd ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder het rapport van Ecopart niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft kunnen leggen. Eisers hebben hun standpunt ook niet onderbouwd met een deskundig tegenrapport. De beroepsgrond slaagt niet.

Stiltegebied

6. Eisers betogen dat onvoldoende rekening is gehouden met het stiltegebied Ooijpolder dat vlakbij de inrichting ligt. Volgens eisers wordt het maximale toegestane geluidniveau van 40 dB(A) in het stiltegebied overschreden.

6.1.

De rechtbank stelt vast dat de inrichting niet in het stiltegebied ligt en dat daarom de Omgevingsverordening Gelderland niet van toepassing is op de inrichting. Uit het milieueffectrapport dat ten grondslag is gelegd aan het bestemmingsplan, volgt verder dat de geluidhinder op de woningen aan de buitenrand van het stiltegebied in beeld is gebracht, dat naar verwachting de geluidsbelasting beperkt zal zijn en dat het geluidsniveau daar niet meer dan 40 dB(A) zal bedragen.

6.2.

De rechtbank ziet in wat eisers hebben aangevoerd geen aanknopingspunten voor het oordeel dat onvoldoende rekening is gehouden met het stiltegebied en dat in het stiltegebied sprake zal zijn van een hoger geluidniveau dan 40 dB(A). Eisers hebben hun standpunt ook niet onderbouwd met een deskundig tegenrapport.

6.3.

De rechtbank verwijst hierbij voorts naar het oordeel van de Afdeling in rechtsoverweging 8 van haar uitspraak van 4 oktober 2017 dat de gemeenteraad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestemmingsplan geen onaanvaardbare aantasting van het stiltegebied tot gevolg heeft.

6.4.

De beroepsgrond slaagt niet.

Afscherming

7. Eisers betogen dat de aanwezigheid van een toereikende afschermende wal onvoldoende is gewaarborgd. In de bestaande situatie is de afscherming ontoereikend. De activiteiten van met name de bakkenzuiger en het ponton links in de haven worden met de wal visueel en akoestisch niet afgeschermd.

7.1.

Het bestemmingsplan bevat een verbod om de al aanwezige groenwal te verwijderen. De groenwal is bedoeld om eventuele visuele en geluidshinder te beperken. De groenwal heeft een absorberende bodem, wat een gunstige werking heeft op het voorkomen van geluidsreflecties ter plaatse van gevoelige objecten.

7.2.

Voor zover eisers betogen dat de groenwal onvoldoende is om geluidshinder te voorkomen, overweegt de rechtbank dat aan het bestreden besluit ter voorkoming of beperking van geluidshinder voorschriften zijn verbonden. Voor een aantal woningen is de geluidsbelasting berekend en in de vergunning zijn grenswaarden voorgeschreven. Uit het akoestisch onderzoek van Ecopart volgt dat aan de gestelde grenswaarden wordt voldaan. Met het opnemen van de geluidsgrenswaarden wordt de geluidshinder in voldoende mate beperkt. Het voorschrijven van een afschermende wal in het bestreden besluit, naast de al vergunde groenwal, is daarom vanuit het oogpunt van geluid niet noodzakelijk.

7.3.

Voor zover eisers betogen dat de groenwal onvoldoende is om visuele hinder ten gevolge van de uitbreiding van de bedrijfsinstallaties te voorkomen, overweegt de rechtbank dat de vraag of zich visuele hinder voordoet in het kader van de vaststelling van het bestemmingsplan aan de orde is gekomen. De raad van verweerders gemeente heeft bij de vaststelling van het bestemmingsplan de visuele hinder betrokken bij de belangenafweging en die hinder aanvaardbaar geacht. Eisers hebben naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat door het verlenen van het bestreden besluit zoveel visuele hinder ontstaat, dat de aanvraag om die reden had moeten worden afgewezen.

7.4.

De beroepsgrond slaagt niet.

Verkeersbewegingen

8. Eisers betogen dat sprake is van onduidelijkheid over de begrenzing van de verkeersbewegingen en voorzien dat dit tot handhavingsproblemen zal leiden.

8.1.

Aan het bestreden besluit is een niet-technische samenvatting verbonden. Daar is bepaald dat dagelijks tien vrachtauto’s worden beladen door de shovel. De geluidvoorschriften en overige voorschriften zijn daarop ook gebaseerd. Er worden in het bestreden besluit niet meer verkeersbewegingen vergund dan de in de akoestische rapporten vermelde aantallen. Omdat deze samenvatting onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit is de derde-partij gebonden aan de inhoud daarvan en kan daarop zo nodig worden gehandhaafd.

