Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:587

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
09-02-2018
Datum publicatie
09-02-2018
Zaaknummer
05/820077-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verkeersongeval met de dood ten gevolge, schuld in de zin van art 6 WVW wettig + overtuigend bewezen. 6 maanden GS, waarvan 3 maanden voorwaardelijk; 3 jaren OBM, waarvan 2 jaar voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/820077-17

Datum uitspraak : 9 februari 2018

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] , wonende te [adres]

raadsman: mr. R.G.M. Sleutels, advocaat te Nijmegen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 januari 2018.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

Primair

hij op of omstreeks 22 januari 2017 te Nijmegen in de gemeente Nijmegen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), komende uit de richting Wijchen en/of gaande in de richting Nijmegen centrum, daarmee rijdende op de weg, de Graafseweg,

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

terwijl het zicht voor hem, verdachte niet werd beperkt of belemmerd,

met een snelheid ongeveer gelegen tussen de 82 en 94 kilometer per uur, althans met een grotere snelheid dan de aldaar voor hem, verdachte maximaal toegestane snelheid van 50 kilometer per uur over die weg (de Graafseweg) heeft gereden en/of

in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) niet zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte in staat was om dat door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte die weg (de Graafseweg) kon overzien en waarover deze vrij was en/of

gekomen ter hoogte van de kruising van de Graafseweg en de Verbindingsweg met een mobiele een heeft geappt of die mobiele telefoon op andere wijze heeft bediend en/of

niet of in onvoldoende mate heeft gelet of is blijven letten op het direct voor hem, verdachte gelegen weggedeelte van die weg (de Graafseweg) en/of

is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een fiets en/of een bestuurster van die fiets, -welke fietsster doende was om die Graafseweg, gezien zijn, verdachtes rijrichting, van links naar rechts gaande over te steken-, en/of ten gevolge waarvan die bestuurster van die fiets ten val is gekomen,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood en/of

welk feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij, verdachte een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

Subsidiair

hij op of omstreeks 22 januari 2017 te Nijmegen in de gemeente Nijmegen, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), komende uit de richting Wijchen en/of gaande in de richting Nijmegen centrum, daarmee op de weg, de Graafseweg heeft gereden met een snelheid ongeveer gelegen tussen de 82 en 94 kilometer per uur, althans met een grotere snelheid dan de aldaar voor hem, verdachte maximaal toegestane snelheid van 50 kilometer per uur en/of

gekomen ter hoogte van de kruising van de Graafseweg en de Verbindingsweg met een mobiele een heeft geappt of die mobiele telefoon op andere wijze heeft bediend en/of

is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een fiets en/of een bestuurster van die fiets, -welke fietsster doende was om die Graafseweg, gezien zijn, verdachtes rijrichting, van links naar rechts gaande over te steken-, en/of ten gevolge waarvan die bestuurster van die fiets ten val is gekomen,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 22 januari 2017 rond 03.30 uur reed verdachte, als bestuurder van een personenauto, over de Graafseweg in Nijmegen, komende vanuit Wijchen, gaande in de richting van Nijmegen centrum. Ter hoogte van de Verbindingsweg is verdachte tegen een fietser aangereden.2 De bestuurder van de fiets, [slachtoffer] , is ten gevolge van het daardoor ontstane letsel overleden.3 De straatverlichting was op het moment van het ongeval in werking en het was helder en droog weer.4 Het zicht van beide bestuurders werd niet belemmerd.5 Het is niet toegestaan om ter hoogte van de Verbindingsweg op de Graafseweg te fietsen.6 Ter hoogte van de Verbindingsweg is een voetgangersverkeerslicht aanwezig dat dient te worden geactiveerd om de Graafseweg over te steken. Dit verkeerslicht is niet geactiveerd voorafgaande aan het ongeval.7 Het verkeerslicht van verdachte straalde direct voorafgaand aan en ten tijde van het ongeval groen licht uit.8 De maximaal toegestane snelheid op de Graafseweg bedraagt 50 km/u.9

