Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:615

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
14-02-2018
Datum publicatie
15-02-2018
Zaaknummer
C/05/321050 / HZ ZA 17-284
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gescheiden ouders. Vader vervoert dochter van en naar school waar ook revalidatie wordt gegeven op drie dagen.Er is vergoeding voor vervoer van de gemeente. Vader vordert dat moeder zittend ziekenvervoer aanvraagt. O.g.v. art. 2.1 Bzv vordering afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zutphen

zaaknummer / rolnummer: C/05/321050 / HZ ZA 17-284

Vonnis van 14 februari 2018

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. B. Klomp-de Wijk te Nijmegen,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. M.P.L.M. Buijsrogge te Arnhem.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 2 augustus 2017

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 30 oktober 2017

  • -

    de akte na comparitie van [gedaagde]

  • -

    de antwoordakte na comparitie van [eiser].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] en [gedaagde] hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie zijn geboren: [zoon] en [dochter]. Deze (thans minderjarige) kinderen zijn woonachtig bij [gedaagde]. [eiser] en [gedaagde] hebben gezamenlijk gezag over de kinderen.

2.2.

[dochter] is meervoudig beperkt, zowel lichamelijk als geestelijk. Vanwege haar beperkingen heeft zij een speciale school nodig. Na een uitspraak van deze rechtbank van 24 juli 2015 is [dochter] ingeschreven in de speciale school [naam school 1] te [plaats]. [dochter] gaat vijf dagen per week naar deze school. Op gemiddeld 3,5 dag per week krijgt zij tevens op die locatie de door haar benodigde (en geïndiceerde) zorg, waaronder revalidatietherapie.

2.3.

[eiser] verzorgt het vervoer van [dochter]. In genoemde uitspraak heeft deze rechtbank het volgende overwogen:

“De afstand van de woonplaats van [dochter] ([woonplaats]) naar [naam school 1] te [plaats] is groter dan de afstand van [woonplaats] naar [naam school 2] te [plaats] zodat daarmee meer reistijd en reiskosten zijn gemoeid. Daar staat tegenover dat de man ter zitting ondubbelzinnig en onvoorwaardelijk heeft aangeboden dat hij bereid en in staat is [dochter] dagelijks van haar huis op te halen en naar [naam school 1] in [plaats] en weer terug te brengen. Hij heeft daarbij toegezegd dat hij, indien hij door ziekte dan wel om een andere reden niet in staat is die taak op zich te nemen, zelf voor vervanging zal zorgdragen. Bovendien heeft de man toegezegd dat hij de kosten van het vervoer van [dochter] en de eventuele meerkosten boven de vergoeding waarop aanspraak kan worden gemaakt, voor zijn rekening zal nemen. De man zegt deze toezegging gestand te kunnen doen omdat hij voldoende bemiddeld is en geen (betaalde) baan of sollicitatieplicht heeft. Dat alles brengt met zich dat het vervoer naar [naam school 1] met haar vader voor [dochter] minder belastend is doordat zij niet met een busje samen met andere kinderen hoeft te reizen en dat er voor moeder geen extra kosten aan verbonden zijn. (…)
Tenslotte overweegt de rechtbank dat het voordeel van de kortere reisafstand naar [plaats] minder zwaar weegt, nu de minderjarige [dochter], wanneer zij door haar vader wordt gebracht en opgehaald, dagelijks contact heeft met beide ouders en dat de beide ouders op die wijze de zorg voor [dochter] kunnen delen. Dit laatste acht de rechtbank in het bijzonder in het belang van [dochter].”

Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.

2.4.

