Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:5752

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
20-07-2018
Datum publicatie
08-02-2019
Zaaknummer
C/05/336184 / FA RK 18-1213
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek van vader voor terugverhuizing moeder en minderjarige. De moeder heeft alleen het gezag. Doordat de moeder alleen het gezag heeft, zijn de criteria van de Hoge Raad bij een verhuizing bij gezamenlijk gezag niet van toepassing. Aan een beslissing tot verhuizing van de moeder kan slechts in de weg staan dat de belangen van de minderjarige ernstig in het gedrang komen of de ontwikkeling van de banden met de vader ernstig wordt geschaad. Er dient door de rechtbank dan ook geen belangenafweging te worden gemaakt waarbij punten zoals de noodzaak van de verhuizing en de mate waarin de verhuizing door de moeder is doordacht en voorbereid (waar de vader een beroep op doet) aan de orde komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Team jeugdrecht

Zittingsplaats Arnhem

Zaakgegevens: C/05/336184 / FA RK 18-1213

Datum uitspraak: 20 juli 2018

beschikking gezag

in de zaak van

[de vader] (nader te noemen: de vader),

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. I.L. Belshof te Enschede,

tegen

[de moeder] (nader te noemen: de moeder),

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. W. Geersen-Janssen te Enschede.

Het verloop van de procedure

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoekschrift ingekomen ter griffie op 19 april 2018;

- het verweerschrift ingekomen ter griffie op 26 juni 2018.

Ter zitting van 28 juni 2018 zijn gehoord:

- de vader, bijgestaan door mr. I.L. Belshof;

- de moeder, bijgestaan door mr. W. Geersen-Janssen;

- [zittingsvertegenwoordiger] , als zittingsvertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming (nader te noemen: de Raad).

De feiten

Uit de relatie tussen partijen is geboren de minderjarige:

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;


De vader heeft de minderjarige erkend. De moeder is van rechtswege belast met het ouderlijk gezag.

De ouders hebben afspraken gemaakt over een omgangsregeling. [minderjarige] verblijft drie van de vier weekenden per maand van vrijdag tot en met maandagochtend naar school bij de vader.

Het verzoek

De vader verzoekt - na wijziging - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat:

de moeder terug dient te verhuizen naar [eerdere woonplaats] ;

de vader samen met de moeder wordt belast met het ouderlijk gezag;

dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] wordt gewijzigd naar de vader in het geval dat de moeder niet naar [eerdere woonplaats] terug zal verhuizen;

de verhuizing van [minderjarige] uitsluitend mag plaatsvinden tijdens de zomervakantie regio noord 2017-2018 zodat [minderjarige] zijn schooljaar op zijn huidige school kan afronden, dit in het geval de rechtbank het toestaat dat de moeder mag verhuizen;

in geval [minderjarige] hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft, in het kader van een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zal gelden dat de vader contact heeft met [minderjarige] drie van de vier weekenden per maand van vrijdag na schooltijd tot maandagochtend naar school, alsmede gedurende de helft van de feestdagen en vakantieperioden, waarbij de moeder zorgdraagt voor het halen en brengen;

althans een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank in goede justitie acht.

