Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:5727

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
26-11-2018
Datum publicatie
18-01-2019
Zaaknummer
343203
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kopje KG 18-403 vs 26/11/18

Retentierecht, vereisten art. 3:290 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/343203 / KG ZA 18-403 / 172/871

Vonnis in kort geding van 26 november 2018

in de zaak van

1. de vennootschap naar Duits recht

[eiser 1] ,

gevestigd te Norderstedt (Duitsland),

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser 2] ,

gevestigd te Nijmegen,

eiseressen,

advocaat mr. J. Meerman te Rotterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 1] ,

gevestigd te Nijmegen,

2. [gedaagde 2],

wonende te Zifflich (Duitsland),

gedaagden,

advocaat mr. P.A.C. van Buul te Nijmegen.

Eisende partijen worden hierna [eiser 1] en Wenckstern Nederland genoemd, gezamenlijk: Wenckstern c.s.

Gedaagde partijen worden hierna [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd,
gezamenlijk: [gedaagde 2] c.s.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 2 november 2018 met producties 1 tot en met 19

  • -

    de brief van 8 november 2018 namens [gedaagde 2] c.s. met de productielijst van producties 1 tot en met 29 (zoals overgelegd als productie 18 bij de dagvaarding) en de aanvullende producties 30 tot en met 33

  • -

    de mondelinge behandeling, gehouden op 12 november 2018

  • -

    de pleitnota van Wenckstern c.s.

  • -

    de pleitnota van [gedaagde 2] c.s.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

Wenckstern c.s. is eigenaar van de (franchise)formule ‘Hot Rod City Tour’.

Dit is een marketing- en verhuurconcept waarbij mini-oldtimers kunnen worden gehuurd om een stadstour te maken, bijvoorbeeld voor een bedrijfsuitje of een vrijgezellenfeest.

2.2.

[eiser 1] is enig aandeelhouder van Wenckstern Nederland en Hot Rod City Tour Nijmegen B.V.

2.3.

[gedaagde 2] wilde deze formule op licentiebasis in de stad Nijmegen gaan exploiteren. Via zijn bedrijf [gedaagde 1] heeft [gedaagde 2] hiertoe op 17 november 2016 een intentieovereenkomst gesloten met [eiser 1] .

2.4.

In dat kader heeft [gedaagde 2] c.s. met ingang van 1 april 2017 een pand gehuurd in Nijmegen.

2.5.

Op 28 juli 2017 zijn partijen een ‘tijdelijke en voorwaardelijke overeenkomst over de overname van de verhuurlocatie in Nijmegen en over het afsluiten van een franchiseovereenkomst’ aangegaan, hierna verder: de voorovereenkomst.

2.6.

In de periode van 1 augustus 2017 tot en met 31 december 2017 heeft [gedaagde 2] op basis van een arbeidsovereenkomst met Hot Rod City Tour Nijmegen B.V. werkzaamheden verricht bestaande uit (het opstarten van) de exploitatie van de formule in Nijmegen.

2.7.

Met een vijftal ‘Übergabeprotokollen’ van respectievelijk 21 augustus 2017, 28 september 2017 en 14 december 2017 heeft Wenckstern c.s. vijftien voertuigen, een
pick-uptruck en een aanhanger (hierna verder: de voertuigen) aan Wenckstern Nederland en Hot Rod City Tour Nijmegen B.V. ter beschikking gesteld. [gedaagde 2] heeft voor de ontvangst van de voertuigen getekend.

Een aantal voertuigen zijn eigendom van [eiser 1] . De overige voertuigen, waaronder de pick-uptruck en de aanhanger, zijn eigendom van Wenckstern Nederland.

2.8.

Omdat partijen voor 1 januari 2018 geen overeenstemming konden bereiken over een franchiseovereenkomst, is de arbeidsovereenkomst van [gedaagde 2] verlengd tot 28 februari 2018.

2.9.

Hoewel [gedaagde 2] c.s. vooruitlopend op een mogelijke overeenstemming over een franchiseovereenkomst een entree-fee van € 35.000,00 aan Wenckstern c.s. heeft voldaan, is ook vóór het aflopen van de verlengde arbeidsovereenkomst geen franchiseovereenkomst door partijen ondertekend.

2.10.

Na 28 februari 2018 heeft [gedaagde 2] c.s. de activiteiten in Nijmegen voortgezet en zijn partijen met elkaar in gesprek gebleven omtrent een mogelijke franchiseovereenkomst. Bij emailbericht van 28 maart 2018 heeft Wenckstern c.s. bevestigd dat tijdens een telefonisch onderhoud aan [gedaagde 2] is toegezegd dat Wenckstern c.s. de lopende kosten van de verhuurlocatie in Nijmegen (zoals bijvoorbeeld huur en nevenkosten) voor de maanden maart 2018 en april 2018 op zich zal nemen.