[eiser] heeft zich tot de rechtbank en vervolgens het gerechtshof gewend met het verzoek [dochter] bij te laten schrijven op zijn zorgpolis. Bij beschikking van 14 november 2017 heeft het gerechtshof hierover overwogen:

“Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de vader via die weg in feite een vergoeding wil ontvangen van de (reis)kosten die hij maakt doordat hij zorg draagt voor het vervoer van en naar de [naam school 1], de door hem gewenste school voor [dochter] in [plaats]. (…)
Gelet op het voorgaande kunnen de stellingen van de vader dat de dagelijkse ritten financieel en qua tijdsbesteding beslag op hem leggen, dat hij niet weet hoe lang hij dit kan volhouden en dat hij het in het belang van [dochter] acht dat zij zoveel mogelijk per taxi van en naar school dan wel therapie (die plaatsvindt op school) wordt vervoerd, niet worden gevolgd. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de vader is gehouden zijn toezeggingen na te komen. De niet nader onderbouwde stelling van de vader dat hij aanspraak kan maken op een vergoeding van (reis)kosten bij zijn eigen zorgverzekeraar indien [dochter] bij hem staat ingeschreven op de zorgpolis, is overigens gelet op de gemotiveerde betwisting door de moeder, onvoldoende aannemelijk geworden.”

3 Het geschil

3.1.

[eiser] heeft gevorderd dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagde] zal veroordelen:
primair

I. om haar medewerking te verlenen aan en alle benodigde handelingen te verrichten voor het met onmiddellijke ingang bij de zorgverzekeraar declareren c.q. aanvragen en laten vergoeden van vervoer per taxi voor [dochter] van haar huis naar school voor de dagen dat zij revalidatietherapie op school heeft, en voorts de daaruit te ontvangen vergoedingen steeds binnen veertien dagen na ontvangst ervan aan [eiser] door te betalen;
althans, indien vervoer per taxi door de verzekeraar geweigerd wordt, al haar medewerking te verlenen en alle benodigde handelingen te verrichten aan het met onmiddellijke ingang bij de zorgverzekeraar declareren c.q. aanvragen en laten vergoeden van de kosten van vervoer van [dochter] per eigen auto van haar huis naar school voor de dagen dat zij revalidatietherapie op school heeft, en voorts de daaruit te ontvangen vergoedingen steeds binnen veertien dagen na ontvangst ervan aan [eiser] door te betalen;

II. medewerking te verlenen aan en alle handelingen te verrichten voor het declareren c.q. aanvragen en laten vergoeden van de reeds door [eiser] gemaakte kosten vanaf 1 augustus 2015 tot aan de datum dat een vergoeding op basis van het onder I gevorderde verkregen wordt, voor het vervoer van [dochter] per eigen auto van haar huis naar school voor de dagen dat zij revalidatietherapie op school heeft, en voorts de daaruit te ontvangen vergoedingen steeds binnen veertien dagen na ontvangst ervan aan [eiser] door te betalen;

III. betaling van een dwangsom van € 100,00 per dag voor elke dag dat zij met het gevorderde onder I en II in gebreke blijft, met een maximum van € 30.000,00.

Subsidiair

om met ingang van 1 augustus 2015, althans met ingang van 28 maart 2017, aan hem te betalen een bedrag van € 72,00, althans van € 24,58 per dag dat [dochter] revalidatietherapie heeft, zijnde de vergoeding waarop [gedaagde] aanspraak kan maken bij de verzekeraar voor de kosten van vervoer van [dochter].

3.2.

Aan zijn vorderingen heeft [eiser] - kort samengevat - ten grondslag gelegd dat er vanuit de basisverzekering recht bestaat op zittend ziekenvervoer naar een zorgverlener per auto. Op de dagen dat [dochter] revalidatietherapie heeft, heeft zij dan ook recht op vervoer. [eiser] verzorgt het vervoer nu zelf. Hij wenst dat het vervoer gedurende drie dagen door een taxi wordt verzorgd, zodat zijn belasting in tijd en geld aanzienlijk minder wordt. Indien geen taxi wordt ingeschakeld, maar een vergoeding wordt toegekend, wordt in elk geval de financiële belasting voor [eiser] minder.

