Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:5578

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
21-12-2018
Datum publicatie
04-02-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 3458
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2020:74, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor het ophogen van een weiland op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder b, Wabo (aanlegvergunning). Het weiland is gelegen in een gebied dat door de provincie is aangewezen als weidevogelgebied.

Het college van gedeputeerde staten (GS) heeft beroep ingesteld bij de rechtbank tegen de aanlegvergunning. Volgens GS wordt door de ophoging het weidevogelgebied aangetast, zodat de aanlegvergunning had moeten worden geweigerd. GS betoogt voorts dat zij had moeten worden gevraagd om een verklaring van geen bedenkingen te verlenen op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb).

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college van burgemeester en wethouders (B&W) zich op het standpunt kunnen stellen dat de natuurwaarden op het perceel niet blijvend onevenredig worden geschaad.

Uit de quickscan volgt verder dat door het ophogen van gronden en het aanleggen van natuurvriendelijke oevers nesten (kunnen) worden vernield of beschadigd, en beschermde vogels (kunnen) worden verstoord. Een overtreding van artikel 3.1, tweede en vierde lid, Wnb kan echter worden voorkomen door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren.

Naar het oordeel van de rechtbank hoeft in dat geval geen vvgb te worden gevraagd, maar dan moet in de aanlegvergunning wel met een voorschrift zijn geborgd dat de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaatsvinden. Dit heeft het college van B&W nagelaten. Omdat de ophoging reeds heeft plaatsgevonden laat de rechtbank de rechtsgevolgen in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/3458

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 december 2018

in de zaak tussen

het college van gedeputeerde staten van de provincie Gelderland, eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Neder-Betuwe, verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Maatschap [derde belanghebbenden], te Ochten. (hierna: de maatschap)

(gemachtigde: [naam 1] )

Procesverloop

Bij besluit van 8 maart 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder aan de maatschap een omgevingsvergunning verleend.

Bij besluit van 16 mei 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard, onder aanvulling van de motivering van het besluit.

Eiser heeft beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De maatschap heeft een reactie ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2018. Namens eiser zijn verschenen mr. P.F.H.A. Tillie, [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T. Akkermans en J. Rozema.

Namens de maatschap zijn verschenen [derde belanghebbenden] , bijgestaan door gemachtigde [naam 1] .

Overwegingen

1. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

2. De maatschap exploiteert een agrarisch bedrijf met ongeveer 200 schapen en 1300 geiten op het perceel [adres] te [plaats 1] en is tevens eigenaar van kadastraal perceel sectie F, nummer 423 aan de [plaats 2] . Dit perceel grasland van 1,59 hectare ligt in het [plaats 3] . Het perceel is in het bestemmingplan “Buitengebied Dodewaard en Echteld” (hierna: het bestemmingsplan) bestemd als “Agrarisch met waarden – 2” met de gebiedsaanduiding “weidevogelgebied”.

Op 19 januari 2017 heeft een toezichthouder van verweerder geconstateerd dat op het perceel grond werd aangebracht. Verweerder heeft deze werkzaamheden bij besluit van 20 januari 2017 stilgelegd op de grond dat voor het aanbrengen van grond een omgevingsvergunning (hierna: aanlegvergunning) is vereist op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), gelezen in samenhang met artikel 6.6.1 van de regels van het bestemmingsplan.

3. Op 1 februari 2017 heeft de maatschap een aanvraag ingediend voor het boller leggen van bestaande akkers en het aanleggen van natuurvriendelijke oevers.

Bij het primaire besluit heeft verweerder voor deze activiteit een aanlegvergunning verleend. Inmiddels heeft de maatschap de ophoging uitgevoerd.