8.2.

Daarnaast is in de Natuurbeschermingswetvergunning in voorschrift 11 het aantal vrachtwagenbewegingen vastgelegd voor de tijdelijke aanvoer van materiaal ten behoeve van de verondieping van de westelijke plas. Hiervoor is als beperking opgenomen dat er tijdelijk maximaal drie vrachtwagens per dag mogen rijden. Ook dit is naar het oordeel van de rechtbank goed handhaafbaar.

8.3.

De 144 vrachtwagenbewegingen die plaatsvinden langs de woning Buitenpolder 8, heeft verweerder expliciet zo opgenomen ter bescherming van het geluidsniveau dat ter plaatse op deze woning aanvaardbaar wordt geacht. Deze vrachtwagenbewegingen zijn niet van invloed op de woningen aan de overzijde van de Waal. De vraag of dit handhaafbaar is, is derhalve niet relevant voor eisers.

8.4.

De beroepsgrond slaagt niet.

Voorschrift 7.1.9 (afmeren schepen)

9. Eisers betogen dat voorschrift 7.1.9 onduidelijk is. Dit artikel bepaalt het aantal schepen dat dagelijks mag aan- en afmeren maar niet duidelijk is of het aan- en afmeren in deze aantallen ook is toegelaten indien er nog meerdere schepen zijn blijven liggen die eerder tijdens werktijd zijn gearriveerd. De zienswijzennotitie geeft hierover, volgens eisers, geen duidelijkheid. De schepen veroorzaken ’s avonds en ’s nachts, onder meer door schijnwerpers, overlast voor eisers. Eisers betogen daarom dat moet worden voorkomen dat er meer dan zes schepen tegelijk in de haven aanwezig zijn.

9.1.

Voorschrift 7.1.9 bepaalt dat de inrichting, ten behoeve van de reguliere werkzaamheden, alleen van maandag tot en met vrijdag in werking mag zijn tussen 7.00 en 19.00 uur. Per dag mogen er maximaal zes schepen aan- en afmeren in de overslaghaven. Van deze zes schepen mag er maximaal één aan- en afmeren in de avondperiode (tussen 19.00 en 23.00 uur).

9.2.

Tijdens de zitting is gebleken dat het eisers voornamelijk te doen is om de lichtoverlast die zij ’s avonds en ‘s nachts ervaren van schippers die met hun schip in de haven overnachten. De rechtbank volgt eisers in het betoog dat het artikel onvoldoende duidelijk is over wat in de avond en nachtperiode is toegelaten. Eisers hebben ter zitting aangegeven dat zij graag willen dat er maar maximaal één schip tegelijk mag overnachten in de haven. De andere partijen hebben zich daar niet tegen verzet.

9.3.

De beroepsgrond slaagt. De rechtbank zal dit voorschrift wijzigen in deze zin (zie rechtsoverweging 12.1).

Regelmatige afwijkingen

10. Eisers betogen dat de noodzaak voor voorschrift 7.1.12, dat volgens hen ziet op incidentele bedrijfssituaties, ontbreekt. Het toegestane geluidsniveau tijdens deze avonduren is te hoog. Voor die uren gelden ten onrechte dezelfde normen als in de dagperiode maar worden bovendien de extra ruime normen overgenomen die in de dagperiode gelden tijdens het “tijdelijk droog grondverzet”. Daarnaast zijn, volgens eisers, ten onrechte de duur en frequentie niet vastgelegd. Uitgangspunt dient te zijn dat het per keer steeds gaat om één, aaneengesloten, periode van maximaal één etmaal. Omdat sprake is van een bijzondere ligging van de inrichting in de buurt van natuurgebieden en aan de rand van een stiltegebied, is extra geluidbelasting niet toelaatbaar, aldus eisers.

10.1.

Voorschrift 7.1.12 bepaalt dat maximaal twaalf keer per jaar in de avondperiode, tussen 19.00 en 23.00 uur, werkzaamheden en activiteiten mogen worden uitgevoerd die onderdeel uitmaken van de representatieve bedrijfssituatie. Voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) gelden de niveaus als opgenomen in voorschrift 7.1.2. Voor het maximale geluidsniveau (LAmax) gelden de niveaus als opgenomen in voorschrift 7.1.3.

10.2.

