Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:629

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
12-01-2018
Datum publicatie
13-02-2018
Zaaknummer
C/05/329463/ KG ZA 17-576
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding tot opheffing van in Nederland gelegd conservatoir beslag door Turkse schuldeiser. Hoofdprocedure die beoordeeld moet worden naar Turks recht en het Weens koopverdrag, onderworpen aan arbitrage door Duits arbitrage-instituut. Nederlands recht van toepassing op verzoek tot opheffing beslag. Verzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2018, afl. 4, p. 222
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/329463 / KG ZA 17-576

Vonnis in kort geding van 12 januari 2018

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ESTG B.V.,

tevens handelende onder de naam European Solar Technology Group

gevestigd en kantoorhoudende te Elst,

eiseres,

advocaat mr. V.M. Besters te Amsterdam,

tegen

de vennootschap naar buitenlands recht

[gedaagde] ,

gevestigd en kantoorhoudende te Adana (Turkije),

gedaagde,

advocaat mr. Y. Ersoy te Amsterdam.

Partijen zullen hierna ESTG en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties 1 tot en met 18 van 30 november 2017

  • -

    de brief met producties 19 tot en met 22 van 12 december 2017 namens ESTG

  • -

    de mondelinge behandeling, gehouden op 14 december 2017

  • -

    het e-mailbericht met een bijlage van 13 december 2017 namens [gedaagde]

  • -

    het e-mailbericht met producties 1 tot en met 20 van 13 december 2017 namens [gedaagde].

  • -

    de pleitnota van ESTG

  • -

    de pleitnota van [gedaagde].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

ESTG is een groothandel in zonnepanelen en bijbehorende benodigdheden. ESTG koopt de zonnepanelen rechtstreek in bij fabrikanten en verkoopt de panelen aan tussenhandelaren, welke tussenhandelaren de panelen vervolgens bij eindgebruikers afleveren en monteren. [gedaagde] is een fabrikant van zonnepanelen.

2.2.

De partijen hebben een koopovereenkomst gesloten voor de productie en levering van zonnepanelen door [gedaagde] aan ESTG.

In deze overeenkomst staat onder meer het volgende vermeld:

2. SUPPLY OF PRODUCTS

Section 2.1 Sale of the Products. [gedaagde] shall sell to Buyer, and Buyer shall purchase from [gedaagde], the Products at the quantity as defined in the Purchase Order. The total quantity of the Products purchased bij Buyer under this Agreement and all the Purchase Order Shall be equal to 25 MWp annually. (...)

4 PRICING AND PAYMENTS

(..)

Section 4.3 Payment Terms. Buyer agrees to pay [gedaagde] as set out in the Purchase Order. (...)

7 WARRANTIES

(..)

Section 7.3 Quality Discrepancy Claim. Buyer shall check the Products against the

packing list supplied by [gedaagde] within fifteen (15) Calendar days after the Arrival Date. If any

apparent shortage, damage or discrepancy in respect of the Products is found during the

inspection, a detailed Written notice shell be made and provided to [gedaagde] by representatives of

Buyer. In case that such shortage, damage or discrepancy is caused solely by [gedaagde], than

[gedaagde] shall supplement or replace such damaged Products at its own expense. In case that

[gedaagde] disagrees with Buyer’s claims under this Section, [gedaagde] shall within two (2) weeks after

the receipt of the written notice give the reasons for its disagreement. Both Parties shall use their best efforts to resolve the disagreement. The Products shall be considered as accepted by Buyer if Buyer fails to maken any written notice known to [gedaagde] within the said fifteen (15) calendar days period.”

2.3.

ESTG heeft voor een bedrag van circa 1 miljoen euro bestellingen geplaatst en geleverd gekregen. ESTG heeft de zonnepanelen, althans een groot deel daarvan doorverkocht aan haar klanten. Een bedrag van € 533.415,94 is door ESTG nog niet voldaan.

2.4.

In juni 2016 heeft tussen partijen in München een overleg plaatsgehad over de openstaande vordering, waarna ESTG een bedrag van € 100.000,00 aan [gedaagde] betaald heeft.

2.5.

