Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:582

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
14-02-2018
Datum publicatie
15-02-2018
Zaaknummer
C/05/320172 / HZ ZA 17-254
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht. Verzekeraar heeft schade vergoed na brand auto. Verkoper auto wordt aangesproken ex art. 7:962 BW door verzekeraar, omdat de auto bij aflevering non-conform zou zijn. Is niet koem vast te staan. Vordering afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zutphen

zaaknummer / rolnummer: C/05/320172 / HZ ZA 17-254

Vonnis van 14 februari 2018

in de zaak van

de naamloze vennootschap

ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

eiseres,

advocaat mr. L. van den Ham-Leerkes te Apeldoorn,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WENSINK AUTOMOTIVE B.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

gedaagde,

advocaat mr. A. Neophitou te Berghem.

Partijen zullen hierna Achmea en Wensink genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 9 augustus 2017

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 23 november 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Wensink is dealer van het merk Mercedes-Benz. Zij heeft diverse vestigingen in Nederland.

2.2.

Op 3 november 2014 heeft de heer [naam koper] (hierna: [koper] ) een nieuwe auto van het merk Mercedes-Benz, typenummer B-180, kenteken [kentekennummer] (hierna: de auto) aangeschaft bij Wensink, vestiging Emmen. De aankoopprijs bedroeg € 33.500,00.

2.3.

[koper] heeft ten behoeve van de auto een uitgebreide cascoverzekering afgesloten bij Achmea, h.o.d.n. Interpolis.

2.4.

Op 19 augustus 2015 is [koper] met de auto naar het erf van zijn zoon gereden en heeft de auto op dat erf geparkeerd. Kort daarna is brand in de auto ontstaan. Nadat de hulpdiensten zijn gearriveerd, heeft de brandweer de brand geblust. De auto is volledig uitgebrand.

2.5.

Op 1 september 2015 heeft de heer J.L.M. Imhoff, gecertificeerd Deskundige A Brandonderzoek, verbonden aan EMN Forensic, op verzoek van Achmea een technisch sporenonderzoek naar de auto ingesteld. Bij dit onderzoek waren ook aanwezig:

(i) de heer J. Teuben, expert Zwaar Materieel & Techniek, namens Achmea Claims Organisatie;

(ii) de heer R. Mirande, technisch adviseur, namens Mercedes-Benz Nederland B.V.; en

(iii) de heer D. Wolpert, expert verbonden bij Dekra Automobil, namens Mercedes-Benz Nederland B.V.

2.6.

De heer J. Teuben heeft een “Expertiserapport” gedateerd 10 september 2015 ter zake van de brandschade opgesteld (productie 8, dagvaarding). De dagwaarde van de auto was volgens dit rapport op de dag van de brand € 31.000,00 (inclusief btw).

2.7.

Achmea heeft op grond van de verzekeringsovereenkomst met [koper] op 11 september 2015 een schadebedrag van € 31.000,00 aan [koper] betaald.

2.8.

In kader van het in randnummer 2.5. genoemde technisch sporenonderzoek heeft de heer J.L.M. Imhoff een “Rapport Technisch Sporenonderzoek”, gedateerd 9 december 2015, opgesteld (productie 5, dagvaarding). Hierin staat onder meer:

“(…)

Brandoorzaak.

De auto werd voor het onderzoek op een hefbrug geplaatst zodat ook de onderzijde kon worden meegenomen in het onderzoek. Op basis van het aangetroffen brandbeeld (brandverloop, de wijze van inbrandingen, hittegradienten, versmeltingen etc.) werd door alle onderzoekers vastgesteld dat de brand was ontstaan aan de rechterachterzijde of de achterzijde van de auto. (…)

De achterzijde en vooral de kofferbak zijn nader onderzocht. Door de enorme destructie kon de brandhaard/ ontstaansplek van deze brand niet meer worden vastgesteld. Echter gelet op de zware aantastingen, de sporen van extreme warmteontwikkeling en de smelt- en sluitsporen in de bedrading, vooral rechtsachter, ben ik van mening dat het ontstaansplek van deze brand is gelegen in de kofferbak van deze auto. Waarbij een technische oorzaak de meest aannemelijke is.