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde. De officier van justitie is van mening dat verdachte zeer onvoorzichtig en onachtzaam heeft gereden.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet heeft veroorzaakt. Hiertoe is aangevoerd dat verdachte voorafgaand aan en op het moment van het ongeval geen App-berichten heeft verzonden en gelezen terwijl hij reed. Volgens de verdediging heeft verdachte op een eerder moment vóór het ongeval, terwijl hij stilstond voor een rood stoplicht, een binnenkomend app-bericht beantwoord. Het feitelijke tijdstip van verzenden van het app-bericht ligt mogelijk eerder dan het tijdstip waarop die verzending blijkens de telefoongegevens is geregistreerd, aldus de verdediging. Daartoe is aangevoerd dat op het moment dat verdachte de verzendknop op zijn telefoon aantoetste mogelijk sprake was van ontbrekende internetverbinding, waardoor het bericht automatisch in een wachtrij geplaatst werd en feitelijk pas verzonden werd op het moment dat de internetverbinding weer tot stand was gekomen. Het geregistreerde tijdstip van verzending zou dan laatstgenoemd moment zijn, en niet het moment waarop verdachte de verzendknop aantoetste. Voorts is aangevoerd dat het mogelijk is dat de verdachte niet of niet goed de verzendknop heeft aangetoetst toen hij voor het rode stoplicht stilstond en dat het bericht is verzonden doordat de telefoon door het ongeval uit de houder is geschoten en tegen geleidend materiaal aan is gevallen, waarbij de verzendknop is aangetoetst. Voorts is aangevoerd dat niet tot de conclusie kan worden gekomen dat de hoge snelheid van verdachte heeft geleid tot het verkeersongeval, omdat de route en snelheid van het slachtoffer niet zijn vastgesteld. De enkele overschrijding van de toegestane snelheid is volgens de verdediging onvoldoende voor een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde.

De verdediging is voorts van mening dat het subsidiair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Hiertoe is aangevoerd dat er geen causaal verband bestaat tussen het te hard rijden door verdachte en het verkeersongeval, nu niet kan worden vastgesteld wat de snelheid van het slachtoffer is geweest.

Beoordeling door de rechtbank

Schuld in de zin van artikel 6 WVW

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) komt het volgens vaste jurisprudentie aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de concrete ernst van de overtreding en de overige omstandigheden van het geval (vgl. HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822). Dat brengt mee dat niet in het algemeen valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van genoemde bepaling. Voorts kan niet reeds uit de aard van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer gedragsregels in het verkeer worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW.

Snelheid

Verdachte wordt kort gezegd verweten dat het ongeval mede is veroorzaakt doordat hij de toegestane snelheid in ernstige mate heeft overschreden.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij normaal reed, met een snelheid van ongeveer 55, hooguit 60 km/u.

Uit de Verkeersongevallenanalyse leidt de rechtbank af dat de snelheid van de auto van verdachte kort voor de botsing heeft gelegen tussen minimaal 82 km/u en maximaal 94 km/u.10

De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat bij een hogere gereden snelheid de mogelijkheid voor de bestuurder van een auto om onverwachte bewegingen van andere verkeersdeelnemers waar te nemen en daarop te anticiperen, afneemt. De kans op (zwaar) lichamelijk letsel bij een botsing tussen een auto en een fietser neemt daarentegen toe naarmate de snelheid van de betrokken auto hoger is. Gezien het bij het slachtoffer geconstateerde letsel en de verklaring van verdachte dat hij het slachtoffer voorafgaand aan de aanrijding niet heeft gezien (hij zag alleen iets in zijn linker ooghoek11), acht de rechtbank dan ook bewezen dat het ongeval mede is veroorzaakt doordat verdachte de toegestane snelheid in ernstige mate heeft overschreden.

De relevantie van het gevoerde verweer dat op basis van het dossier niet is komen vast te staan waar het slachtoffer vandaan kwam, welke route en met welke snelheid zij zou hebben gereden ontgaat de rechtbank gezien het voorgaande volledig. Dit verweer zal dan ook worden gepasseerd.