Op 12 juli 2016 heeft de heer [naam directeur Zahit], de directeur van [gedaagde], de heer [naam directeur ESTG], de directeur van ESTG, een e-mail gestuurd met de volgende inhoud:

“we would like to thank you for the first payment that you sent it 2 weeks ago as we agreed with you at the münchen exhibition ,

I also like to remind you that you were supposed to send us the issues regading the below mentioned subjects, also i kindly ask you to make second payment for this week,

• Warranties

• Certificates

• Dollar/euro exchange

• Aftersales issues

please let me know”

2.6.

Per e-mail van 22 juli 2016 heeft de heer [naam directeur ESTG] als volgt op deze e-mail gereageerd:

“I want to inform you that the responsible colleague is on vacation. He will be back in office within the next week.

ESTG is not interested in escalating the situation with [gedaagde]. As we spoke with Mr. [gedaagde] and you at the Inter Solar fair in Munich, we will try our best to solve this as quick as it is possible.

We will send within the next week before my vacation our thoughts and issues.”

2.7.

Na een per e-mail ontvangen betalingsherinnering heeft ESTG [gedaagde] op 18 augustus 2016 een e-mail gestuurd, waarin onder meer het volgende vermeld staat:
“First of all we would like to let you know that we do want to pay your invoices and that we do have the money to pay you. However there are some topics that need to be clarified first. As you may well know, ESTG being the importing distributor of solar modules, is responsible for several topics and needs to be secured.

• The first delivery to ESTG was received 6 months after the initially agreed date, due to this late delivery we couldn’t supply our customers till end of the season. This resulted in a total loss of all the undertaken marketing actions, loss of turnover and loss of customers.

• [gedaagde] sold approximately 400KW of our cells (2MW) to CSUN and replaced these by new cells which were more expensive (customs and air-shipment)

•We have been confronted with an unexpected price raise by you and were forced to go along, this was not part of the agreement. This higher price resulted again in a lower margin.

• We have more then once communicated about the bad quality of the packaging. Although

improvement was promised, it was never done. We received many complaints from our customers.

• By email we have informed you about the bend modules, this topic was never solved.

• Many modules contained unacceptable color differences.

• We received different modules with the same serial number.

All the above mentioned topics let to a severe loss to ESTG of €126.000,00

Furthermore to secure a part of our aftersales obligation we need to receive documented confirmation on all the delivered modules about their unique certification status. From which date on is which serialnumber complying with the agreed TÜV and Solarif certification.”

2.8.

In verband met de openstaande vordering heeft [gedaagde] op 3 oktober 2016 conservatoir derdenbeslag doen leggen onder de Rabobank ten laste van ESTG. Enige dagen later heeft [gedaagde] ook beslag doen leggen op de inventaris van ESTG.

2.9.

Bij vonnis van deze rechtbank van 17 oktober 2016 (C/05/309333 / KG ZA 16-461) is het op 3 oktober 2016 ten laste van ESTG onder de Rabobank gelegde conservatoire derdenbeslag opgeheven onder de opschortende voorwaarde dat ESTG door middel van een bankgarantie van een te goeder naam en faam bekend staande Nederlandse bank zekerheid stelt voor een bedrag van € 533.446,90, met als voorwaarde dat deze bankgarantie kan worden ingeroepen zodra en voor zover de vordering van [gedaagde] op ESTG in een bodemprocedure bij een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis is toegewezen. Op 24 oktober 2016 is de hiervoor bedoelde bankgarantie op verzoek van ESTG door de Rabobank Arnhem en Omstreken afgegeven aan [gedaagde].

2.10.

Bij vonnis van deze rechtbank van 19 april 2017 (C/05/312298 / HA ZA 16-615) heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om van de vorderingen in het incident en in de hoofdzaak kennis te nemen, omdat partijen in de tussen hen gesloten koopovereenkomst “the German Institution of Arbitration” te München als arbitrage-instituut hebben aangewezen.

2.11.

Op 20 juli 2017 heeft de Deutsche Institution für Schiedsgerichtsbarkeit e.V. (DIS) in München een statement of claim ontvangen van [gedaagde], gericht tegen ESTG.

2.12.

Op 27 juli 2017 heeft deze rechtbank aan [gedaagde] verlof verleend tot het leggen van conservatoir derdenbeslag ten laste van ESTG.