De heer D. Wolpert liet zich na afloop van het onderzoek ontvallen dat hij zich niet kon voorstellen dat een beginnende brand zich in ongeveer 10 minuten zou kunnen door ontwikkelen tot een uitslaande brand. Dit was mede gebaseerd op eigen testen.
Ik deel deze mening niet, zeker nu vaststaat dat de brand in de auto is ontstaan, verzekerde daar voorafgaand niets van heeft gemerkt en een beginnende brand zich ook in een afgesloten compartiment of deel van de carrosserie kan ontwikkelen voordat er voldoende zuurstof bij komt om tot een vlammende brand over te gaan. Vastgesteld is dat het gebrand heeft in de auto en dat verzekerde tijdens de rit niets heeft gemerkt van storingen en ook geen brandlucht heeft geroken. (…)

5.0.

Analyse oorzaak en conclusie.

Op basis van het ingestelde onderzoek heb ik vastgesteld:

• Dat de auto, zonder dat er problemen waren, werd geparkeerd op eigen terrein, nabij de woning.

• Dat korte tijd na het parkeren de brand werd ontdekt aan/ in de achterzijde van de auto.

• Dat het brandbeeld heeft bevestigd dat de brand is ontstaan aan de achterzijde van de auto.

• Dat een technische oorzaak de meest aannemelijke is.

• Dat de ontstaansplek van de brand, als gevolg van de destructie, niet meer kan worden vastgesteld.

• Dat een van buiten komende oorzaak kan worden uitgesloten.

(…)”

2.9.

Naar aanleiding van het in randnummer 2.5. genoemde technisch sporenonderzoek heeft de heer R. Mirande zijn bevindingen in een verslag neergelegd (productie 5, conclusie van antwoord). Hierin staat onder meer:

“(…)

4 onderzoek.

Na gezamenlijk het totaal voertuig brandbeeld van buiten bekeken te hebben word vastgesteld dat de brand intensiteit rechts achter / achter het hoogst geweest is, dit samen met het verhaal van de klant maakt het geheel kloppend.

Gezien de klant verklaring, en het schade beeld van de auto is er een sterke verdenking dat de brand in het interieur van de auto begonnen is.

Aan de onderzijde van de auto zijn geen afwijkende zaken vast gesteld die wijzen op hitte straling waardoor de brand ontstaan kan zijn.

Vanuit Hr. Wolpert zijn de mogelijke voertuig eigen brandoorzaken nauwkeurig onderzocht waarbij er geen sporen gevonden zijn die een brand veroorzaakt kunnen hebben vanuit een technisch defect. (…)

5 conclusie.

De conclusie luid rond 15.00 uur in de middag:

dat er door de vergaande destructie van het voertuig geen brandoorzaak vastgesteld kan worden. Allen zijn het hier mee eens.

Hr. Wolpert geeft aan dat:

een brand die zich in een zeer kort tijdsbestek zoals hier het geval was,

(5 tot maximaal 7 minuten tussen het parkeren en het openen van het portier) zich niet vanuit het niets tot een uitslaande (naar zuurstof snakkende) brand kan ontwikkelen (die zich bij het openen van het achter portier bijna explosief uitbreidt) vanuit voertuig eigen materialen. (…)

Hr. Imhoff geeft aan van deze stellingname “dat een brand zich binnen dit tijdsverloop niet zo kan ontwikkelen” niet zo zeker te zijn, en haalt voorbeelden aan van woning branden (geen brandvertragende middelen en meer beschikbare zuurstof dus in mijn ogen niet vergelijkbaar)

Hr. Teuben geeft aan gezien deze onenigheid het voertuig op te zullen laten slaan waardoor het voertuig voor eventueel verdergaand onderzoek beschikbaar blijft.

(…)”

2.10.

De heer D. Wolpert heeft naar aanleiding van het technisch sporenonderzoek genoemd in randnummer 2.5. een rapportage gemaakt (productie 3, conclusie van antwoord). Hierin staat onder meer:

“(…)

Het onderzoek naar de oorzaak van de brand is uitgevoerd door middel van de eliminatiemethode. Dit betekent dat de mogelijke oorzaken van de brand worden geëlimineerd om zo de daadwerkelijke oorzaak te kunnen bepalen. (…) Het onderzoek richt zich op een bewijsbare technische oorzaak van de brand.

(…) De in vergelijking met de vooras volledig afgebrande banden en in hoge mate gesmolten velgen van de achteras leiden tot de conclusie dat de grootste brandhaard zich in de achterzijde van het voertuig bevond. Ook de hoge mate van destructie van het achterste deel van de bodem van het voertuig en het bijna volledig vernietigde chassis bij de achteras duiden daarop.

