Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:5797

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
28-03-2018
Datum publicatie
11-09-2020
Zaaknummer
6727731 \ CV EXPL 18-2420
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

arbeidszaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-1091
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaakgegevens 6727731 \ CV EXPL 18-2420 \ 610 \ 32568

uitspraak van

vonnis

in de zaak van

[eisende partij]

wonende te [woonplaats]

eisende partij

gemachtigde mr. W.T. Groeskamp

tegen

de besloten vennootschap ING Bank Personeel B.V.

gevestigd te Amsterdam

gedaagde partij

gemachtigde mr. S. Wehl

Partijen worden hierna [eisende partij] en ING genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 7 maart 2018 met producties

- de conclusie van antwoord met producties

- de conclusie van repliek, tevens akte houdende aanvulling grondslag van eis, met een productie

- de conclusie van dupliek met producties.

2 De feiten

2.1.

[eisende partij] is met ingang van 1 september 1978 in dienst getreden van een rechtsvoorganger van ING. Sinds 1 december 2009 is [eisende partij] wederom in dienst van ING in de functie van IT Chapterlead. Het laatstelijk verdiende loon bedraagt € 7.634,28 bruto per maand.

2.2.

In de brief van oktober 2009 aan [eisende partij] waarin is bevestigd dat de bestaande arbeidsovereenkomst van [eisende partij] van rechtswege overgaat in een arbeidsovereenkomst met ING Personeel VOF, welke brief door [eisende partij] op 3 november 2009 is ondertekend en door hem wordt aangeduid als de arbeidsovereenkomst, staat onder andere:

(…)

ING-cao en personeelsregelingen

Op de arbeidsovereenkomst is de ING-cao van toepassing. Daarnaast gelden binnen ING diverse personeelsregelingen, die opgenomen zijn in de personeelsgids. Bedoelde regelingen maken deel uit van de arbeidsovereenkomst. Wijzigingen en later toegevoegde regelingen in de personeelsgids maken eveneens deel uit van de arbeidsovereenkomst.

(…)

Vervoerplan

ING kent een Vervoerplan waarin de regelingen ten aanzien van de tegemoetkoming reiskosten woon-/werkverkeer zijn vastgelegd. Meer informatie kunt u vinden op de intranetsite Work@ING.

Dit vervoerplan geeft u de mogelijkheid te kiezen uit twee regelingen:

* een OV-jaarabonnement

* een Vergoeding voor Eigen Vervoer (VEV)

(…)

Beëindiging van de vergoedingen

(…)

Bij alle door ING aan u toegekende onkostenvergoedingen geldt dat deze zijn toegekend onder de huidige fiscale regelgeving. Indien daarin wijzigingen optreden, behoudt ING zich het recht voor de bestaande regelingen eenzijdig in te trekken of aan te passen.

(…)”

2.3.

De regeling Binnenlandse dienstreizen is opgenomen in de personeelsgids van ING.

2.4.

In het verslag van de vergadering van de ARCOM (bestaande uit leden van ondernemingsraden binnen ING) van 25 juli 2017 staat, voor zover hier van belang, dat de werkgroep vervoer de afgelopen maanden in gesprek is geweest met de bestuurder, waarbij onder meer is gesproken over de vergoeding van de zakelijke dienstreis. Voorts is daarin opgenomen:

“(…)

4.5

Werkgroep Vervoer

(…)

Zakelijke dienstreis

De bestuurder wil de huidige vergoeding zakelijk dienstreis aanpassen van € 0,29 naar
€ 0,19 onbelast de km. Zo wordt het bedrag in lijn gebracht met de fiscale normen. Het woon-werkverkeer wordt dan niet meer in mindering gebracht op het te declareren bedrag. Zo ontstaan er geen verkapte boekingen meer, wordt het transparant en wordt de fiscale wetgeving gevolgd.

Uit onderzoek is al gebleken dat medewerkers die veel dienstreizen maken er op achteruit kunnen gaan.

(…)

De werkgroep heeft bij een van de leden van het Dagelijks Bestuur COR de wijzigingen besproken en doorgenomen. Zij zijn tot het besluit gekomen dat een goede en tijdige afstemming met de gehele medezeggenschap moet plaatsvinden. Deze werkgroep zal de COR verzoeken in te stemmen met de aanpassingen en deze te laten toelichten door de bestuurder in de eerstvolgende vergadering met de COR.

(…)

2.5.

Per 1 november 2017 is de regeling Binnenlandse dienstreizen gewijzigd. Dit heeft onder meer met zich gebracht dat:

- het woon-werkverkeer niet meer in mindering hoeft worden gebracht op de reiskostenvergoeding;

- de afstand woon-werkverkeer behoeft niet meer in mindering te worden gebracht op de declaratie van de binnenlandse dienstreis;

- de vergoeding van € 0,29 per kilometer voor binnenlandse dienstreizen is verlaagd naar
€ 0,19 per kilometer.

2.6.