Gebruik van WhatsApp

Verdachte wordt voorts verweten dat hij tijdens het rijden gebruik heeft gemaakt van WhatsApp of zijn mobiele telefoon op een andere wijze heeft bediend.

Verdachte heeft bij de politie en ook ter terechtzitting verklaard dat hij tijdens het rijden geen WhatsApp bericht heeft verzonden. Hij heeft verklaard dat hij voor het ongeval bij de kruising tussen de Graafseweg en de Neerboscheweg heeft stilgestaan bij een stoplicht en daar een binnengekomen bericht heeft beantwoord.

Uit de Verkeersongevallenanalyse volgt dat verdachte in de nacht van het ongeval om 3:33:01 een Whatsapp-bericht heeft ontvangen met de tekst: ‘Ik ben bij febooo’. Dit bericht heeft verdachte om 3:33:57 uur beantwoord met de tekst ‘Oki is goed ik bijna kkarelp dus ben erzo’.12 Uit de verkeersongevallenanalyse leidt de rechtbank voorts af dat verdachte voor het rode stoplicht heeft stilgestaan op de kruising van de Graafseweg met de Neerboscheweg tussen 3:33:04.6 en 3:33:10.0 uur.13

Op basis van de gegevens van de verkeersregelinstallatie is bepaald dat de botsing heeft plaatsgevonden om 3:33:59 uur (meer specifiek tussen 3:33:59.2 en 3:33:59.4).14 Op basis van de Board Computer Taxi is vastgesteld dat verdachte om 3:34:04 tot stilstand is gekomen.15 Verdachte heeft verklaard dat hij meteen na de aanrijding heeft geremd, terug is gereden en het alarmnummer heeft gebeld.16 Om 3:37.03 uur heeft verdachte met zijn telefoon 112 gebeld.17

De verklaring van verdachte dat hij een Whatsapp-bericht zou hebben beantwoord en verzonden terwijl hij voor het rode stoplicht stond te wachten, komt niet overeen met de in de Verkeersongevallenanalyse vastgestelde tijdstippen. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat verdachte het Whatsapp-bericht heeft verstuurd terwijl hij aan het rijden was en er slechts circa twee seconden tijd zit tussen het verzenden van het Whatsapp-bericht en het moment van aanrijden. Verdachte heeft, met andere woorden, vlak voor het ongeval een Whatsapp-bericht verstuurd. Gelet op het vorenstaande en gelet op de verklaring van verdachte dat hij op een gegeven moment in zijn linkerooghoek iets zag, maar niet wist wat18, acht de rechtbank bewezen dat verdachte niet of in onvoldoende mate heeft gelet of is blijven letten op de weg voor hem.

Uit de Verkeersongevallenanalyse leidt de rechtbank voorts af dat de tijdsregistratie van een verzonden bericht plaatsvindt op het moment dat de drukknop van ‘verzenden’ wordt ingedrukt.19 Het door de verdediging geschetste scenario dat verdachte op het moment van het indrukken van de verzendknop geen internetverbinding zou hebben gehad, waardoor het bericht later is verzonden dan het moment waarop hij voor het rode stoplicht stond, is uit de lucht gegrepen en op geen enkele manier onderbouwd en ook overigens niet aannemelijk. Dit verweer wordt dan ook door de rechtbank verworpen.

De rechtbank verwerpt tevens het tweede door de verdediging geschetste scenario, te weten dat het Whatsapp-bericht als gevolg van en gelijktijdig met de botsing onbedoeld (en zonder handeling van verdachte) is verzonden doordat de telefoon uit de houder viel, al dan niet tegen geleidend materiaal. Ook dit verhaal is uit de lucht gegrepen en niet meer dan een veronderstelling. Het vastgestelde botsmoment komt bovendien niet overeen met het tijdstip van verzending van het Whatsapp-bericht. Het Whatsapp-bericht kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet zijn verzonden door de botsing.