De vader legt aan het verzoek ten grondslag dat de verhuizing niet weloverwogen tot stand is gekomen. De vader is van tevoren niet van de plannen op de hoogte gesteld. De verhuizing heeft ook een negatieve invloed op de omgang tussen de vader en [minderjarige] . Nu de moeder eenhoofdig gezag heeft, heeft zij de vrijheid om te verhuizen maar dit wordt wel begrensd, zoals de rechtbank Oost-Brabant bij beschikking van 24 juli 2014 heeft bepaald (ECLI:NL:RBOBR:2014:4630). Deze vrijheid wordt begrensd door de belangen van de kinderen. De criteria van de Hoge Raad omtrent verhuizingen van ouders met kinderen bij gezamenlijk gezag zijn onverkort van toepassing bij eenhoofdig gezag. De omgang komt sinds het eerste weekend van de verhuizing al in de problemen omdat er discussie is over het halen en brengen. De vader wordt met de verhuizing ook beperkt in het bijwonen van de voetbaltrainingen. Verder is er geen noodzaak voor de moeder om te verhuizen. De moeder stelt dat zij moest verhuizen omdat [de gemeente] het vervoer naar het speciaal onderwijs van de zoon van haar partner niet zou financieren. Dat onderbouwt de moeder echter niet met stukken. Er zijn wellicht ook gemeentes die dichterbij zijn die vervoer naar het speciaal onderwijs kunnen regelen. De moeder heeft ook geen banden en netwerk in [woonplaats] . De omgangsregeling die nu wordt uitgevoerd zijn de ouders in augustus 2017 overeengekomen bij Lindehout bij het traject ‘Ouderschap Blijft’. Deze dient vastgesteld te worden. Het halen en brengen is afhankelijk van de procedure omtrent de kinderalimentatie. In afwachting van een beslissing hierop, dient het halen en brengen tussen de ouders verdeeld te worden. Het zelfstandig verzoek omtrent de kinderalimentatie dient aangehouden te worden, omdat de vader zich gelet op de korte termijn waarop het verzoek is ingediend hiertegen niet kan verweren.

Het verweer en zelfstandig verzoek

De moeder verzoekt bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

1. de verzoeken van de vader af te wijzen;

2. te bepalen dat er een omgangsregeling zal gelden van een weekend per veertien dagen van vrijdag 18.00 uur dan wel zaterdagmorgen tot zondagavond 18.00 uur, alsmede de helft van de vakanties waarbij de vader zorgdraagt voor het halen en brengen van [minderjarige] , dan wel een omgangsregeling in goede justitie te bepalen;

3. te bepalen dat de vader als bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding dient bij te dragen een bedrag van € 150,- per maand telkens bij vooruitbetaling te voldoen, dan wel een bedrag in goede justitie te bepalen.

De moeder heeft ter zitting haar standpunt nader toegelicht. De vader wil dat de moeder terug verhuist, maar zij heeft geen woning meer in [eerdere woonplaats] . Bovendien heeft de moeder het eenhoofdig gezag waardoor zij zonder toestemming van de vader mag verhuizen. Het klopt dat de moeder van tevoren niet heeft overlegd met de vader. Dit verdient inderdaad niet de schoonheidsprijs. De moeder heeft bij [de gemeente] op meerdere manieren geprobeerd om hulp voor de zoon van de partner te krijgen. De enige optie op dit moment was een school voor hem in [plaats] . [de gemeente] biedt hiervoor geen regeling voor het vervoer naar de school. Daarom was de moeder met haar partner genoodzaakt om in [woonplaats] te gaan wonen. Hier wordt het vervoer wel gefinancierd. De omgang tussen [minderjarige] en de vader wordt door de verhuizing ook niet belemmerd. De reisafstand is te overzien. De verzoeken van de vader dienen dan ook afgewezen te worden. [minderjarige] gaat nu in [woonplaats] naar school en heeft hier vriendjes en vriendinnetjes. Een verhuizing terug naar [eerdere woonplaats] is niet in het belang van [minderjarige] . De hoofdverblijfplaats dient niet gewijzigd te worden. Ook moet het verzoek omtrent het gezamenlijk gezag afgewezen te worden omdat het risico bestaat dat [minderjarige] bij gezamenlijk gezag klem of verloren dreigt te raken.

Het standpunt van de Raad

De Raad heeft ter zitting verklaard dat de verhuizing geen grote invloed zal hebben op de omgang tussen de vader en [minderjarige] . Het is van belang dat de door de ouders overeengekomen omgangsregeling wordt nagekomen. De Raad ziet geen contra-indicaties voor gezamenlijk gezag.

De beoordeling

Ten aanzien van de verhuizing

De moeder oefent alleen het gezag uit over de minderjarigen. Het ouderlijk gezag omvat de plicht en het recht van de ouder zijn kinderen te verzorgen en op te voeden. Artikel 1:247 lid 3 Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat het ouderlijk gezag mede omvat de verplichting van de ouder om de ontwikkeling van de banden met de andere ouder te bevorderen. Op grond van artikel 1:377b lid 1 BW rust op de gezagdragende ouder ook de verplichting de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de kinderen en deze te raadplegen over daaromtrent te nemen beslissingen. In artikel 1:377a lid 1 BW is bepaald dat de niet met het gezag belaste ouder het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind heeft.