2.13.

Op 28 juli 2017 is namens [gedaagde] beslag gelegd onder de Rabobank op de bankrekening van ESTG.

2.14.

Bij brief van 28 juli 2017 heeft de DIS ESTG onder meer het volgende bericht:

“[gedaagde] has filed a Statement of Claim dated 20 juli 2017 against European Solar Technology Group B.V. and paid the initial advance on costs.

The enclosed Statement of Claim was received by the DIS on 20 juli 2017.”

2.15.

In een brief van de Rabobank aan ESTG van 1 augustus 2017 staat ten aanzien van het conservatoire derdenbeslag het volgende vermeld:

“Op 28 juli heeft deurwaarderskantoor Van der Velde, Van Hal & Peers conservatoir beslag gelegd op het tegoed dat ESTG B.V. bij ons heeft. Dit zogeheten ‘derdenbeslag’ is gelegd op verzoek van [gedaagde] Enerji Sanahu ve Ticaret. LTD STI.

Wat valt er onder het beslag?

Op het moment waarop het beslag werd gelegd bij onze bank was er het volgende tegoed:

€ 349.169,46 op rekening NL68 RABO 0169 9698 94.

Het beslag treft het hele tegoed dat aanwezig was op het moment waarop het beslag is gelegd, inclusief de eventuele rente die daarover vergoed wordt. Dit tegoed moeten wij voor de beslaglegger reserveren.”

2.16.

Op 11 augustus 2017 is door [gedaagde] voorts conservatoir beslag gelegd op diverse roerende zaken van ESTG.

3 Het geschil

3.1.

ESTG vordert na wijziging van eis, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    het door [gedaagde] onder de Rabobank gelegde conservatoir derdenbeslag op te heffen, alsmede de door [gedaagde] gelegde beslagen op inventaris van ESTG op te heffen,

  • -

    [gedaagde] te veroordelen in de kosten van dit geding,

  • -

    [gedaagde] te verbieden nieuwe beslagen te leggen op het vermogen van eiseres, op straffe van verbeurte van een dwangsom.

3.2.

[gedaagde] voert gemotiveerd verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Nu [gedaagde] is gevestigd in Turkije dient eerst te worden bezien of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt.

4.2.

Er zijn geen verdragen of verordeningen van toepassing op grond waarvan de rechtsmacht moet worden beoordeeld, zodat deze beoordeling aan de hand van de bepalingen in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dient te geschieden. Aangezien [gedaagde] de rechtsmacht van de Nederlandse rechter niet betwist, komt de Nederlandse rechter in ieder geval op grond van het bepaalde in artikel 9 Rv, welk artikel overeenkomt met artikel 26 lid 1 Herschikte EEX-Verordening, rechtsmacht toe. Er is sprake van een rechtsbetrekking die ter vrije bepaling van partijen staat en voor de rechtsmacht van de Nederlandse rechter is een redelijk belang aanwezig, zodat de voorzieningenrechter bevoegd is kennis te nemen van de vordering.

4.3.

Omdat de gelegde beslagen in Nederland en naar Nederlands recht zijn gelegd, is op de vorderingen van ESTG tot opheffing van die beslagen het Nederlandse recht van toepassing.

4.4.

De bevoegdheid voor de voorzieningenrechter om in kort geding beslagen op te heffen en daaronder valt ook een veroordeling van de beslaglegger om zulks te doen zoals door ESTG is gevorderd, vloeit voort uit artikel 705 lid 1 Rv. Anders dan [gedaagde] betoogt, is een spoedeisend belang als bedoeld in artikel 254 Rv daarvoor niet vereist.

4.5.

Vóórdat wordt toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen van ESTG, dienen allereerst de door ESTG aangevoerde formele verweren tegen de gelegde beslagen te worden beoordeeld. ESTG stelt zich op het standpunt dat de gelegde beslagen vanwege diverse gebreken onmiddellijk dienen te worden opgeheven. De verweren worden hierna afzonderlijk besproken.

4.6.