2.11.

De tussen partijen gevoerde gesprekken hebben uiteindelijk niet geleid tot een door partijen ondertekende franchiseovereenkomst.

2.12.

Met een brief van 19 april 2018 heeft [gedaagde 2] aan Wenckstern c.s. bericht dat hij zijn werkzaamheden per direct neerlegt en iedere samenwerking met Wenckstern c.s. opzegt. Verder heeft [gedaagde 2] aan Wenckstern c.s. verzocht om de afwikkeling van de verhuurlocatie, waaronder het klantcontact over de reeds gemaakte boekingen, op zich te nemen.

2.13.

Bij emailbericht van 26 april 2018 heeft [gedaagde 2] aan Wenckstern c.s. laten weten dat de huurovereenkomst van het pand in Nijmegen is opgezegd.

2.14.

Bij emailbericht van 2 mei 2018 heeft Wenckstern c.s. verzocht om afgifte van de voertuigen in de daarop volgende week.

2.15.

De voertuigen zijn niet geretourneerd en [gedaagde 1] heeft bij Wenckstern Nederland een bedrag van € 6.752,00 aan ‘stallingskosten mei 2018’ in rekening gebracht.

2.16.

Bij brief van 9 mei 2018 heeft de gemachtigde van Wenckstern c.s. gereageerd. Volgens Wenckstern c.s. houdt [gedaagde 2] de voertuigen onrechtmatig onder zich en Wenckstern c.s. maakt bezwaar tegen de door [gedaagde 2] c.s. in rekening gebrachte opslagkosten.

2.17.

Op 17 mei 2018 heeft Wenckstern c.s. [gedaagde 2] gemaild met de mededeling dat zij de voertuigen 29 mei 2018 dan wel 30 mei 2018 wil komen afhalen.

2.18.

Daarop heeft [gedaagde 2] bij brief van 22 mei 2018 aan Wenckstern c.s. laten weten dat zij de voertuigen op 30 mei 2018 kon komen ophalen mits een correcte financiële afwikkeling had plaatsgevonden.

2.19.

Bij brief van 13 juni 2018 heeft [gedaagde 2] dit verzoek herhaald. Verder schrijft [gedaagde 2] dat hij bij gebreke van een regeling zich genoodzaakt ziet de goederen, waaronder de voertuigen, over te dragen aan derden omdat het pand in Nijmegen wegens beëindiging van de huur in mei 2018 ontruimd moet worden.

2.20.

Op diezelfde datum heeft [gedaagde 1] aan Wenckstern Nederland een herinnering gestuurd voor het gefactureerde bedrag van € 6.752,00 aan ‘stallingskosten mei 2018’, alsmede heeft [gedaagde 1] een bedrag van € 7.079,00 aan ‘transport- en stallingskosten juni 2018’ bij Wenckstern Nederland in rekening gebracht.

2.21.

Bij brief van 19 juni 2018 heeft Wenckstern c.s. gereageerd op de brieven van [gedaagde 2] van 19 april 2018, 22 mei 2018 en 13 juni 2018. Wenckstern c.s. maakt in deze brief aanspraak op teruggave van de voertuigen en houdt [gedaagde 2] c.s. aansprakelijk voor alle door Wenckstern c.s. geleden en nog te lijden schade. Daarbij schrijft Wenckstern c.s. dat zij niet inziet waarom zij een financieel voorstel aan [gedaagde 2] zou moeten doen nu hij degene is geweest die de samenwerking heeft beëindigd.

2.22.

Namens Wenckstern c.s. is op 20 juli 2018 aangifte gedaan van verduistering van de voertuigen.

3. Het geschil

3.1.

Wenckstern vordert samengevat - op verbeurte van een dwangsom afgifte van vijftien voertuigen, één pick-uptruck en een aanhanger.

3.2.

[gedaagde 2] voert gemotiveerd verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Nu [eiser 1] een rechtspersoon is naar buitenlands recht en de vordering uit dien hoofde een internationaal karakter draagt, dient allereerst de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vordering kennis te nemen.

4.2.

De voorzieningenrechter beantwoordt die vraag bevestigend en wel op grond van artikel 4 van de in deze zaak toepasselijke Verordening (EU) nr. 1215/2012 (EEX-Vo 2012), nu één van de gedaagden, [gedaagde 1] , statutair in Nederland gevestigd is.

4.3.

Verder hebben partijen tijdens de mondelinge behandeling te kennen gegeven dat zij nadrukkelijk hebben gekozen voor de toepasselijkheid van het Nederlandse recht.

4.4.

