Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:5766

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
17-10-2018
Datum publicatie
15-02-2019
Zaaknummer
NL18.9149
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Pensioenverevening. Vordering vrouw tot afstorting pensioen ex-man toegewezen. Niet voldaan aan vormvereiste artikel 4 WVPS. Daarnaast veroordeling tot afgifte testament op grond van artikel 843a Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2019-0055
PJ 2019/56
PR-Updates.nl PR-2019-0028
JERF Actueel 2019/63
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

_________________________________________________________________ _

RECHTBANK GELDERLAND

Civiel recht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer: NL18.9149

Vonnis van 17 oktober 2018

in de zaak van

[naam eiseres] ,
wonende te [woonplaats eiseres] ,
eiseres, hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. J.D. van Vlastuin te Veenendaal,

tegen

[naam verweerder] ,
wonende te [woonplaats verweerder] ,
verweerder, hierna te noemen: de man,
advocaat mr. M.F.J. Martens te 's-Hertogenbosch.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de procesinleiding van 2 mei 2018

- het verweerschrift van de man van 26 juni 2018

- het proces-verbaal van mondelinge behandeling op 19 september 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn van 15 augustus 1986 tot 31 augustus 2012 met elkaar gehuwd geweest in gemeenschap van goederen.

2.2.

De man is directeur, enig aandeelhouder van [naam bedrijf] (hierna: de holding).

2.3.

Tussen partijen is op 11 juni 2012 een echtscheidingsconvenant overeengekomen. Dit convenant bevat in artikel 6 een regeling ten aanzien van het ouderdoms- en partnerpensioen. Hierin staat, voor zover relevant:

Voor het in eigen beheer opgebouwde pensioen wordt een regeling getroffen na de juridische splitsing van [naam bedrijf]

2.4.

Op grond van het convenant is de holding gesplitst per 31 mei 2012. In dit traject zijn partijen geadviseerd door diverse financieel specialisten.

2.5.

Tijdens het huwelijk van partijen, in 2010, is de vader van de man overleden.

3 de vordering

3.1.

De vrouw vordert dat de man wordt veroordeeld tot het bewerkstelligen dat het aan de vrouw toekomende deel van de door de man binnen de holding opgebouwde pensioenaanspraken zullen worden afgestort bij een externe pensioenverzekeraar.

Daarnaast vordert de vrouw veroordeling van de man tot afgifte van het door zijn vader nagelaten testament. Ten aanzien van beide vorderingen vordert de vrouw dat de man hiertoe wordt veroordeeld op straffe van verbeurte van een dwangsom. Tot slot vordert ze een proceskostenveroordeling.

3.2.

Ter onderbouwing van haar vordering tot het afstorten van het pensioen stelt de vrouw dat de redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen ex-echtgenoten beheersen, meebrengen dat de man dient zorg te dragen voor afstorting bij een externe pensioenverzekeraar. Ze verwijst hiervoor naar het arrest van de Hoge Raad van 9 februari 2007 (ECLI:NL:HR:2007:AZ2658).

3.3.

De man voert gemotiveerd verweer.

4 de beoordeling

Afstorting van het pensioen?

4.1.

De rechtbank stelt het volgende voorop. Vast staat dat de man gedurende het huwelijk pensioenaanspraken heeft opgebouwd, die vallen onder de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (WVPS). Nu de WVPS van toepassing is, kan de vrouw aanspraak maken op de helft van het ten behoeve van de man tijdens het huwelijk opgebouwde ouderdomspensioen, maar ook op het partnerpensioen, zulks op grond van artikel 3a van de WVPS.

4.2.