Allereerst voert ESTG aan dat de Nederlandse rechter relatief en absoluut onbevoegd is om van geschillen aangaande de tussen partijen gesloten koopovereenkomst kennis te nemen omdat Turks recht van toepassing is en bovendien de procedure moet worden beoordeeld door een arbitragegerecht in Duitsland, zodat er in Nederland geen beslag kan worden gelegd.

4.7.

Artikel 700 lid 1 Rv bepaalt dat voor het leggen van conservatoir beslag toestemming is vereist van de voorzieningenrechter van de rechtbank binnen welk rechtsgebied zich een of meer van de betrokken zaken bevinden, dan wel, indien het beslag niet op zaken betrekking heeft, de schuldenaar of degene of een dergenen onder wie het beslag gelegd wordt, woonplaats heeft. Vast staat dat het beslag is gelegd op zaken die zich in Nederland bevinden. Daarmee is gegeven dat er op deze zaken naar Nederlands recht in beginsel beslag kan worden gelegd. Niet relevant is dat er op het onderliggende geschil buitenlands recht van toepassing is of dat de bodemzaak in het buitenland door een arbitragegerecht wordt berecht. De stelling van ESTG op dit punt wordt dan ook verworpen.

4.8.

ESTG stelt zich verder op het standpunt dat het beslag moet worden opgeheven omdat de voorzieningenrechter niet correct en onvolledig is voorgelicht omtrent feiten van het geschil tussen ESTG en [gedaagde]. Zo heeft [gedaagde] volgens ESTG onterecht gesteld dat de door ESTG geconstateerde gebreken niet onderbouwd of bewezen zijn. Ter onderbouwing van deze stelling verwijst ESTG naar hetgeen zij reeds eerder heeft aangevoerd. Daarnaast voert ESTG aan dat de wijze waarop [gedaagde] de zaak doet voorkomen des te laakbaarder is daar er reeds een inhoudelijke procedure tussen partijen heeft plaatsgehad waarin zeer duidelijk het standpunt van ESTG is onderbouwd en heeft ESTG ook recent nog nadere informatie en onderbouwing van haar standpunt aan ESTG doen toekomen. [gedaagde] betwist de stelling van ESTG en voert aan dat [gedaagde] conform artikel 21 Rv heeft gehandeld.

4.9.

Artikel 21 Rv bepaalt dat partijen verplicht zijn de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Het gaat er om de bewuste leugen en het achterhouden en verdoezelen van voor de beslissing relevante feiten uit te bannen, waardoor de rechterlijke beslissing zoveel mogelijk op waarheid berust. ESTG heeft, gelet op de betwisting door [gedaagde], onvoldoende concrete feiten en omstandigheden aangevoerd die de stelling kunnen dragen dat [gedaagde] willens en wetens de feiten onjuist en onvolledig heeft weergegeven om zo onder valse voorwendselen een beslagverlof ter verkrijgen. De stelling van ESTG kan dan ook niet slagen.

4.10.

Dat het beslag is gelegd onder de Rabobank te Amsterdam, terwijl in het beslagrekest de Rabobank te Utrecht is aangeduid en ESTG bankiert bij de Rabobank in Arnhem, levert, anders dan ESTG meent, evenmin een formeel gebrek op. Ingevolge het bepaalde in artikel 50 Rv kan de betekening van een exploot aan een privaatrechtelijke rechtspersoon geschieden aan het kantoor van die rechtspersoon. Het ‘kantoor’ behoeft niet samen te vallen met de statutaire zetel en is de plaats waar het bedrijf feitelijk wordt uitgeoefend. In het kader van derdenbeslag onder een bankinstelling kan betekening geschieden op elk kantoor (hoofdkantoor, bijkantoor, filiaal) van deze instelling, waarbij onverschillig is bij welk kantoor de beslagdebiteur zijn rekening aanhoudt.

4.11.