Dit valt met een hoge waarschijnlijkheid te verklaren door de grote hoeveelheid vrijgekomen brandstof die door de thermische gebeurtenis heeft vlamgevat. Door dit schadevoorval is de gehele brandstoftank, op enkele resten na, geheel vernietigd. Door verder onderzoek van het brandstofsysteem zijn met betrekking tot de andere onderdelen van het systeem ook geen onregelmatigheden aan het licht gekomen. Het brandbeeld dat in het kader van het onderzoek van het voertuig is ontstaan, komt overeen met de verklaring van de klant en toont aan dat de primaire brandhaard zich binnen in de auto bevond (…). Ook uit het onderzoek van de reminstallatie kwamen geen defecte onderdelen naar voren die in verband konden worden gebracht met de oorzaak van de schade.

(…) Onderzoek van de motor en de automatische versnellingsbak liet geen typische sporen zien van olielekkage of van mechanische lekkage die als oorzaak van de schade in aanmerking zouden kunnen komen. Er zijn geen sporen gevonden van kortsluiting of versmelting, noch aan de elektrische leidingen in de motorruimte of aan de besturing, noch aan andere elektrische componenten. Ook de (elektrische leidingen van de) startbatterij, de startmotor, de generator en de aanblazer zijn onderzocht. Hier zijn geen onregelmatigheden ontdekt die wijzen op overbelasting of kortsluiting.

Het uitlaatsysteem, de uitlaatgasturbine en de katalysator waren op de juiste plaats gemonteerd en er kon geen onvoorziene uitstoot van uitlaatgassen of andere primaire defecten worden vastgesteld.

(…) Aan de gedeeltelijk schoongebrande elektrische leidingen in het dashboard konden geen sporen van kortsluiting of overbelasting worden vastgesteld. (…)


Zowel rechts achter in de kofferruimte als in de overgangszone van het dak naar de achterklep zijn zeer lokaal sporen gevonden van kortsluiting en afzonderlijke gesmolten koperdraden. Met de marginale sporen van kortsluiting kan echter een schadeveroorzakend defect niet worden onderbouwd; ze zijn veeleer het gevolg van de brand in het voertuig. Tijdens het onderzoek kon worden vastgesteld dat afzonderlijke onderdelen door dit schadevoorval volledig zijn vernietigd of er helemaal niet meer zijn zodat deze niet meer kunnen worden onderzocht op een mogelijke technische oorzaak van schade. (…)

De primaire brandhaard kon tijdens het onderzoek van het voertuig worden teruggebracht tot het achterste deel van het voertuig. Het onderzoek van het voertuig naar de oorzaak van de brand bracht geen feiten aan het licht die wezen op een technisch defect. Een technische oorzaak van de brand kon dan ook niet worden vastgesteld. Desondanks kan aan de hand van de beschrijving en de toegankelijkheid van het blijkbaar niet afgesloten voertuig ook brandstichting - bewust of onbewust - niet worden uitgesloten.”

2.11.

Bij e-mail van 23 mei 2016 heeft Achmea Wensink aansprakelijk gesteld voor de schade die het gevolg is geweest van de brand. Op basis van de dagwaarde wordt een bedrag van € 31.000,00 gevorderd. De e-mail luidt voor zover hier van belang, als volgt:

“(…)

Waarom stellen wij u aansprakelijk?

Wij stellen u aansprakelijk omdat de auto bij uw bedrijf nieuw was gekocht en de auto op het moment van de brand slechts 11 maanden oud. Uit onderzoek is gebleken dat de oorzaak van de brand moet worden gezocht in een technisch mankement aan de auto cq een eigen gebrek. Een van buiten komende oorzaak kan worden uitgesloten. Het door uw bedrijf geleverde product, de auto, voldeed niet aan de eisen die aan een dergelijk product mogen worden gesteld. Wij zijn daarom van mening dat deze schade onder de garantie valt van Mercedes-Benz Nederland, zoals in de Garantiebepaling is omschreven. Ook stellen wij u aansprakelijk voor de aanvullende kosten die zijn ontstaan door het uitbranden van de auto. (…)”

2.12.

Bij e-mail van 26 mei 2016 heeft Wensink aan Achmea meegedeeld dat zij geen aansprakelijkheid erkent voor de schade aan de auto.