In artikel 2 lid 2 WVPS is de verplichting opgenomen voor de rechtspersoon waarbinnen het pensioen is opgebouwd, om in de hoedanigheid van pensioenuitvoerder van het eigen beheer pensioen van de directeur grootaandeelhouder het recht op uitbetaling van ouderdomspensioen van de ex-partner te administreren. Deze wettelijke verplichting is door de Hoge Raad aangevuld. In het door de vrouw aangehaalde arrest van 9 februari 2007 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de eisen van redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen ex-echtgenoten beheersen in het algemeen meebrengen dat de tot verevening verplichte echtgenoot die als directeur en enig aandeelhouder de rechtspersoon beheerst waarin de te verevenen pensioenaanspraak is ondergebracht, dient zorg te dragen voor afstorting bij een externe pensioenverzekeraar van het kapitaal dat nodig is voor het aan de andere echtgenoot toekomende deel van de pensioenaanspraak. De beantwoording van de vraag of daarop in een concreet geval aanspraak kan worden gemaakt moet geschieden met inachtneming van alle omstandigheden van het geval (eveneens Hoge Raad 9 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ2658).

4.3.

In deze zaak staat vast dat de holding over voldoende liquide middelen beschikt om de afstorting te kunnen effectueren. Dat staat in deze zaak dus niet aan afstorting in de weg. Ook voor het overige heeft de man geen omstandigheden aangevoerd die aan afstorting in de weg zouden staan. Wel heeft hij aangevoerd dat een nadere afspraak tussen partijen inhoudende dat binnen de holding een apart pensioenpotje voor de vrouw is gecreëerd, aan afstorting in de weg staat. Deze afspraak ligt volgens hem vast in correspondentie. Hierover is in 2014 nog gecorrespondeerd tussen partijen en hun toenmalige advocaten. De discussie is toen gesloten. Als de vrouw hier op terug wil komen, zal zij vernietiging van de nadere afspraken dienen te vorderen, aldus de man.

4.4.

De rechtbank volgt de man niet in zijn betoog. Nog los van de vraag of de gestelde nadere afspraak is gemaakt - de vrouw betwist dit -, staat naar het oordeel van de rechtbank het bepaalde in artikel 4 eerste lid van de WVPS hieraan in de weg. Ingevolge deze bepaling kunnen - kort samengevat - de echtgenoten bij huwelijkse voorwaarden of bij een, met het oog op de scheiding, bij geschrift gesloten overeenkomst afwijken van de standaardverdeling geregeld in artikel 3.

4.5.

Dit vormvereiste is in de wet opgenomen ter bescherming van de tot pensioenverevening gerechtigde echtgenoot, in dit geval de vrouw. Het tussen partijen gesloten convenant behelst geen afwijking van het wettelijk vereveningssysteem, nu hierin slechts bepaald is dat nog een nadere regeling zal worden getroffen. Van een afwijking vastgelegd in de huwelijkse voorwaarden of een bij geschrift gesloten overeenkomst is in dit geval geen sprake. De afspraak zou immers blijken uit correspondentie, maar het betreft niet een door partijen ondertekend stuk zo heeft de man ter zitting verklaard. Aan het vormvereiste dat de wet stelt, is daarmee niet voldaan. Dat artikel 4 WVPS mede een vormvereiste omvat voor afspraken over het al dan niet afstorten van de pensioenaanspraken, is in lijn met de beschermingsgedachte achter die bepaling. Afstorting behelst een vorm van verevening in die gevallen dat sprake is van pensioen in eigen beheer. Het moet niet te eenvoudig zijn om af te wijken van de hoofdregel van verevening en afstorting, omdat dit de tot pensioenverevening gerechtigde echtgenoot aanzienlijk kan benadelen. Deze ziet zich dan geconfronteerd met een pensioenpot die feitelijk wordt beheerst door de ex-echtgenoot. De ex-echtgenoot bepaalt namelijk de gang van zaken binnen de rechtspersoon, waaronder het (beleggings)beleid. Om te voorkomen dat de echtgenoot afhankelijk blijft van dit beleid en van de solvabiliteit van de rechtspersoon die door de ex-echtgenoot wordt bestuurd, dient zij niet al te lichtvaardig afstand te kunnen doen van haar recht op verevening en afstorting van haar pensioenafspraken. Dus zelfs in het geval de nadere afspraak zoals gesteld door de man zou zijn gemaakt, dan nog maakt dit in dit geval niet dat de vrouw heeft berust in de situatie. Omdat niet aan het vormvereiste is voldaan, staat het haar vrij alsnog te verzoeken om afstorting.