Buiten haar stellingen in de dagvaarding voert ESTG ter zitting nog aan dat het beslag nietig is dan wel is komen te vervallen, omdat de hoofdzaak bij de DIS in München nog niet aanhangig was op het moment van indiening van het beslagrekest in Nederland op 27 juli 2017 terwijl dit wel zo wordt gesteld in het rekest. Volgens ESTG is op grond van het bepaalde in paragraaf 1025 van de Duitse Zivilprozessordnung (ZPO) het Duitse arbitraal procesrecht op de arbitrageprocedure bij de DIS van toepassing. Omdat paragraaf 1044 ZPO bepaalt dat de procedure aanvangt vanaf de datum dat de ‘respondent’, in casu ESTG, een verzoek heeft ontvangen waaruit blijkt dat overgegaan wordt tot arbitrage en ESTG pas op 1 augustus 2017 bericht heeft ontvangen van de DIS waarbij de Statement of Claim is toegezonden, heeft [gedaagde] volgens ESTG in het beslagrekest ten onrechte gesteld dat de hoofdprocedure reeds op 27 juli 2017 aanhangig was.

4.12.

Ook dit betoog treft geen doel. Er kan van worden uitgegaan dat op de procedure in Duitsland het Duitse arbitraal procesrecht van toepassing is. Ingevolge paragraaf 1044 ZPO begint een arbitrage in Duitsland op de dag waarop de verwerende partij het verzoek (“den Antrag”) heeft ontvangen het geschil voor te leggen aan een arbitrage-instantie. Daarbij gaat het niet om de ontvangst van de claim (“die Klage”), maar louter om het in kennis stellen van de verwerende partij dat de eisende partij de zaak aan een arbitragegerecht wil voorleggen. Tegen die achtergrond heeft in het kader van artikel 700 lid 3 Rv het volgende te gelden. Deze regeling komt er op neer dat conservatoir beslag alleen kan als er een eis in de hoofdzaak is ingesteld of binnen een door de voorzieningenrechter te bepalen termijn wordt ingesteld. De formulering ‘instelling van een eis’ is met opzet ruim gekozen en omvat niet alleen het uitbrengen van een dagvaarding of het indienen van een verzoekschrift, maar ook het aanhangig maken van arbitrage of het aanzoeken van een buitenlandse rechter. Nu onweersproken is dat de DIS op 20 juli 2017 een Statement of Claim heeft ontvangen van [gedaagde], gericht tegen ESTG, mocht [gedaagde] in het rekest van 27 juli 2017 stellen dat er reeds een eis in de zin van artikel 700 lid 3 Rv was ingesteld. Dat strikt genomen naar Duits arbitragerecht de zaak wellicht formeel nog niet aanhangig was omdat ESTG nog niet in kennis was gesteld van Zahits verzoek aan de DIS, maakt dit niet anders, niet alleen omdat niet valt in te zien waarom ESTG hierdoor benadeeld zou kunnen zijn, maar ook omdat deze rechtbank zich bij vonnis van 19 april 2017 onbevoegd heeft verklaard om van de vorderingen in het incident en in de hoofdzaak kennis te nemen omdat partijen in de tussen hen gesloten koopovereenkomst “the German Institution of Arbitration” te München als arbitrage-instituut hebben aangewezen, zodat het voor ESTG reeds op dat moment duidelijk kon zijn dat het geschil in Duitsland aanhangig zou worden gemaakt. Dit alles nog afgezien van het feit dat deze stelling door ESTG voor het eerst ter zitting is opgeworpen, naar [gedaagde] terecht stelt in strijd worden geacht met de goede procesorde.

4.13.

Ook voert ESTG aan dat het beslagexploot op grond van artikel 475 lid 1 sub c jo 720 Rv nietig is omdat het niet vermeldt wat de schuldenaar aan de schuldeisers verschuldigd zou zijn. Afgezien van het feit dat deze stelling eveneens tardief is omdat deze voor het eerst ter zitting is gevoerd, wordt deze verworpen omdat ESTG ten onrechte meent dat het eerste lid van artikel 475 Rv op grond van artikel 720 Rv van overeenkomstige toepassing is. Artikel 720 Rv verklaart enkel het derde lid van artikel 475 Rv, dat een regeling geeft over elektronische betekening van het beslagexploot, van overeenkomstige toepassing. In het beslagexploot kon derhalve worden volstaan met de vermelding van het bedrag waarop de vordering is begroot. [gedaagde] kon daarnaast volstaan met het noemen van de hoofdsom, zoals zij ook heeft gedaan. Anders dan ESTG nog stelt, is het niet verplicht dat zij ook het bedrag begroot waarvoor het beslag wordt toegestaan. Dit kan (ook) geschieden door de voorzieningenrechter, zoals in deze zaak is gebeurd.