De moeder heeft in beginsel, aangezien zij alleen het ouderlijk gezag over [minderjarige] heeft, de bevoegdheid om hem naar eigen inzicht te verzorgen en op te voeden. Dit recht omvat ook het kiezen van de woonplaats van [minderjarige] . De moeder draagt daarbij de verantwoordelijkheid voor het geestelijke en lichamelijk welzijn en de veiligheid van [minderjarige] , alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. De bevoegdheden van de moeder worden begrensd door de verplichting om de ontwikkeling van de banden met de vader [minderjarige] te bevorderen. Verder is de moeder gehouden vóór het nemen van een belangrijke beslissing omtrent [minderjarige] de vader te raadplegen.

Ter zitting en in de stukken hebben beide ouders een beroep gedaan op de criteria van de Hoge Raad die van toepassing zijn bij een verhuizing van een ouder met een kind als de ouders gezamenlijk het gezag hebben. Daar is in deze situatie geen sprake van, aangezien de moeder het eenhoofdig gezag heeft. Aan een beslissing tot verhuizing van de moeder kan slechts in de weg staan dat de belangen van [minderjarige] ernstig in het gedrang komen of de ontwikkeling van de banden met de vader ernstig wordt geschaad. Er dient door de rechtbank dan ook geen belangenafweging te worden gemaakt waarbij punten zoals de noodzaak van de verhuizing en de mate waarin de verhuizing door de moeder is doordacht en voorbereid (waar de vader een beroep op doet) aan de orde komen. De argumenten van de vader dat de verhuizing door de moeder onvoldoende is voorbereid en dat de noodzaak ontbreekt, spelen voor de rechtbank dan ook geen rol in de overweging.

De rechtbank zal enkel kijken of de belangen van [minderjarige] door de verhuizing ernstig in het gedrang komen of de ontwikkelingen van de banden met de vader ernstig worden geschaad. Daar is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van. Hoewel de reisafstand tussen de ouders voor praktische moeilijkheden kan zorgen voor wat betreft het halen en het brengen, zal de omgang niet worden beperkt. Bovendien is niet gebleken dat de belangen van [minderjarige] ernstig in het gedrang komen. De moeder woont samen met haar nieuwe partner (en kinderen) in [woonplaats] . [minderjarige] zit hier op een nieuwe school en lijkt zijn draai te hebben gevonden. Niet gebleken is dat hij het niet naar zijn zin heeft in [woonplaats] . De moeder erkent dat zij de vader niet tijdig heeft ingelicht over de verhuizing. Dit is naar het oordeel van de rechtbank niet de juiste gang van zaken, aangezien dit een belangrijke beslissing over [minderjarige] betreft. Dit is voor de rechtbank echter geen reden om te bepalen dat de moeder dient terug te verhuizen. De rechtbank zal gelet op dit alles het verzoek van de vader om te bepalen dat de moeder met [minderjarige] moet terug verhuizen, afwijzen. Dit geldt ook voor het verzoek van de vader om te bepalen dat de verhuizing uitsluitend mag plaatsvinden in de zomervakantie. Dit verzoek is immers achterhaald aangezien de verhuizing al heeft plaatsgevonden.

Ten aanzien van het gezag

Ingevolge artikel 1:253c, eerste lid BW kan de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten.

Indien de andere ouder niet instemt, wordt het verzoek, gelet op artikel 1:253c, tweede lid, BW slechts afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet is te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of indien afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt van de wetgever is dat het gezamenlijk uitoefenen van het gezag door ouders in het belang van hun kinderen is. Slechts indien er sprake is van (één van) de in het tweede lid van artikel 1: 253c BW bepaalde afwijzingsgronden wordt het verzoek afgewezen.