Bij het overeenkomen van de afspraak over de kosten van het vervoer verkeerde men in de wetenschap dat voor deze kosten (gedeeltelijk) recht op vergoeding via de zorgverzekeraar bestaat. De volledige reiskosten willens en wetens voor rekening van [eiser] laten komen, door zonder geldige reden medewerking aan vergoeding via de zorgverzekeraar te weigeren, is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. [eiser] beroept zich in dit verband op artikel 6:248, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Nu [eiser] het vervoer al sinds augustus 2015 voor zijn rekening neemt, dient de vergoeding met terugwerkende kracht te worden aangevraagd en aan hem te worden afgedragen. Aangezien [dochter] op de zorgpolis van [gedaagde] staat, dient zij deze vergoedingen bij haar zorgverzekeraar aan te vragen. Door dit te weigeren handelt zij onrechtmatig jegens hem.

3.3.

[gedaagde] heeft geconcludeerd dat de rechtbank [eiser] niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn vordering, althans de vordering zal afwijzen met veroordeling van [eiser] in de kosten van de procedure.

3.4.

Daartoe heeft zij zich daartoe aangevoerd dat het vervoer (in verband met de therapie van [dochter]) niet voor vergoeding in aanmerking komt, omdat de therapie op school tussen de lesuren door plaatsvindt. Voor het vervoer naar school krijgt [eiser] een vergoeding via de gemeente. Voorts heeft [eiser] ondubbelzinnig en onvoorwaardelijk toegezegd het vervoer voor [dochter] van en naar de school in [plaats] te regelen en de kosten daarvan voor zijn rekening te nemen. Daarbij is een eventuele vergoeding via de zorgverzekeraar niet ter sprake gekomen. Indien [eiser] vervoer per taxi wenst, zijn de kosten daaromtrent voor zijn rekening.

[gedaagde] is niet bereid, en van haar kan niet worden verwacht, de kosten voor vervoer te declareren op haar zorgverzekering. Er is niet voldaan aan de vereisten van de artikel 6:162 dan wel 6:248, lid 2, BW, aldus [gedaagde].

4 De beoordeling

4.1.

Deze zaak gaat over de vraag of [gedaagde] jegens [eiser] verplicht is om haar medewerking te verlenen aan een aanvraag bij haar zorgverzekeraar voor zittend ziekenvervoer ten behoeve van [dochter] op de dagen dat zij revalidatietherapie krijgt. De achtergrond voor dit verzoek is dat [dochter] op de zorgverzekeringspolis van [gedaagde] is bijgeschreven. Daarom kan alleen [gedaagde] een eventuele aanspraak op (vergoeding van kosten van) zittend ziekenvervoer voor [dochter] in het kader van revalidatietherapie geldend te maken. Het belang van [eiser] om de kosten van vervoer van [dochter] van de zorgverzekeraar vergoed te krijgen is gelegen in het feit dat deze kosten voor zijn rekening komen.

4.2.

Vooropgesteld wordt dat de ingestelde vorderingen alleen kunnen worden toegewezen als vast staat dat de vervoerskosten van [dochter] ten behoeve van de revalidatietherapie onder de dekking van de zorgverzekering vallen. Niemand kan immers worden verplicht tot medewerking aan aanvragen die tot niets kunnen leiden.

4.3.

In dit verband heeft [eiser] als bewijs van de mogelijkheid van vergoeding van deze kosten een machtiging zittend ziekenvervoer d.d.14 januari 2013 (productie 2 bij dagvaarding) overgelegd waaruit blijkt dat de kosten eigen vervoer van [dochter] naar UMC Nijmegen, Rijnstate Zevenaar/Arnhem RMC Groot Klimmendaal volgens de polis worden vergoed.

[gedaagde] heeft aangevoerd contact te hebben gehad met haar zorgverzekering en dat haar is gezegd dat dat de kosten van vervoer niet voor vergoeding in aanmerking komen. Zij beschikt niet over schriftelijk bewijs hiervan.