Het spoedeisend belang van de Wenckstern c.s. bij haar vordering vloeit voort uit haar stelling dat [gedaagde 2] c.s. de voertuigen, die eigendom zijn van Wenckstern c.s., dreigt over te dragen aan derden. Dit terwijl Wenckstern c.s. de voertuigen voor de exploitatie van city tours in Duitsland wenst te gebruiken.

4.5.

Wenckstern c.s. vordert afgifte van de voertuigen op grond van artikel 5:2 BW (revindicatie). Tussen partijen is niet in geschil dat de voertuigen eigendom zijn van Wenckstern c.s.

4.6.

Uitgangspunt is dat [gedaagde 2] c.s. de voertuigen aan Wenckstern c.s. moet afgeven, hetgeen [gedaagde 2] c.s. tijdens de mondelinge behandeling ook heeft erkend, tenzij [gedaagde 2] c.s. zich kan beroepen op een beter recht of een beschermingsbepaling.

[gedaagde 2] c.s. beroept zich in dat kader kennelijk op een retentierecht. Op vragen van de voorzieningenrechter wanneer, op welke wijze en op welke gronden het retentierecht zou zijn ingeroepen, blijft [gedaagde 2] c.s. in vaagheden steken. Wenckstern c.s. betwist dat haar duidelijk was dat [gedaagde 2] c.s. zich op een retentierecht beroept. [gedaagde 2] c.s. wijst op de brief van 22 mei 2018 (zie 2.18.) waarin staat dat Wenckstern c.s. de voertuigen op 30 mei 2018 kan ophalen mits de samenwerking financieel correct is afgehandeld. Mede in het licht van de daarop volgende brieven van [gedaagde 2] , kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet gezegd worden dat [gedaagde 2] zich duidelijk op een retentierecht heeft beroepen. In zijn brief van 13 juni 2018 heeft [gedaagde 2] immers geschreven dat hij bij gebreke van een financiële regeling de voertuigen aan derden zal verkopen (zie 2.19.). Dit vervreemden van goederen die eigendom zijn van een ander is niet het uitoefenen van een retentierecht waarbij iemand de goederen van een ander onder zich houdt tot die ander aan haar verplichtingen heeft voldaan. [gedaagde 2] c.s. wijst er verder op dat Wenckstern c.s. in haar dagvaarding zelf stelt dat zij uit de producties van [gedaagde 2] c.s. heeft begrepen dat [gedaagde 2] c.s. zich op een retentierecht beroept. Wenckstern c.s. betwist dat zij een beroep op een retentierecht heeft erkend.

4.7.

Indien veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat het Wenckstern c.s. kenbaar was dat [gedaagde 2] zich op een retentierecht beroept, is de vraag of [gedaagde 2] een retentierecht toekomt.

Voor een geslaagd beroep op een retentierecht is ingevolge artikel 3:290 BW vereist dat [gedaagde 2] c.s. (a) ten tijde van de uitoefening van het retentierecht de feitelijke macht had over de voertuigen, (b) een opeisbare vordering heeft op Wenckstern c.s. en dat (c) een samenhang bestond tussen de vordering en de verplichting van [gedaagde 2] c.s. om de voertuigen weer in de macht van Wenckstern c.s. te brengen. Dit is een uitwerking van het algemene opschortingsrecht.

4.8.

Hoewel tussen partijen niet ter discussie lijkt te staan dat [gedaagde 2] de feitelijke macht over de voertuigen heeft, is de vraag of sprake is van een opeisbare vordering van [gedaagde 2] c.s. die bovendien voldoende samenhang heeft met de verplichting tot teruggave van de voertuigen. [gedaagde 2] c.s beroept zich op artikel 6:80 lid 1 BW en voert aan dat de opeisbaarheid van zijn vordering gegeven is nu bij voorbaat duidelijk is dat de schuldenaar zal tekortschieten in de nakoming van haar betalingsverplichtingen. Volgens [gedaagde 2] c.s. blijkt uit de reacties van Wenckstern c.s. op zijn verzoek om tot een financiële afwikkeling te komen en uit de dagvaarding dat Wenckstern c.s. niets zal gaan betalen. De voorzieningenrechter kan [gedaagde 2] c.s. hierin niet volgen. Uit het emailbericht van 28 maart 2018 blijkt immers dat Wenckstern c.s. heeft toegezegd de kosten over de maanden maart 2018 en april 2018 te zullen vergoeden (zie 2.10.) en deze bereidheid heeft Wenckstern c.s. tijdens de mondelinge behandeling herhaald. Gelet hierop is voorshands niet aannemelijk dat bij voorbaat al duidelijk is dat Wenckstern c.s. te kort zal schieten in de nakoming van eventueel op haar rustende (betalings)verplichtingen zodat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 6:80 lid 1 BW. De vraag blijft dus voorliggen of sprake is van een opeisbare vordering die voldoende samenhang vertoont met de verplichting tot teruggave van de voertuigen.