Zeer onoplettend, onvoorzichtig en onachtzaam

Verdachte heeft direct voorafgaand aan het ongeval aanzienlijk harder gereden dan toegestaan en was bezig een app-bericht te sturen. Ieder weldenkend mens moet begrijpen dat appen tijdens het rijden de aandacht afleidt van het verkeer. Iedere seconde die men kijkt naar de telefoon, is er geen zicht op de weg en wat er rondom de auto gebeurt.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte daarmee zeer onoplettend, onvoorzichtig en onachtzaam heeft gereden. Het ongeval is dan ook aan verdachtes schuld te wijten. Roekeloos verkeersgedrag is niet ten laste gelegd. Verdachte is echter ernstig tekort geschoten in de zorgvuldigheid die van hem als bestuurder mocht worden verwacht.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

Primair

hij op of omstreeks 22 januari 2017 te Nijmegen in de gemeente Nijmegen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), komende uit de richting Wijchen en/of gaande in de richting Nijmegen centrum, daarmee rijdende op de weg, de Graafseweg,

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

terwijl het zicht voor hem, verdachte niet werd beperkt of belemmerd,

met een snelheid ongeveer gelegen tussen de 82 en 94 kilometer per uur, althans met een grotere snelheid dan de aldaar voor hem, verdachte maximaal toegestane snelheid van 50 kilometer per uur over die weg (de Graafseweg) heeft gereden en/of

in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) niet zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte in staat was om dat door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte die weg (de Graafseweg) kon overzien en waarover deze vrij was en/of

gekomen ter hoogte van de kruising van de Graafseweg en de Verbindingsweg met een mobiele telefoon heeft geappt of die mobiele telefoon op andere wijze heeft bediend en/of

niet of in onvoldoende mate heeft gelet of is blijven letten op het direct voor hem, verdachte gelegen weggedeelte van die weg (de Graafseweg) en/of

is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een fiets en/of een bestuurster van die fiets, -welke fietsster doende was om die Graafseweg, gezien zijn, verdachtes rijrichting, van links naar rechts gaande over te steken-, en/of ten gevolge waarvan die bestuurster van die fiets ten val is gekomen,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood en/of

welk feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij, verdachte een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Primair:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat de schuldige een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot 6 maanden gevangenisstraf waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Als bijkomende straf is een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 2 jaar waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar geëist.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte dusdanig onder de indruk was van het ongeval dat hij niet meer kon werken en dat tevens zijn rijbewijs en VOG zijn ingetrokken, waardoor hij zijn werk als taxichauffeur niet meer kon uitoefenen. Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte kostwinner is van het gezin, dat hij op dit moment werkzoekende is en aangewezen is op een bijstandsuitkering voor zelfstandigen. Hierdoor heeft de verdachte schulden van reeds € 3.000,- opgebouwd.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 13 december 2017.

Verdachte heeft als bestuurder van een personenauto een verkeersongeval veroorzaakt als gevolg waarvan een ander is te komen overlijden. Het slachtoffer was een jonge arts die aan het begin van haar leven en een veelbelovende carrière stond. Haar partner, familie en vrienden zullen, zoals blijkt uit de slachtofferverklaring van de moeder van het slachtoffer, haar aanwezigheid, warmte en hartelijkheid voor altijd missen. De rechtbank neemt verdachte buitengewoon kwalijk dat hij zijn mobiele telefoon aan het bedienen was door het versturen van een app-bericht tijdens het rijden en dat hij in ernstige mate de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom heeft overschreden. Op verkeersdeelnemers rust een zorgplicht en verdachte is hierin in ernstige mate tekort geschoten. Voor een taxichauffeur geldt als beroepsbeoefenaar bovendien een verhoogde zorgplicht. Verdachte heeft daarmee zijn verantwoordelijkheid ten opzichte van de veiligheid van zijn medeweggebruikers grof veronachtzaamd. Dat het slachtoffer de Graafseweg is overgestoken zonder het voetgangersverkeerslicht te bedienen en af te wachten tot het voor haar groen licht was, doet niets af aan de schuld van verdachte.

