Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:633

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
01-02-2018
Datum publicatie
13-02-2018
Zaaknummer
05/987032-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Gelderland heeft een (voormalig) dierenarts voor het meermalen overtreden van artikel 2.19 van de Wet Dieren veroordeeld tot een geldboete van 30.000 euro, waarvan de helft voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/987032-16

Datum uitspraak : 1 februari 2018

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige economische kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het functioneel parket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1964 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres]

raadsman: mr. F.A.J.M. Peeters, advocaat te Winterswijk.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

31 augustus 2017 en 18 januari 2018.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 28 augustus 2015 te Winterswijk, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, al dan niet opzettelijk, in strijd met het bepaalde bij en/of krachtens artikel 2.20 van de Wet dieren in artikel 5.8 lid 1 onderdeel a. van het Besluit diergeneesmiddelen, als dierenarts bij het voorschrijven van een of meer URA diergeneesmiddelen, te weten bij/voor onder meer

[naam 1] , een factuur [factuur 1] van 11 augustus 2014 (p. 53), en/of een factuur [factuur 2] van 10 augustus 2014 (p. 56), en/of

[naam 2] , een factuur [factuur 3] van 16 juli 2014 (p. 61), en/of een factuur [factuur 4] van 21 juni 2014 (p. 64), en/of een logboekformulier van 21-06-2014 (p. 66) en/of een logboekformulier van 21-7-2014 (p. 67), en/of

[naam 3] , een factuur [factuur 13] van 25 april 2014 (p. 69) en/of een logboekformulier van 29 april 2014 (p. 72), en/of

[naam 4] en/of [naam 5] , een factuur [factuur 5] van 30 april 2015 (p. 75), en/of een logboekformulier van 1 mei 2015 (p. 78), en/of

[naam 6] en/of [naam 7] , een factuur [factuur 6] van 13 januari 2015 (p. 83), en/of een factuur van [factuur 7] van 26 mei 2015 (p. 84), en/of een factuur [factuur 8] van 12 februari 2015 (p. 87), en/of factuur [factuur 9] van 27 mei 2015 (p. 88), en/of een logboekformulier van 12 februari 2015 (p. 89), en/of een logboekformulier van 27 mei 2015 (p. 90),

[naam 8] , een factuur [factuur 10] van 07 februari 2015 (p. 96),

desbetreffende (schapen)bedrijven niet heeft bezocht en/of deze schapen niet (tenminste één keer) aan een klinische inspectie/diagnose heeft onderworpen en/of hun medicatiehistorie heeft nagekeken;

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 28 augustus 2015 te Winterswijk, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, al dan niet opzettelijk, in strijd met het bepaalde bij en/of krachtens artikel 2.20 van de Wet dieren in artikel 5.8 lid 1 onderdeel a. van het Besluit diergeneesmiddelen, als dierenarts een of meer UDD diergeneesmiddelen heeft afgeleverd aan onder meer

[naam 9] , een uitdraai van een factuur [factuur 11] van 22 oktober 2014 (p. 115), en/of

[naam 10] , een (uitdraai van een) factuur [factuur 12] van 3 juli 2015 (p. 119, 122),

zonder deze diergeneesmiddelen zelf toe te passen.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Ten aanzien van feit 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat niet ter discussie staat, vastgesteld.

Verdachte heeft als dierenarts, samen met anderen, ten behoeve van de dieren van [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] , [naam 6] en [naam 11] , en [naam 8] opzettelijk URA diergeneesmiddelen voorgeschreven zonder deze (schapen)bedrijven daaraan voorafgaand te hebben bezocht, de schapen niet (tenminste één keer) aan een klinische inspectie/diagnose te hebben onderworpen dan wel hun medicatiehistorie na te hebben nagekeken.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde feit.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Daartoe is aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte in strijd met artikel 5.8 lid 1 onderdeel a van het Besluit diergeneesmiddelen heeft gehandeld. Immers, indien een dierenarts uit eigen apotheek middelen voorschrijft en aflevert is er geen recept nodig. Het bestanddeel in de delictsomschrijving van het afleveren van een geneesmiddel met een recept kan daarom niet worden bewezenverklaard.