4.9.

[gedaagde 2] c.s. claimt dat hij nog ongeveer € 90.000,00 tot € 100.000,00 van Wenckstern c.s. zou moeten krijgen als financiële afwikkeling van de beëindigde samenwerking. Wenckstern c.s. betwist dit. Met uitzondering van de toezegging van Wenckstern c.s. om de lopende kosten over de maanden maart 2018 en april 2018 te voldoen en de weigering om de facturen betreffende de stallingskosten e.d. over mei en juni 2018 met een totaalbedrag van € 13.831,00 te betalen, heeft [gedaagde 2] c.s. zijn stelling niet nader geconcretiseerd en onderbouwd. Zoals hiervoor reeds is overwogen heeft Wenckstern c.s. toegezegd de lopende kosten over de maanden maart 2018 en april 2018 te voldoen. Hoewel tijdens de mondelinge behandeling is verklaard dat de huur ongeveer € 1.500,00 per maand bedroeg, heeft [gedaagde 2] zijn stelling dat het om tienduizenden euro’s aan kosten per maand ging, verder niet onderbouwd. Onduidelijk is derhalve gebleven in hoeverre het niet afgeven van voertuigen met een veel hogere waarde dan de huur te rechtvaardigen is. Volgens Wenckstern c.s. vertegenwoordigen de voertuigen een waarde van meer dan € 200.000,00. De stallingskosten over mei 2018 en juni 2018 vloeien voort uit de uitoefening van het gepretendeerde retentierecht en zijn evenmin kosten die opschorting van de afgifte van de voertuigen rechtvaardigen.

4.10.

Dan resteert de stelling van [gedaagde 2] c.s. dat hij een entree-fee van € 35.000,00 onverschuldigd heeft betaald aan Wenckstern c.s. omdat uiteindelijk geen franchiseovereenkomst tot stand is gekomen. Wenckstern c.s. betwist dat zij dat bedrag moet terugbetalen.

Vast staat dat in artikel 7 van de voorovereenkomst van 28 juli 2017 (zie 2.5.) is bepaald dat [gedaagde 2] voor de mogelijkheid om een franchiseovereenkomst te sluiten een entree-fee zal betalen van € 35.000,00. Als de franchiseovereenkomst tot stand komt, zal deze
entree-fee volgen artikel 7 worden verrekend met de franchise-fee. Verder bepaalt het artikel dat de entree-fee niet kan worden teruggevorderd als het afsluiten van de franchiseovereenkomst onmogelijk wordt om redenen die Wenckstern c.s. niet zijn te verwijten of indien het franchisecontract niet door [gedaagde 2] wordt uitgeoefend. Op basis van de door [gedaagde 2] gegeven toelichting over het niet tot stand komen van de franchiseovereenkomst en gezien zijn brief van 19 april 2018 (zie 2.12.) kan voorshands niet worden geoordeeld dat het (volledig) aan Wenckstern c.s. te wijten is dat de franchiseovereenkomst door partijen niet is ondertekend. Voorshands is dan ook onvoldoende aannemelijk geworden dat [gedaagde 2] aanspraak kan maken op terugbetaling van € 35.000,00.

4.11.

Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de slotsom dat voorshands niet gebleken is van een opeisbare vordering van [gedaagde 2] c.s. op Wenckstern c.s. die voldoende samenhangt met de verplichting tot teruggave van de voertuigen. Ook al moet wellicht nog het een en ander tussen partijen worden afgerekend, aan [gedaagde 2] c.s. komt voorshands geoordeeld geen retentierecht toe.

4.12.

Omdat [gedaagde 2] c.s. zich niet kan beroepen op een retentierecht, is hij verplicht tot teruggave van de voertuigen. De vordering van Wenckstern c.s. tot afgifte van de in de dagvaarding genoemde voertuigen wordt dan ook toegewezen.

4.13.

De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als hierna bepaald.

4.14.

[gedaagde 2] c.s. zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Wenckstern c.s. worden begroot op:

- dagvaarding € 98,01

- griffierecht 626,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 980,00

Totaal € 1.704,01

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde 2] c.s. tot afgifte van de in de dagvaarding genoemde voertuigen alsmede tot afgifte van de pick-uptruck en de aanhanger,

5.2.

veroordeelt [gedaagde 2] c.s. hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan Wenckstern c.s. een dwangsom te betalen van € 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de in 5.1. uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 200.000,00 is bereikt,

5.3.

veroordeelt [gedaagde 2] c.s. hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van Wenckstern c.s. tot op heden begroot op € 1.704,01,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.W. Huijgen en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2018.

Coll: PM