4.4.

Na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, heeft [gedaagde] zich gewend tot haar zorgverzekeraar met de vraag of zij (dan wel [eiser]) in aanmerking kan komen voor vergoeding van de kosten voor zittend ziekenvervoer, omdat [dochter] revalidatietherapie krijgt onder schooltijd. Bij e-mailbericht van 10 november 2017 heeft de zorgverzekeraar (VGZ) aan [gedaagde] onder meer het volgende geschreven: “Ik begrijp uit uw mail dat er al vergoeding wordt gegeven vanuit de gemeente [naam gemeente] voor het brengen en halen naar en van school. Er zijn geen reiskosten aan de therapie verbonden, daar [dochter] de behandeling op de zelfde locatie krijgt. Er is dan geen recht op zittend ziekenvervoer. (…)” Na afwijzing van dit verzoek heeft [gedaagde] om heroverweging verzocht. Bij brief van 28 november 2017 heeft haar zorgverzekeraar hierop als volgt gereageerd: “Op basis van de informatie die u ons gegeven hebt, heeft uw dochter geen recht op vergoeding van het zittend ziekenvervoer. Het vervoer van huis naar school en terug van school naar huis wordt vergoed door de gemeente. Er is bij uw dochter geen sprake van verzorging in een verpleegkundig kinderdagverblijf of kinderzorghuis (intensieve kindzorg).” [gedaagde] heeft hieruit geconcludeerd dat geen vergoeding mogelijk is en dat de vorderingen moeten worden afgewezen.

4.5.

[eiser] heeft aangevoerd dat [gedaagde] niet heeft voldaan aan de opdracht van de rechtbank om een aanvraag in te dienen bij de zorgverzekeraar en bij een afwijzende beslissing op de aanvraag om een heroverweging te vragen. Ze heeft enkel een vraag voorgelegd aan de zorgverzekeraar, maar geen echte aanvraag ingediend.

[eiser] heeft een brief overgelegd van zijn zorgverzekeraar (CZ) met het volgende antwoord:

Vervoer naar Klimmendaal

U schrijft dat [dochter] revalidatiebehandelingen krijgt in het RMC Groot Klimmendaal in Arnhem. U stuurde een kopie van de akkoordverklaring van het IZZ van 14 januari 2013. Zij gaven een akkoordverklaring af voor rolstoelvervoer. Als uw dochter rolstoelafhankelijk is en de revalidatiebehandelingen vergoed worden vanuit de Zorgverzekeringswet dan komt ze in aanmerking voor de vergoeding van zittend ziekenvervoer vanuit de basisverzekering. Als uw dochter niet rolstoelafhankelijk is dan voldoet ze alsnog aan de hardheidsclausule omdat ze drie tot vier keer per week haar behandelingen krijgt. De afstand [woonplaats] naar [plaats] is 44 km enkele reis. (…)

[eiser] stelt op basis van dit antwoord dat vergoeding mogelijk is en dat [gedaagde] nogmaals een aanvraag indient, maar nu op juiste wijze.

4.6.

In de kern spitst dit geschil zich toe tot de vraag of (de kosten van) het vervoer van [dochter] naar haar school [naam school 1] op de dagen dat zij daar revalidatietherapie krijgt, vergoed (kunnen) kan worden vanuit de zorgverzekering. Van belang is dat voor het vervoer van en naar school aan [eiser] een vergoeding wordt betaald door de gemeente [naam gemeente]. Dit aspect heeft [eiser] ten onrechte niet opgenomen in zijn vraagstelling aan de zorgverzekeraar. In feite is sprake van samenloop van wettelijke regelingen die aanspraak geven op vergoeding van kosten van vervoer. De rechtbank overweegt het volgende.

4.7.

Wat betreft de aanspraak gebaseerd op de zorgverzekering zijn artikel 2.1 in samenhang met de artikelen 2.13 en 2.14 Besluit zorgverzekering (Bzv) van toepassing. Dit zijn de artikelen die de inhoud van de zorgverzekering bepalen. Zij beschrijven de te verzekeren prestaties.