3 De vordering

3.1.

Achmea vordert, na vermindering van eis, dat de rechtbank bij uitvoerbaar te verklaren vonnis Wensink veroordeelt

  • -

    tot betaling aan Achmea van het bedrag van € 31.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente telkens vanaf de datum van betaling door Achmea tot aan de dag der algehele voldoening,

  • -

    tot betaling aan Achmea van het bedrag van € 5.195,20, te vermeerderen met de wettelijke rente telkens vanaf de datum van betaling door Achmea tot aan de dag der algehele voldoening,

  • -

    in de kosten van dit geding, waaronder begrepen het verschuldigde griffierecht en het tot aan deze uitspraak begrote bedrag aan salaris van de advocaat, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en indien voldoening niet binnen deze termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, te rekenen vanaf de datum van het vonnis, althans vanaf de veertiende dag na de datum van het vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening,

  • -

    in de nakosten berekend op € 131,00 zonder betekening en verhoogd met € 68,00 in geval van betekening, te voldoen binnen veertien dagen na betekening van het vonnis, en indien voldoening niet binnen deze termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, te rekenen vanaf de datum van het vonnis, althans vanaf de veertiende dag na de datum van het vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening.

3.2.

Achmea legt het volgende aan de vorderingen ten grondslag. Achmea heeft de schade die [koper] heeft geleden vergoed. Volgens Achmea kan de brand in de auto niet anders zijn ontstaan dan door een technisch gebrek aan de auto van [koper] . Wensink heeft een auto geleverd aan [koper] die niet aan de koopovereenkomst beantwoordde en niet de eigenschappen bezat die een koper van een nieuwe auto op grond van de koopovereenkomst mocht verwachten. [koper] heeft daarom een vordering tot schadevergoeding op Wensink op grond van non-conformiteit krachtens artikel 7:17 BW, in samenhang met artikel 6:74 BW. Deze vordering gaat krachtens artikel 7:962 BW bij wijze van subrogatie over op Achmea.

4 Het verweer

4.1.

Wensink verzoekt dat de rechtbank Achmea niet-ontvankelijk verklaart in haar vorderingen, althans haar deze ontzegt, met haar uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling in de kosten van de procedure, waaronder begrepen de nakosten van € 131,00, zonder betekening en verhoogd met € 68,00 in geval van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente krachtens artikel 6:119 BW te rekenen vanaf de veertiende dag na betekening van het vonnis.

4.2.

Wensink betwist dat sprake is van non-conformiteit, dan wel een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst. Volgens Wensink heeft zij geen gebrekkig product aan [koper] geleverd en zijn er geen tekortkomingen aan de auto geconstateerd vanaf de datum van de aflevering tot aan de brand. De oorzaak van de brand kan niet worden vastgesteld, zodat de aansprakelijkheid niet kan worden gegrond op artikel 7:17 BW. Voor zover Wensink aansprakelijk is voor de schade, heeft zij zich op het standpunt gesteld dat Achmea niet tijdig heeft geklaagd over het gebrek in de zin van artikel 7:23 BW.

5 De beoordeling

5.1.

Aan de orde is de vraag of Achmea, de verzekeraar van de auto, die schade heeft uitgekeerd aan [koper] , verhaal kan nemen op Wensink, omdat de brand, volgens Achmea, is veroorzaakt door een technisch gebrek aan de auto.

5.2.

Op grond van artikel 7:962 BW wordt een verzekeraar - voor zover hij schade vergoedt - gesubrogeerd in de vorderingen die de verzekerde ( [koper] ) ter zake van door hem geleden schade heeft op derden (Wensink). Vast staat dat Achmea, al dan niet verplicht, het schadebedrag van € 31.000,00 conform de dagwaarde aan [koper] heeft betaald, zodat Achmea in beginsel het recht van verhaal kan uitoefenen jegens Wensink.

5.3.

Achmea legt aan de gestelde non-conformiteit ten grondslag, dat de auto die Wensink aan [koper] heeft geleverd, niet de eigenschappen bezat die [koper] op grond van de overeenkomst mocht verwachten. Van een nieuwe Mercedes-Benz mag immers worden verwacht, mede gelet op de garantieperiode van 24 maanden na datum aflevering, dat deze niet binnen een jaar na aanschaf spontaan in brand vliegt.

5.4.