In het voordeel van verdachte heeft de rechtbank er rekening mee gehouden dat het ongeluk veel impact op hem gehad heeft en dat hij als gevolg van het gebeurde zijn beroep van taxichauffeur niet meer mag uitoefenen, met alle (financiële) gevolgen van dien voor verdachte en het jonge gezin waarvan hij kostwinner is.

Gelet op het vorenstaande kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt, met dien verstande dat de rechtbank een deel van de straf voorwaardelijk zal opleggen. De rechtbank zal aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van zes maanden waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. Als bijkomende straf zal de rechtbank een ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen voor de duur van 3 jaar. De rechtbank zal hiervan 2 jaar voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van 3 jaar. De rechtbank acht een voorwaardelijke gevangenisstraf en een lange voorwaardelijke rijontzegging van belang als stok achter de deur voor verdachte om hem te bewegen nooit meer tijdens het besturen van een motorrijtuig een mobiele telefoon te bedienen.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b en 14c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9 De beslissing

De rechtbank:

· verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

· verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

· verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

· verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

· veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast;

ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 (drie) jaren;

bepaalt dat van deze bijkomende straf een gedeelte, te weten 2 (twee) jaren, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de verdachte zich voor het einde van voormelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast;

bepaalt dat de tijd gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde ingevolge art. 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip waarop de bijkomende straf ingaat, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van die straf geheel in mindering wordt gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.C. Leemreize (voorzitter), mr. F.J.H. Hovens en mr. T.N. Ritzer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M.P. van der Meulen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 februari 2018.

mr. T.N. Ritzer is buiten staat dit

vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2017034168, gesloten op 15 juli 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal verkeersongevallenanalyse, p. 37 van 41; Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 22 januari 2017, p. 50.

3 Proces-verbaal verkeersongevallenanalyse, p. 38 van 41; Proces-verbaal verkeersongevallenanalyse, p. 39 van 41.

4 Proces-verbaal Verkeersongevallenanalyse, p. 11 van 41.

5 Proces-verbaal Verkeersongevallenanalyse, p. 29 van 41.

6 Proces-verbaal Verkeersongevallenanalyse, p. 7 van 41.

7 Proces-verbaal Verkeersongevallenanalyse, p. 29 van 41.

8 Proces-verbaal Verkeersongevallenanalyse, p. 29 en 37 van 41; Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 22 januari 2017, p. 51; Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 22 januari 2017, p. 55.

9 Proces-verbaal Verkeersongevallenanalyse, p. 7 van 41.

10 Proces-verbaal Verkeersongevallenanalyse, p. 32 van 41; Bijlage Proces-verbaal Analyse van een verkeersdelict op basis van gegevens van een verkeersregelinstallatie, p. 17 van 20; Bijlage Snelheidsberekening op basis van logbestanden uit verkeersregelinstallaties, p. 9 van 10.

11 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 50.

12 Proces-verbaal Verkeersongevallenanalyse p. 35 van 41.

13 Proces-verbaal Verkeersongevallenanalyse p. 38 van 41; Bijlage Proces-verbaal Analyse van een verkeersdelict op basis van gegevens van een verkeersregelinstallatie, p. 18 van 20.

14 Proces verbaal Verkeersongevallenanalyse p. 32 van 41; Bijlage Proces-verbaal Analyse van een verkeersdelict op basis van gegevens van een verkeersregelinstallatie, p. 14 en 15 van 20.

15 Proces-verbaal Verkeersongevallenanalyse p. 31 van 41.

16 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 50.

17 Proces-verbaal Verkeersongevallenanalyse p. 35 van 41.

18 Proces-verbaal van verdachte d.d. 22 januari 2017, p. 50; Verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 26 januari 2018.

19 Proces verbaal Verkeersongevallenanalyse p. 34 van 41.