4. In het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit in stand gelaten, onder aanvulling van de motivering. Deze aanvulling bestaat uit de “Quickscan natuurwetgeving en weidevogels [plaats 2] [plaats 1] ” (hierna: de quickscan) van ecologisch adviesbureau Viridis van april 2017. In het bestreden besluit staat het volgende:

“Wij besluiten dat het rapport van adviesbureau Viridis deel uitmaakt van de omgevingsvergunning. Op grond van dit advies dienen de volgende mitigerende maatregelen te worden genomen:

  • -

    de werkzaamheden dienen met de minste schade voor de aanwezige planten en dieren uitgevoerd te worden. De werkzaamheden dienen in één richting uitgevoerd te worden. Door de werkzaamheden in één richting uit te voeren, krijgen de aanwezige (grondgebonden zoog)dieren de kans voor de werkzaamheden uit te vluchten;

  • -

    voor de aanleg van de natuurvriendelijke oevers wordt aanbevolen het talud op het droge uit te graven en tot slot de grondrug tussen de sloot en het nieuwe talud te verwijderen. Zodoende wordt veel verstoring en vertroebeling van het water voorkomen;

  • -

    alvorens de grondhopen op het perceel worden verspreid en de oevers van de sloten worden opgegraven, dient door een terzake kundige ecoloog een broedvogelcontrole te worden uitgevoerd. Indien hierbij broedgevallen binnen de begrenzing van het plangebied worden aangetroffen, dienen de werkzaamheden te worden uitgesteld tot de jongen vliegvlug zijn en het perceel op eigen kracht kunnen verlaten.”

Goede procesorde

5.1.

Eiser heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat de ophoging het perceel minder geschikt maakt voor weidevogels het rapport [naam 6] . Mogelijke effecten van perceelsophoging op de weidevogelstand” van Altenburg & Wymenga overgelegd. Dit rapport dateert van 10 september 2018, is op 18 september 2018 door de rechtbank ontvangen en op dezelfde dag doorgestuurd.

Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat hij weinig tijd heeft gehad om het rapport geheel te bestuderen of om een second opinion te vragen.

5.2.

Partijen kunnen op grond van artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot 10 dagen voor de zitting nadere stukken indienen.

5.3.

Voor zover verweerder betoogt dat het rapport wegens strijd met een goede procesorde buiten beschouwing zou moeten blijven, slaagt dit niet. Het rapport is 23 dagen voor de zitting ontvangen door de rechtbank. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende tijd gehad om hier adequaat op te kunnen reageren.

Aanlegvergunningplicht?

6.1.

De rechtbank zal allereerst ingaan op het betoog van de maatschap dat voor de werkzaamheden, gelet op artikel 6.6.2, onder d, van de van de regels van het bestemmingsplan, geen aanlegvergunning was vereist, omdat de werkzaamheden waren bedoeld om de directe gevolgen van een plaag te beperken. Immers, als geen vergunningplicht bestaat, dan komt de rechtbank niet toe aan een inhoudelijke behandeling van de beroepsgronden van eiser.

6.2.

Onder verwijzing naar een advies van leverbotspecialist L. Moll van de Gezondheidsdienst voor Dieren B.V. heeft de maatschap aangegeven dat zij te maken heeft met een leverbotinfectie op het bedrijf en het perceel, als gevolg waarvan 40 van de 200 schapen zijn gestorven. Door leverbotresistentie kan geen gebruik kan worden gemaakt van het meest effectieve geneesmiddel. Leverbot wordt overgebracht door de leverbotslak, een amfibie dat leeft in modderachtige omgeving, en droogte is de belangrijkste factor om de leverbotslak te bestrijden. Daarom heeft de maatschap ervoor gekozen om de leverbotcyclus te doorbreken door de landbouwgronden voldoende af te wateren.

6.3.

De rechtbank is van oordeel dat de maatschap niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een “plaag” in de zin van de planregels. Het advies van de gezondheidsdienst biedt hiervoor geen grondslag, nu daarin slechts algemene informatie is weergegeven over de leverbot en over te treffen preventieve maatregelen. Bovendien is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een “direct gevolg” tussen de werkzaamheden en de aanpak van de plaag. De leverbotslak verdwijnt immers niet door het opbrengen van grond, maar door de verdroging die optreedt als gevolg van de vergunde verhoging van het perceel. Dit is een indirect gevolg. Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat voor de werkzaamheden een aanlegvergunning was vereist.