4.6.

Gelet op het voorgaande zal de vordering van de vrouw tot afstorting van het haar toekomende deel van de pensioenaanspraken worden toegewezen.

De nalatenschap van de vader van de man

4.7.

Ter onderbouwing van haar vordering tot afgifte van het testament wijst de vrouw op artikel 4.12 van het convenant waarin is opgenomen dat achteraf bekend geworden baten alsnog dienen te worden verdeeld. Ter zitting heeft de advocaat van de vrouw ook een beroep gedaan op het bepaalde in artikel 843a Rv.

4.8.

De man voert aan dat de nalatenschap van zijn vader onderwerp van gesprek is geweest bij de mediator. Er is niet lang bij stil gestaan, omdat de moeder van de man het gebruiksrecht van de nalatenschap had en gezien haar gezondheid en vitaliteit een aanstaande finale verdeling niet snel te verwachten was. Voorts zou de vrouw niet benadeeld worden omdat zij nog een volledige erfenis in zicht had omdat haar beide ouders nog in leven waren. Volgens de man kan de erfenis niet vallen onder de in artikel 4.12 bedoelde achteraf bekend geworden baten, omdat de bate al wel bekend was. Ter zitting heeft de advocaat van de man hieraan toegevoegd dat de vrouw geen belang heeft bij dit stuk.

4.9.

De voorziening van artikel 843a Rv. stelt vier cumulatieve voorwaarden voor toewijzing van een hierop gebaseerde vordering tot afgifte van afschriften of uittreksels van bescheiden:

a. eiser dient een rechtmatig belang bij afgifte of inzage te hebben;

b. het moet gaan om bepaalde bescheiden;

c. die bescheiden moeten zien op een rechtsbetrekking waarin eiser partij is;

d. die bescheiden moeten ter beschikking staan of onder berusting zijn van degene tegen wie afgifte of inzage daarvan wordt gevorderd.

4.10.

Door de man is niet betwist dat aan de voorwaarden b, c en d is voldaan. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw toewijzen, omdat de vrouw in voldoende mate heeft gesteld belang te hebben bij afgifte van het testament. Zij heeft het stuk nodig om op basis daarvan te kunnen beoordelen of zij jegens de man mogelijk ergens aanspraak op kan maken. Dat is in dit stadium voldoende. Of er al dan niet sprake is van een nagekomen bate, speelt bij de beoordeling van de vordering tot afgifte geen doorslaggevende rol.

4.11.

De man heeft geen verweer gevoerd tegen de gevorderde dwangsommen. Deze zullen daarom als onbetwist worden opgelegd. De rechtbank ziet wel redenen om de dwangsommen te beperken en te maximeren.

4.12.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt de man om te bewerkstelligen dat het aan de vrouw toekomende deel van de door hem binnen zijn vennootschap [naam bedrijf] opgebouwde pensioenaanspraken binnen een maand nadat dit vonnis is gewezen, zijn afgestort bij een externe pensioenverzekeraar;

5.2.

veroordeelt de man tot afgifte aan de vrouw van een afschrift van het testament van zijn vader;

5.3.

veroordeelt de man om aan de vrouw een dwangsom te betalen van € 500,-- voor iedere dag dat hij niet aan de in 5.1 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 200.000,-- is bereikt;

5.4.

veroordeelt de man om aan de vrouw een dwangsom te betalen van € 500,-- voor iedere dag dat hij niet aan de in 5.2 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 200.000,-- is bereikt;

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Meijer en in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2018.