Ingevolge artikel 7:17 lid 2 BW beantwoordt een zaak niet aan de overeenkomst indien deze, mede gelet op de aard van de zaak en de mededelingen van de verkoper, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. De koper mag verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet behoefde te twijfelen. Artikel 7:18 lid 2 BW bepaalt dat een zaak vermoed wordt bij aflevering niet aan de overeenkomst te hebben beantwoord, indien de afwijking van hetgeen is overeengekomen zich binnen een termijn van zes maanden na aflevering openbaart. Vaststaat dat deze periode reeds voorbij was, zodat op Achmea de bewijslast rust van het gestelde gebrek bij aflevering.

5.5.

Achmea stelt dat de auto in brand is gevlogen als gevolg van een technisch gebrek aan de auto. Wensink voert ten verwere aan dat niet is komen vast te staan dat de brand zijn oorzaak heeft gehad in een gebrek aan de auto zelf en dat het “Rapport Technisch Onderzoek” (zie randnummer 2.8.) waarop Achmea zich baseert, op dat punt geen uitsluitsel geeft. Dat verweer treft doel.

5.6.

Anders dan Achmea meent volgt uit dit rapport niet zonder meer dat de brand is ontstaan door een gebrek aan de auto zelf. Weliswaar vermeldt de heer J.L.M. Imhoff “dat een technische oorzaak de meest aannemelijke is”, maar die conclusie wordt niet gedragen door de bevindingen van het onderzoek en de conclusie van de twee andere experts die ook aanwezig waren bij het onderzoek. Uit het rapport blijkt dat door de enorme destructie de brandhaard/ontstaansplek van de brand niet meer kon worden vastgesteld en dat feitelijk bewijs verloren is gegaan. De heer J.L.M. Imhoff concludeert dat de brand is ontstaan in de kofferbak van de auto, dat een technische oorzaak de meest aannemelijke is en dat een van buiten komende oorzaak kan worden uitgesloten. Uit niets blijkt hoe de heer J.L.M. Imhoff tot zijn conclusie is gekomen terwijl de heer R. Mirande met betrekking tot de dezelfde feiten en omstandigheden in zijn verslag te kennen heeft gegeven dat “er geen sporen gevonden zijn die een brand veroorzaakt zou kunnen hebben vanuit een technisch defect”. Verder heeft ook de heer D. Wolpert te kennen gegeven dat “het onderzoek van het voertuig naar de oorzaak van de brand geen feiten aan het licht [bracht] die wezen op een technisch defect. Een technische oorzaak van de brand kon dan ook niet worden vastgesteld. Daarbij gaat de heer D. Wolpert zelfs een stap verder door te stellen dat “ook brandstichting kan - bewust of onbewust - niet worden uitgesloten.” Kortom, de stellingen van Achmea worden gemotiveerd betwist terwijl de conclusies van de heer J.L.M. Imhoff naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer uitsluiten dat er een oorzaak, anders dan een technische oorzaak, de brand heeft veroorzaakt. Kortom, voor de vraag of de auto aan de overeenkomst beantwoordde is van essentieel belang of de brand ontstond door een gebrek aan de auto zelf. Dat is niet vast komen te staan. Het beroep op non-conformiteit slaagt daarom niet.

5.7.

Voor zover al zou worden uitgegaan van een technisch gebrek aan de auto, zoals Achmea doet, heeft Achmea onvoldoende specifiek feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat het gestelde technische gebrek ten tijde van de aflevering reeds bestond en niet gedurende de 11 maanden dat de auto in gebruik is geweest bij [koper] , is ontstaan.

5.8.

Omdat de auto niet als non-conform kan worden aangemerkt, is de vordering tot schadevergoeding, waaronder de gevorderde vergoeding van de expertisekosten, niet toewijsbaar. Bij deze stand van zaken behoeven de stellingen van partijen omtrent de klachtplicht geen bespreking.

5.9.

Achmea zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Wensink worden begroot op:

- griffierecht € 1.924,00

- salaris advocaat 1.158,00 (2,0 punten × tarief € 579,00)

Totaal € 3.082,00

6 De beslissing

De rechtbank

6.1.

wijst de vorderingen af,

6.2.

veroordeelt Achmea in de proceskosten, aan de zijde van Wensink tot op heden begroot op € 3.082,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

6.3.

veroordeelt Achmea in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

6.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M. Strens-Meulemeester en in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2018.

RC/St