4.7.1.

De artikelen 2.13 en 2.14 Bzv geven - voor zover hier van belang - aanspraak op ziekenvervoer per auto van en naar een instelling waarin de verzekerde zorg zal ontvangen waarvan de kosten geheel of gedeeltelijk ten laste van de zorgverzekering komen, ingeval de verzekerde zich uitsluitend met een rolstoel kan verplaatsen. Niet ter discussie staat dat [dochter] rolstoelgebonden is en dat de behandeling van [dochter] door medewerkers van het revalidatiecentrum Klimmendaal zorg is die onder de dekking van de zorgverzekering valt.

4.7.2.

In artikel 2.1 Bzv is bepaald dat de zorg en overige diensten waarop aanspraak bestaat, naar inhoud en omvang zijn omschreven in de artikelen 2.4 tot en met 2.15., met uitzondering van vormen van zorg of diensten die voor de verzekerden kunnen worden bekostigd op grond van een wettelijk voorschrift.

De nota van toelichting bij de wijziging van het Bzv van 15 oktober 2014 geeft een nadere uitleg over de uitzondering in de laatste zin.

“De toevoeging aan artikel 2.1, eerste lid, Bzv, leidt ertoe dat vormen van zorg of overige diensten die op grond van de Wlz, de Jeugdwet, de Wmo 2015 of mogelijke andere wettelijke voorschriften voor de verzekerde kunnen worden gefinancierd, niet onder de dekking van de zorgverzekering vallen. De toevoeging is zo geredigeerd dat duidelijk is dat de zorgverzekering ook niet voorziet in aanvulling van zorg indien een verzekerde van mening is dat hij op grond van een van de hiervoor genoemde wetten of een ander wettelijk voorschrift te weinig zorg krijgt. [onderstreping rechtbank]

(…)

Onder «wettelijke voorschriften» vallen ook gemeentelijke verordeningen inzake de Jeugdwet en de Wmo 2015. Bedoelde «wettelijke voorschriften» hebben geen betrekking op wettelijke voorschriften bij of krachtens de Zvw. De rechten en plichten van de verzekerde vloeien immers voort uit de door hem afgesloten zorgverzekering en niet uit de Zvw.”

4.8.

Uit de toelichting kan worden afgeleid dat als de vergoeding van de gemeente [naam gemeente] voor de kosten van vervoer van en naar school niet toereikend is, geen beroep kan worden gedaan op de zorgverzekering om de kosten van vervoer aan te vullen. Dit verklaart ook dat in het formulier waarmee zittend ziekenvervoer kan worden aangevraagd de vraag is opgenomen “Bestaat er aanspraak op leerlingenvervoer?” Omdat vaststaat dat [eiser] een vergoeding voor het vervoer van en naar school van de gemeente [naam gemeente] voor [dochter] ontvangt, kan hij geen aanspraak maken op een vergoeding zittend ziekenvervoer ten behoeve van [dochter] krachtens de zorgverzekering.

4.9.

De ter zitting aan de orde gestelde vraag of een school met revalidatiefaciliteiten kwalificeert als een instelling in de zin van artikel 2.13 lid 1 sub a Bzv hoeft dan niet meer te worden beantwoord.

4.10.

Omdat geen recht bestaat op vergoeding van de door [eiser] bedoelde vervoerskosten ten laste van de zorgverzekering, kan niet van [gedaagde] worden verlangd haar medewerking te verlenen aan het aanvragen dan wel declareren van die kosten bij haar zorgverzekering. Van enig onrechtmatig handelen is in dit verband dan ook geen sprake. De vorderingen zullen worden afgewezen.

4.11.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht 78,00

- salaris advocaat 1.130,00 (2,5 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.208,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.208,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M. Strens-Meulemeester en in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2018.

CA/St