4.14.

ESTG stelt zich verder op het standpunt dat [gedaagde] op grond van het bepaalde in artikel 47 lid 2 en artikel 63 Weens Koopverdrag tijdelijk niet bevoegd was om tot beslaglegging over te gaan. Zij voert daartoe aan dat nu [gedaagde] haar verplichtingen uit de koopovereenkomst niet goed is nagekomen, partijen op grond van artikel 47 lid 1 en artikel 63 Weens Koopverdrag het recht toekomt om aanvullende afspraken te maken over hoe alsnog kan worden nagekomen. Volgens ESTG hebben partijen tijdens de hiervoor onder 2.4 genoemde bespreking in München alternatieve afspraken gemaakt over de wederzijdse nakoming, daaruit bestaande dat ESTG een bedrag van € 100.000,00 aan [gedaagde] zou betalen en dat zij haar klachten ten aanzien van de geleverde zonnepanelen op papier zou zetten, hetgeen gebeurd is. ESTG stelt dat op grond van het bepaalde in artikel 47 lid 2 en artikel 63 Weens Koopverdrag gedurende de periode dat de in lid 1 bedoelde aanvullende afspraken gelden geen rechten ter zake van de niet nakoming mogen worden uitgeoefend en dat [gedaagde] in strijd met deze bepaling toch beslag heeft laten leggen.

4.15.

Deze regeling uit het Weens Koopverdrag ziet op de fase waarin partijen onderhandelen over alsnog correcte nakoming door de verkoper aan de koper. Hier was blijkbaar het probleem dat niet helemaal duidelijk was wat exact de klachten van ESTG waren, terwijl ESTG wel haar betalingsverplichting had opgeschort. Dit speelde in de zomer van 2016. Partijen zijn daar toen niet uitgekomen, zo blijkt uit de stukken. Zodra duidelijk is dat een discussie over correcte nakoming niet door partijen is op te lossen, kunnen beide partijen weer stappen ondernemen omdat anders een patstelling zou kunnen ontstaan. Op het moment dat dit beslag werd gelegd, was de situatie waar de artikelen 47 en 63 Weens Koopverdrag op zien, al lang niet meer aan de orde.

4.16.

Omdat de formele verweren tegen de gelegde beslagen niet leiden tot opheffing daarvan, dienen de door ESTG aangevoerde inhoudelijke verweren te worden beoordeeld. Deze zullen hierna afzonderlijk worden besproken.

4.17.

Volgens artikel 705 lid 2 Rv dient het beslag te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is (HR 14 juni 1996, NJ 1997/481). Er zal evenwel beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. De Hoge Raad heeft hier aan toegevoegd dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade.

4.18.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat partijen het kennelijk eens zijn over de toepasselijkheid van het Turks recht op de tussen hen gesloten koopovereenkomst. Nu Turkije partij is bij het Weens Koopverdrag en er sprake is van een internationale handelskoop, kan er gevoeglijk van worden uitgegaan dat ook in Turkije het Weens Koopverdrag het materieelrechtelijk kader geeft voor een internationale handelskoop.

4.19.

Vast staat dat [gedaagde] de door ESTG bestelde zonnepanelen heeft geleverd, dat de betalingstermijn ter zake van deze panelen is verstreken en dat [gedaagde] aldus in beginsel een opeisbare vordering op ESTG heeft.

4.20.

ESTG betoogt dat [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de tussen hen gesloten koopovereenkomst en stelt dat zij zich vanwege deze gebreken op een opschortingsrecht kan beroepen. Aan de zijde van [gedaagde] is volgens ESTG sprake van schuldeisersverzuim, waardoor ESTG niet in verzuim kan raken. De tekortkomingen waar ESTG op doelt, betreffen het niet tijdig leveren van de panelen door [gedaagde] en het ontbreken van de juiste kwaliteitscertificaten aangaande de geleverde panelen waardoor ESTG geen verzekering voor productaansprakelijkheid kan afsluiten. Daarnaast vertonen de panelen kleurverschillen, zijn sommige panelen krom/gebogen als gevolg van ondeugdelijk verpakkingsmateriaal en hebben diverse panelen dezelfde serienummers, waardoor zij niet individueel herkenbaar zijn. ESTG vreest daarom schadeclaims van afnemers. Ook heeft [gedaagde] na het sluiten van de overeenkomst de prijzen verhoogd, aldus ESTG. [gedaagde] betwist op haar beurt de door ESTG gestelde tekortkomingen en betoogt voorts dat ESTG niet tijdig heeft geklaagd over de gebreken.