Beoordeling door de rechtbank

Artikel 5.8 lid 1 onderdeel a van het Besluit diergeneesmiddelen luidt als volgt:

‘Bij ministeriële regeling wordt geregeld:

a. in welke gevallen een diergeneesmiddel uitsluitend wordt afgeleverd na te zijn voorgeschreven.’

De rechtbank is, anders dan de verdediging, van oordeel dat het door een dierenarts zelf na een eigen beslissing uit de eigen apotheek afleveren van diergeneesmiddelen aan de eindgebruiker wel degelijk valt onder het bereik van artikel 5.8 lid 1 onderdeel a van het Besluit diergeneesmiddelen. Het artikel noch de ratio daarachter geeft immers aanleiding om de definitie van voorschrijven zodanig op te vatten dat een onderscheid gemaakt zou moeten worden tussen het voorschrijven en afleveren van diergeneesmiddelen uit eigen en andermans praktijk/apotheek. De beslissing om zelf diergeneesmiddelen te verstrekken dient gelijk te worden gesteld met de opdracht aan een andere apotheker om de geneesmiddelen te verstrekken.

De rechtbank concludeert dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het meermalen medeplegen van het tenlastegelegde feit.

Ten aanzien van feit 2

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 18 januari 2018;

- het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 12] , p. 116 en 117;

- een factuuroverzicht, p. 115;

- het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 10] , p. 120 en 121;

- een factuuroverzicht en factuur, p. 119 en 122.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het volgende heeft begaan:

1.

hij op een of tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 28 augustus 2015 te Winterswijk, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, al dan niet opzettelijk, in strijd met het bepaalde bij en/of krachtens artikel 2.20 van de Wet dieren in artikel 5.8 lid 1 onderdeel a. van het Besluit diergeneesmiddelen, als dierenarts bij het voorschrijven van een of meer URA diergeneesmiddelen, te weten bij/voor onder meer

[naam 1] , een factuur [factuur 1] van 11 augustus 2014 (p. 53), en/of een factuur [factuur 2] van 10 augustus 2014 (p. 56), en/of

[naam 2] , een factuur [factuur 3] van 16 juli 2014 (p. 61), en/of een factuur [factuur 4] van 21 juni 2014 (p. 64), en/of een logboekformulier van 21-06-2014 (p. 66) en/of een logboekformulier van 21-7-2014 (p. 67), en/of

[naam 3] , een factuur [factuur 13] van 25 april 2014 (p. 69) en/of een logboekformulier van 29 april 2014 (p. 72), en/of

[naam 4] en/of [naam 5] , een factuur [factuur 5] van 30 april 2015 (p. 75), en/of een logboekformulier van 1 mei 2015 (p. 78), en/of

[naam 6] en/of [naam 7] , een factuur [factuur 6] van 13 januari 2015 (p. 83), en/of een factuur van [factuur 7] van 26 mei 2015 (p. 84), en/of een factuur [factuur 8] van 12 februari 2015 (p. 87), en/of factuur [factuur 9] van 27 mei 2015 (p. 88), en/of een logboekformulier van 12 februari 2015 (p. 89), en/of een logboekformulier van 27 mei 2015 (p. 90), en/of

[naam 8] , een factuur [factuur 10] van 07 februari 2015 (p. 96),

desbetreffende (schapen)bedrijven niet heeft bezocht en/of deze schapen niet (tenminste één keer) aan een klinische inspectie/diagnose heeft onderworpen en/of hun medicatiehistorie heeft nagekeken;

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 28 augustus 2015 te Winterswijk, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, al dan niet opzettelijk, in strijd met het bepaalde bij en/of krachtens artikel 2.20 van de Wet dieren in artikel 5.8 lid 1 onderdeel a. van het Besluit diergeneesmiddelen, als dierenarts een of meer UDD diergeneesmiddelen heeft afgeleverd aan onder meer

[naam 9] , een (uitdraai van een) factuur [factuur 11] van 22 oktober 2014 (p. 115), en/of

[naam 10] , een (uitdraai van een) factuur [factuur 12] van 3 juli 2015 (p. 119, 122),

zonder deze diergeneesmiddelen zelf toe te passen.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van de feiten 1 en 2, telkens

Medeplegen van het zich gedragen in strijd met het voorschrift vastgesteld bij artikel 2.19, eerste lid, van de Wet dieren, meermalen gepleegd.