In het verslag van de overlegvergadering Centrale Ondernemingsraad (verder COR) van 20 november 2017 staat onder andere:

“(…)

Actiepunten van overleg van 27 september 2017

(…)

Inventarisatie vervoersregeling : is afgerond.

(…)

3 De vordering en het verweer

3.1.

[eisende partij] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

a. a) voor recht verklaart dat de eenzijdige wijziging van de regeling zakelijke dienstreis niet rechtsgeldig is;

b) ING veroordeelt tot betaling van (naar de kantonrechter begrijpt) onbelast € 0,29 per kilometer voor de afgelegde en nog af te legen zakelijke dienstreiskilometers vanaf 1 november 2017 tot aan de dag dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd;

c) ING veroordeelt in de proceskosten.

3.2.

[eisende partij] baseert zijn vordering, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, op de volgende – zakelijk weergegeven – stellingen. ING heeft met ingang van 1 november 2017 de regeling Binnenlandse dienstreizen eenzijdig gewijzigd. ING heeft voor deze wijziging geen rechtsgrond; er zijn geen gewijzigde omstandigheden, er is geen (redelijk) voorstel gedaan aan [eisende partij] en de inhoud van de wijziging is niet redelijk. Het dan ook naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar dat de regeling ongewijzigd was gebleven. Daarnaast heeft ING geen zwaarwichtig belang als bedoelt in artikel 7:613 BW voor de wijziging.

3.3.

ING voert gemotiveerd verweer waarop, voor zover voor de beslissing van belang, hieronder wordt ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De vraag die partijen verdeeld houdt luidt of ING gerechtigd was de regeling Binnenlandse dienstreizen per 1 november 2017 te wijzigingen zoals zij heeft gedaan. Bij de beantwoording van die vraag is van belang of er sprake is van een eenzijdig wijzigingsbeding in de arbeidsovereenkomst.

4.2.

ING stelt zich op het standpunt dat partijen via het incorporatiebeding in de arbeidsovereenkomst zijn overeengekomen dat toekomstige wijzigingen in de personeelsregelingen en personeelsgids doorwerken in de individuele arbeidsovereenkomst. De onderhavige regeling is na indiensttreding van [eisende partij] al eerder gewijzigd. Bovendien valt de wijziging onder het (fiscale)wijzigingsbeding met betrekking tot vergoedingen, zoals opgenomen in de arbeidsovereenkomst. Per 1 januari 2015 is immers de werkkostenregeling (verder WKR) verplicht geworden voor alle werkgevers waardoor ING de vergoeding boven de € 0,19 per zakelijke kilometer moet verantwoorden via de vrije ruimte in de WKR.

4.3.

[eisende partij] stelt op grond van de tekst van de arbeidsovereenkomst (onder Beëindiging van vergoedingen) dat ING enkel in het geval van gewijzigde fiscale wet- en regelgeving eenzijdige wijzigingen aan kan brengen in de arbeidsovereenkomst. Daarnaast stelt [eisende partij] dat er geen wijziging in de fiscale wet- en regelgeving plaats heeft gevonden.

4.4.

De kantonrechter stelt vast dat de regeling Binnenlandse dienstreizen is opgenomen in de personeelsgids van ING en dat ING zich met een wijzigingsbeding de bevoegdheid heeft voorbehouden om daarin wijzigingen aan te brengen, die in de arbeidsverhouding met meerdere werknemers doorwerken.

4.5.

[eisende partij] mocht er, nu hij aan het eenzijdig wijzigingsbeding is gebonden, niet van uitgaan dat hij gedurende zijn gehele dienstverband aanspraak zou kunnen blijven maken op dezelfde wijze van vergoeding van onkosten. Het beding is immers opgenomen om voor de toekomst de mogelijkheid open te laten eenzijdig wijzigingen door te voeren in deze collectief geldende arbeidsvoorwaarde. Omdat er sprake is van een wijzigingsbeding vloeit uit het in artikel 7:613 BW bepaalde voort dat ING uitsluitend een beroep kan doen op dit wijzigingsbeding indien zij bij die wijziging een zodanig zwaarwichtig belang heeft dat het belang van [eisende partij] dat door de wijziging wordt geschaad daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken. De stelplicht (en zo nodig de bewijslast) dat sprake is van een zodanig zwaarwichtig belang rust op het ING. Bij de vraag of sprake is van een zwaarwichtig belang dienen alle omstandigheden van het geval te worden meegewogen.

4.6.

Eerst zal worden vastgesteld wat voor belang [eisende partij] heeft bij instandhouding van de vorige regeling. Hoewel uit de door [eisende partij] overgelegde berekening een bedrag van
€ 992,83 komt, voert [eisende partij] aan dat hij er door de gewijzigde regeling ongeveer € 1.250,00 per jaar op achteruit gaat. ING heeft de berekening van [eisende partij] betwist en voert aan dat verschil € 946,80 per jaar is. De kantonrechter gaat uit van een financieel belang aan de zijde van [eisende partij] van in ieder geval € 946,80.