4.21.

Wat betreft het beroep op opschorting door ESTG geldt het volgende. Het Weens Koopverdrag voorziet slechts in beperkte gevallen in de mogelijkheid tot opschorting. Artikel 58 Weens Koopverdrag voorziet in de opschortingsmogelijkheid van de tegenover elkaar staande betalings- en leveringsplicht. Het bevat de mogelijkheid voor de koper om zijn betaling uit te stellen tot hij gelegenheid heeft gehad de geleverde goederen te controleren. Artikel 71 Weens Koopverdrag biedt de mogelijkheid om de eigen prestatie op te schorten in geval van een dreigende, toekomstige tekortkoming door de wederpartij. De opschortingsregeling van artikel 58 Weens Koopverdrag is in dit geval niet van toepassing omdat [gedaagde] de panelen aan ESTG heeft geleverd en ESTG de panelen reeds heeft doorgeleverd aan derden. Van een nog te verrichten controle kan dan ook geen sprake meer zijn. Ook de regeling van artikel 71 Weens Koopverdrag mist toepassing, omdat in de onderhavige zaak geen sprake is van een dreigende, toekomstige tekortkoming door [gedaagde]. De tekortkomingen van [gedaagde] waar ESTG zich op beroept spelen immers al langer en zijn niet dreigend of toekomstig. Aangezien in het Weens Koopverdrag zelf een regeling met betrekking tot het recht op opschorting is opgenomen, is het Turks nationaal recht met betrekking tot opschorting niet van toepassing. Dit betekent dat nu het ervoor moet worden gehouden dat opschorting op grond van de regeling in het Weens Koopverdrag niet mogelijk is, betwijfeld moet worden of ESTG haar betalingsverplichting kan opschorten. Aldus kan niet worden vastgesteld dat de vordering van [gedaagde] op ESTG als ondeugdelijk moet worden aangemerkt.

4.22.

Ten slotte wordt toegekomen aan een afweging van enerzijds de belangen van ESTG bij opheffing van het beslag en anderzijds de belangen van [gedaagde] bij voortduren van het beslag. Weliswaar is het op zichzelf aannemelijk dat ESTG in haar bedrijfsvoering wordt gefrustreerd, nu het door conservatoire derdenbeslag voor een bedrag van

€ 349.169,46 doel heeft getroffen, maar daar staat tegenover dat zij de panelen reeds heeft doorgeleverd aan derden en daarmee dus omzet heeft gegenereerd en geld naar zich toe heeft weten te halen. Tegelijkertijd moet worden vastgesteld dat de discussie over de deugdelijkheid van de geleverde producten al sinds medio 2016 speelt en dat ESTG sindsdien ook al schermt met de vrees voor schadeclaims van afnemers terwijl niet gesteld of gebleken is dat zich nadien ook daadwerkelijk afnemers tot haar hebben gewend met een claim. Bij die stand van zaken is het alleszins te billijken dat [gedaagde] de door haar gestelde vordering tracht zeker te stellen. De enkele stelling dat ESTG een goedlopend bedrijf is, is onvoldoende ter verzekering van verhaalsmogelijkheden bij opheffing van het beslag. De belangen van [gedaagde] bij handhaving van het beslag wegen naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook zwaarder dan de belangen van ESTG bij opheffing daarvan. Dit betekent dat de vordering tot opheffing van de gelegde beslagen zal worden afgewezen.

4.23.

ESTG zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 618,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.434,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt ESTG in de proceskosten, tot de uitspraak van dit vonnis aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 1.434,00, waarin begrepen € 816,00 aan salaris advocaat.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.M. Vaessen en in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2018.