5 De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Ten aanzien van feit 1

De rechtbank stelt vast dat de verdediging heeft aangevoerd dat verdachte ontslagen moet worden van alle rechtsvervolging, omdat er geen sprake is van strijd met artikel 5.8 lid 1 onderdeel a van het Besluit diergeneesmiddelen. Daartoe is de dezelfde onderbouwing aangevoerd als bij de bewezenverklaring.

De rechtbank overweegt dat het verweer, op dezelfde gronden als hiervoor is overwogen, faalt.

Ten aanzien van feit 2

De verdediging heeft ten aanzien van verdachtes handelen onder feit 2 aangevoerd dat sprake was van een noodtoestand. Verdachte was niet in staat om, alvorens diergeneesmiddelen af te leveren aan [naam 9] en [naam 10] , hen te bezoeken, maar hun dieren hadden dringend hulp nodig. Die hulp kon hij, als dierenarts, niet weigeren.

De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat het verweer niet slaagt. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Daargelaten de vraag of de schapen daadwerkelijk in een zodanige toestand verkeerden dat acute hulp geboden was, is niet aannemelijk geworden dat van verdachte in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs niet gevergd had kunnen worden dat hij de strafrechtelijke norm zou hebben nageleefd. Immers, op geen enkele wijze is onderbouwd dat verdachte daadwerkelijk niet in staat was om [naam 9] en [naam 10] te bezoeken alvorens diergeneesmiddelen aan hen te leveren. Verder is gesteld noch gebleken dat hij de enige persoon was die hulp kon bieden. Er is slechts gesteld dat de vaste dierenarts niet beschikbaar was, maar dat laat onverlet dat een vervanger wel ter plaatse had kunnen komen.

Conclusie ten aanzien van beide feiten

De rechtbank concludeert dat verdachte strafbaar is, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van de tenlastegelegde feiten zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 35.000,- en een verbod tot het uitoefenen van het beroep van dierenarts voor de periode van een jaar.

Het standpunt van de verdediging

Indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring van een van de feiten, is verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Hij heeft de wet niet overtreden om daar zelf financieel beter van te worden. Verdachte probeerde in contact te komen met (andere) schapenhouders teneinde ‘Good Veterinary Practice’ te prediken en de schapen(sector) structureel gezond te houden. Niet is gebleken dat hij daadwerkelijk schade aan de gezondheid van de schapen heeft aangericht, dan wel dat hij de volksgezondheid in gevaar heeft gebracht. Verder is het risico van recidive uitgesloten, omdat hij zijn werkzaamheden als dierenarts heeft neergelegd en naar [land] is verhuisd om daar als biologisch schapenhouder te werken. Verzocht wordt om wat betreft de hoogte van de geldboete aan te sluiten bij wat gangbaar is bij wat de veterinaire tuchtrechter in vergelijkbare gevallen oplegt. Een geldboete van € 5.000,-, waarvan € 2.000,- voorwaardelijk, zou passend zijn. De geldboete zoals deze door de officier van justitie is gevorderd, valt daarbij fors uit de toon. Een geldboete van die hoogte zou ook vrijwel zeker het faillissement van verdachte betekenen.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister van 4 september 2017.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het samen met anderen overtreden van de Wet Dieren. Hij werkte samen met verschillende Wolfederaties en leverde diergeneesmiddelen aan eindgebruikers, zonder de desbetreffende (schapen)bedrijven te bezoeken, zonder de schapen (tenminste éénmaal) klinische te inspecteren en zonder hun medicatiehistorie te bekijken. Ook leverde hij diergeneesmiddelen af, terwijl hij deze zelf bij de schapen had moeten toepassen.