4.7.

Dan moet worden vastgesteld wat het belang van ING is bij de wijziging. Voor de wijziging van de regeling Binnenlandse Dienstreis heeft ING de volgende gronden aangevoerd:

1. de vergoeding voor zakelijke dienstreis is komt in lijn gesteld met de fiscale wet- en regelgeving (WKR);

2. er wordt tegemoet gekomen aan de wens van werknemers om het declaratieproces te vereenvoudigen;

3. de vrije ruimte van de werkkostenregeling kan nu worden ingezet voor andere vergoedingen/vertrekkingen/beloningen.

Daarnaast heeft ING aangevoerd dat de COR heeft ingestemd met de wijziging, ook nadat een compensatieregeling tot stand was gekomen voor medewerkers die er door de wijziging meer dan € 100,00 per maand op achteruit gingen. Hoewel [eisende partij] er met de nieuwe regeling niet meer dan € 100,00 per maand op achteruit gaat, is ook hem de compensatieregeling aangeboden. Daarbij heeft te gelden dat [eisende partij] er ook voor kan kiezen met het openbaar vervoer binnenlandse dienstreizen te maken, die volledig worden vergoed.

4.8.

[eisende partij] heeft betwist dat er sprake is van een zwaarwichtig belang aan de zijde van ING. Hij betwist ook dat de COR heeft ingestemd met de wijziging van de regeling. Daarnaast voert hij aan dat het in lijn brengen met de fiscale wet- en regelgeving niet verplicht is en deze wet- en regelgeving al sinds 2015 van kracht is. Verder voert hij aan dat de wijzigingen slechts een minimale vereenvoudiging in het declaratieproces tot stand brengt en alle aangevoerde wijzigingen niet noodzakelijk zijn, maar een wens van ING.

4.9.

Vast staat dat er per 1 januari 2015 met de WKR een fiscale wijziging heeft plaatsgevonden op grond waarvan een reiskostenvergoeding tot een bedrag van € 0,19 niet wordt belast. Dat in de arbeidsovereenkomst is opgenomen dat ING zich het recht voorbehoudt bij wijziging van fiscale regelgeving bestaande regelingen ter zake van onkostenvergoedingen eenzijdig in te trekken of aan te passen, leidt er, anders dan [eisende partij] betoogt niet toe dat in geval van wijziging van fiscale regelgeving zo’n wijziging direct moet worden doorgevoerd. Anderzijds is met die wijziging in de WKR wel voldaan aan het in de arbeidsovereenkomst opgenomen nadere voorbehoud. Bovendien blijkt uit de overgelegde stukken dat de medezeggenschap uitvoerig is betrokken bij de totstandkoming van de wijziging. De plaatsvervangend voorzitter van de COR heeft voorafgaande aan de vergadering van 25 juli 2017 een analyse gemaakt van de gevolgen van wijziging in de kostenvergoeding en leaseregeling, waarbij is vastgesteld dat een kleine groep fors wordt geraakt en dat daarvoor een oplossing moet worden gevonden. Uit de door ING overgelegde stukken blijkt dat als actiepunt van het overleg op 16 augustus 2017 is opgenomen: “inzichtelijk maken zakelijke km gevolgen wijzigingen”. Uit de actielijst van 27 september 2017 kan vervolgens worden afgeleid dat er een terugkoppeling heeft plaatsgevonden. Tot slot staat vast dat er een compensatie regeling is vastgesteld voor de medewerkers die er gemiddeld meer dan € 100,00 overeengekomen, tot welke groep [eisende partij] overigens niet behoort. Desalniettemin is die compensatie hem wel gedurende een zeker periode aangeboden.

4.10.

De drie door ING aangevoerde argumenten in samenhang met de betrokkenheid van de COR leiden naar het oordeel van de kantonrechter dan ook tot de slotsom dat er bij ING een dusdanig zwaarwichtig belang aanwezig is bij doorvoeren van de wijziging van de regeling Binnenlandse Dienstreizen dat de individuele belangen van [eisende partij] bij handhaving van de oude situatie daarvoor moet wijken.

4.11.

Voor zover partijen een beroep hebben gedaan op artikel 7:611 BW behoeft dit gezien het vorenstaande geen nadere bespreking meer, omdat er sprake is van een schriftelijk beding als bedoeld in artikel 7:613 BW.

4.12.

Een en ander leidt ertoe dat de gevorderde verklaring voor recht wordt afgewezen.

4.13.

[eisende partij] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten dragen. De gevorderde nakosten zullen worden begroot op een bedrag van € 75,00 zijnde een half salarispunt van het toe te wijzen salaris van de gemachtigde met een maximum van € 100,00, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis. De rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf veertien dagen na de datum van het vonnis.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van ING begroot op € 300,00 aan salaris voor de gemachtigde en € 75,00 aan kosten die na dit vonnis zullen ontstaan, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van het vonnis;

5.3.

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. F.M.Th. Quaadvliet en in het openbaar uitgesproken op