Verweerder heeft toegelicht dat sprake kan zijn van regelmatige en incidentele afwijkingen. Artikel 7.1.12 ziet op de regelmatige afwijking. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat in het bestreden besluit duidelijk is omschreven hoe de afwijking van de werktijden is geregeld. Verweerder heeft vastgesteld dat de inrichting voldoet aan de hiervoor in aanmerking komende Beste Beschikbare Technieken (BBT). De afwijkende bedrijfssituaties leiden, volgens verweerder, niet tot onaanvaardbare hinder, gezien de geringe toename van geluid die met de regelmatige afwijking gepaard gaat. Omdat vooraf melding moet worden gedaan, zijn de afwijkingen volgens verweerder ook goed handhaafbaar.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder gelet op het voorgaande in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat de vergunde bedrijfssituatie aanvaardbaar is. De beroepsgrond slaagt niet.

Eindtermijn

11. Eisers betogen ten slotte dat moet worden vastgelegd dat het gebruik van de zandclassificeerinstallatie wordt beëindigd nadat de ontgronding is beëindigd. Volgens eisers is dat mogelijk door in de beslissing op de aanvraag te bepalen dat het gebruik van de zandclassificeerinstallatie uiterlijk op 21 januari 2026 moet worden beëindigd. Dit is de termijn die ook als einddatum is opgenomen in de Ontgrondingsvergunning, aldus eisers.

11.1.

De rechtbank stelt vast dat in de Ontgrondingsvergunning de einddatum voor het uitvoeren van de activiteiten is bepaald op 21 januari 2026. Omdat artikel 4.1. van het bestemmingsplan een zandclassificeerinstallatie alleen toestaat zolang er binnen de Bemmelse Waard ontgrondingen plaatsvinden, zal het gebruik op de in de Ontgrondingsvergunning opgenomen einddatum moeten eindigen. Dat betekent dat de einddatum al voldoende is geborgd. Verweerder heeft daarom geen aanleiding hoeven zien om ook aan het bestreden besluit een einddatum te verbinden.

11.2.

Daarnaast heeft de derde-partij de omgevingsvergunning niet voor een bepaalde duur aangevraagd. In zoverre ligt het niet in de rede om de omgevingsvergunning te weigeren voor zover het betreft de periode na 21 januari 2026.

De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie

12. Gelet op wat in de rechtsoverwegingen 10.1 en 10.2 van deze uitspraak is overwogen, zal de rechtbank de beroepen gegrond verklaren en het bestreden besluit, voor zover dit betrekking heeft op voorschrift 7.1.9, vernietigen.

12.1.

De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien. Zij zal bepalen dat voorschrift 7.1.9 als volgt komt te luiden:

“De inrichting mag, ten behoeve van de reguliere werkzaamheden, alleen van maandag tot en met vrijdag in werking zijn tussen 7.00 en 19.00 uur. Per dag mogen er maximaal zes schepen aan- en afmeren in de overslaghaven. Van deze zes schepen mag er maximaal één aan- en afmeren in de avondperiode (tussen 19.00 en 23.00 uur). Gedurende de avond- en nachtperiode, tussen 19.00 en 07.00 uur, mag slechts één schip aangemeerd liggen.”

12.2.

Nu de rechtbank de beroepen gegrond zal verklaren, moet verweerder de voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierechten aan eisers vergoeden.

12.3.

De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten die eisers [eisers], [eisers] en [eisers] hebben gemaakt voor de door mr. drs. Knegt verleende rechtsbijstand. De rechtbank stelt deze kosten, met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), vast op een bedrag van € 501 (1 punt voor het beroepschrift met een wegingsfactor 1).

De rechtbank is niet gebleken dat eiseres proceskosten heeft gemaakt die op grond van het Bpb voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit, voor zover dit betrekking heeft op voorschrift 7.1.9;

  • -

    bepaalt dat voorschrift 7.1.9 als volgt komt te luiden:

“De inrichting mag, ten behoeve van de reguliere werkzaamheden, alleen van maandag tot en met vrijdag in werking zijn tussen 7.00 en 19.00 uur. Per dag mogen er maximaal zes schepen aan- en afmeren in de overslaghaven. Van deze zes schepen mag er maximaal één aan- en afmeren in de avondperiode (tussen 19.00 en 23.00 uur). Gedurende de avond- en nachtperiode, tussen 19.00 en 07.00 uur, mag slechts één schip aangemeerd liggen.”;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder het door de [eiseres] betaalde griffierecht, van € 333 aan haar terugbetaalt;

  • -

    bepaalt dat verweerder het door de eisers [eisers], [eisers] en [eisers] betaalde griffierecht van € 168 aan hen terugbetaalt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers [eisers], [eisers] en [eisers] tot een bedrag van € 501;

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. van Breda, voorzitter, mr. R.J. Jue en

mr. L.M. Koenraad, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Dijkman, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

Griffier

Voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.