Het doel achter de regelgeving is de hoeveelheid residuen van diergeneesmiddelen in voedselproducten te verminderen, alsook de toenemende resistentie tegen de middelen tegen te gaan. Van een dierenarts mag daarom verwacht worden bij het voorschrijven van middelen selectief en restrictief te werk te gaan en overmatig en onnodig gebruik te voorkomen. Verdachte heeft weliswaar gesteld dat zijn motieven erop waren gericht om medicijngebruik bij schapen te verminderen, maar hij heeft door zijn handelen de regelgeving juist ondermijnd en tegenstrijdig aan zijn motieven gehandeld. Niet valt in te schatten in hoeverre zijn handelen schadelijk is geweest voor (resistentie van) de schapen dan wel voor de volksgezondheid door het mogelijk nuttigen van schapenvlees met een verhoogde hoeveelheid van medicijnresiduen. Verdachte wist echter dat hij fout zat en had als dierenarts het goede voorbeeld moeten geven. Dit neemt de rechtbank hem kwalijk.

In het nadeel van verdachte heeft de rechtbank bij de straftoemeting er rekening mee gehouden dat er sprake is van een lange periode van strafbaar handelen en dat hij – in strijd met de wet – veel meer diergeneesmiddelen heeft afgeleverd dan nu is tenlastegelegd. Zo heeft hij bijna 500 leveringen van diergeneesmiddelen naar het buitenland verstuurd, zonder de desbetreffende bedrijven te bezoeken.

In het voordeel van verdachte heeft de rechtbank bij de straftoemeting betrokken dat verdachte de verantwoordelijkheid voor zijn handelen op zich heeft genomen en volledige openheid van zaken heeft gegeven. Ook betrekt de rechtbank in zijn voordeel dat hij, toen hij nog als dierenarts werkzaam was in Nederland, meteen zijn werkwijze aan de wet heeft aangepast. Verder stelt de rechtbank vast dat de redelijke termijn, die op 8 oktober 2015 is gaan lopen, met enkele maanden is overschreden. Ook hier houdt de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening mee.

Alles afwegende, vindt de rechtbank het aan verdachte opleggen van een geldboete van

€ 30.000,-, waarvan de helft voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, passend. Het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel dient als stok achter de deur om herhaling van strafbare feiten te voorkomen. Gelet op het tijdsverloop sinds de feiten, de omstandigheid dat niet is gebleken van nieuwe strafbare feiten en de omstandigheid dat verdachte in Nederland niet langer als dierenarts werkzaam is, ziet de rechtbank geen aanleiding om verdachte nog een beroepsverbod op te leggen.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op:

  • -

    de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht;

  • -

    de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten;

  • -

    de artikelen 2.19 en 2.20 van de Wet Dieren;

  • -

    de artikelen 2.17, 2.18 en 10.5a van de Regeling Diergeneesmiddelen;

  • -

    het artikel 5.5 van de Regeling Diergeneeskundigen;

  • -

    het artikel 5.8 van het Besluit Diergeneesmiddelen.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

 een geldboete van € 30.000 (dertigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 185 (honderdvijfentachtig) dagen hechtenis;

 bepaalt, dat een gedeelte van de geldboete groot € 15.000,- (vijftienduizend euro), niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde voor het einde van de proeftijd die op twee jaren wordt bepaald;

 dat de veroordeelde zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Klep (voorzitter), mr. G. Noordraven en

mr. J.H.D. van Onna, rechters, in tegenwoordigheid van mr. T. de Munnik, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 februari 2018.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, Ministerie van Economische Zaken, opgemaakte proces-verbaal, referentie: 116916/89382/3002308/4, gesloten op 23 maart 2016 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 18 januari 2018, de processen-verbaal van verhoor van getuigen [naam 1] , p. 54 en 55, [naam 2] , p. 62 en 63, [naam 3] , p. 70 en 71, [naam 4] , p. 76 en 77, [naam 11] , p. 85 en 86, [naam 8] , p. 94 en 95, en de facturen/logboekformulieren, p. 53, 56, 61, 64, 66, 67, 69, 72, 75, 78, 83, 84, 87, 88, 89, 90 en 96.