De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende gesteld en gebleken is dat sprake is van één van de afwijzingsgronden. De moeder stelt dat de ouders niet (voldoende) in staat zijn om met elkaar te communiceren en afspraken te maken zonder dat [minderjarige] klem of verloren raakt. De rechtbank volgt de moeder niet in haar standpunt. Uit de stukken is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat de ouders niet in staat zijn om met elkaar te communiceren. Ook is niet gebleken dat afwijzing van het verzoek anderszins in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is. De rechtbank heeft dan ook geen reden om af te wijken van het wettelijk uitgangspunt en zal daarom het verzoek van de vader toewijzen.

Ten aanzien van de hoofdverblijfplaats

Ingeval van gezamenlijke uitoefening van het gezag kan de rechtbank op grond van artikel 1:253a, eerste lid en tweede lid, onder b BW op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan de beslissing omvatten bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft.

De vader heeft verzocht om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem vast te stellen als de moeder niet terug zal verhuizen naar [eerdere woonplaats] . De rechtbank ziet echter geen aanleiding om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] te wijzigen. [minderjarige] heeft feitelijk al jaren zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder omdat hij daar grotendeel van de tijd verblijft. Uit de stukken en de zitting is geen enkel signaal naar voren gekomen dat [minderjarige] niet op zijn plek zit bij de moeder of dat het daar niet goed gaat. De rechtbank wijst dit verzoek van de vader dan ook af.

Ten aanzien van de (wijziging) zorgregeling

Ingeval van gezamenlijke uitoefening van het gezag kan de rechtbank op grond van artikel 1:253a, eerste lid en tweede lid, onder a en b BW op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken omvatten.

De rechtbank zal de zorgregeling zoals de ouders deze bij Lindenhout zijn overeengekomen vastleggen, omdat dit in het belang van [minderjarige] is. Deze zorgregeling loopt al een aantal maanden en de rechtbank heeft geen reden om het contact te beperken, zoals de moeder verzoekt. De vader heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij zijn werktijden zo kan inrichten dat de zorgregeling normaal doorgang kan vinden. Voor de rechtbank is er dan ook geen reden om af te wijken van de door de ouders overeengekomen zorgregeling. Ook vindt de moeder het niet in het belang van [minderjarige] dat hij tot maandag naar school bij de vader verblijft, gelet op de reisafstand. De vader heeft aangegeven dat zij slechts een half uur eerder weg moeten van huis om hem op tijd naar school te brengen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om dit contact te beperken naar de zondagavond.

De rechtbank zal vastleggen dat de vakanties en feestdagen in onderling overleg bij helfte worden verdeeld, nu hiertegen geen verweer is gevoerd en de rechtbank dit in het belang van [minderjarige] acht.

Met betrekking tot het halen en brengen is de rechtbank van oordeel dat dit door de ouders verdeeld dient te worden. Door de verhuizing van de moeder is de reistafstand tussen de ouders vergroot. De rechtbank vindt het redelijk dat beide ouders een aandeel hebben in het halen en brengen. De rechtbank zal bepalen dat de moeder [minderjarige] op de vrijdag 18.00 uur naar de vader brengt en de vader [minderjarige] op maandagochtend naar school brengt. Op deze manier heeft de vader ook contact met de school van [minderjarige] .

Ten aanzien van de kinderalimentatie

Gelet op het feit dat het zelfstandig verzoek omtrent de alimentatie slechts twee dagen voor de zitting is ingediend en de vader zich hiertegen niet heeft kunnen verweren, zal de rechtbank deze zaak afsplitsen onder zaaknummer C/05/339369 / FA RK 18/1982.

De beslissing

De rechtbank

1. bepaalt dat de ouders gezamenlijk belast worden met de uitoefening van het gezag over de minderjarige:

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;

2. stelt vast als regeling ter verdeling van zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders dat de minderjarige:

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;

bij de vader verblijft:

 drie van de vier weekenden per maand van vrijdag 18.00 uur tot maandagochtend naar school, waarbij de moeder [minderjarige] op de vrijdag brengt en de vader [minderjarige] op de maandag naar school brengt;

 de helft van de vakanties en feestdagen (in onderling overleg te bepalen).

3. verklaart de onder 1 en 2 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad;

4. wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.G. Peper, rechter, in tegenwoordigheid van E.M. Beumer als griffier en in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2018.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.