Aanlegvergunning en aantasting natuurwaarden

7.1.

Eiser betoogt dat de werkzaamheden leiden tot een ongewenste toename van de verdroging van het perceel, tot intensivering van het gebruik daarvan en daardoor tot blijvende nadelige effecten op de geschiktheid van het perceel als rust-, leef- en voortplantingsgebied voor weidevogels, zodat de natuurwaarden van het perceel blijvend onevenredig worden geschaad. Immers, door het egaliseren, ophogen en het verdwijnen van greppels wordt het perceel droger en verdwijnt het microreliëf. Dit is direct van invloed op het broedsucces van alle soorten weidevogels. Veel soorten weidevogels broeden namelijk bij voorkeur in de nabijheid van greppels omdat ze dan ongezien van en naar het nest kunnen lopen. De lage natte “plasdras” plekken, waar de grasgroei later op gang komt, zijn uitermate geschikt als foerageergebied voor jonge kieviten. Vroeg in het voorjaar zijn deze “plasdras” plekken ook zeer geschikt als foerageer- en rustgebied voor veel soorten weidevogels. Dat het grootste deel van het perceel droger is geworden, maakt het minder geschikt als foerageergebied voor langsnavelige weidevogels als de grutto en tureluur omdat de grond dan vaker te hard is om met de kwetsbare snavel in te wroeten. Het perceel wordt verder eerder berijdbaar en het vee kan eerder worden ingeschaard, aldus eiser. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser het rapport van Altenburg & Wymenga in het geding gebracht. In dit rapport wordt in bredere zin ingegaan op het Eldikse Veld, alsmede op de gevolgen van de ophoging van het betreffende perceel.

Eiser betoogt voorts dat de aanlegvergunning niet strookt met de omgevingsvisie en de omgevingsverordening van de provincie Gelderland, nu de percelen hierin zijn aangewezen als “groene ontwikkelingszone” en “weidevogelgebied”.

Strijd met omgevingsvisie en omgevingsverordening

7.2.

Eisers betoog dat de aanlegvergunning in strijd is met de omgevingsvisie en omgevingsverordening, treft geen doel. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 24 september 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4290), volgt uit de artikelen 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, en artikel 2.11, eerste lid, van de Wabo dat, indien een omgevingsvergunning voor de aanleg van werken op grond van een bestemmingsplan is vereist, deze wordt geweigerd indien de aanleg in strijd is met de regels van dat bestemmingsplan. Uit dit stelsel vloeit voort dat geen ruimte bestaat om een omgevingsvergunning als deze op andere gronden te weigeren.

Het toetsingskader voor de aanlegvergunning wordt in dit geval gevormd door artikel 6.6.3 van de planregels. Een toets aan de omgevingsvisie of de omgevingsverordening is niet aan de orde.

De beroepsgrond faalt.

Onevenredige aantasting

7.3.

De rechtbank staat vervolgens voor de vraag of de natuurwaarden in dit geval blijvend onevenredig worden geschaad als bedoeld in artikel 6.6.3 van de planregels. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op basis onder van de quickscan op het standpunt kunnen stellen dat door de ophoging van het perceel de natuurwaarden, of de mogelijkheden tot het herstel of de ontwikkeling van deze natuurwaarden, niet blijvend onevenredig worden geschaad. De rechtbank ziet onvoldoende aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van deze conclusie. Het rapport van Altenburg & Wymenga biedt die aanknopingspunten niet, omdat hieruit niet volgt dat de natuurwaarden onevenredig worden aangetast. Daarbij acht de rechtbank van belang dat in dit rapport wordt uitgegaan van een grondophoging van 10 tot 30 centimeter. In het primaire besluit staat echter dat deze grondophoging maximaal 10 cm bedraagt. Dat betekent dat aan de gevolgtrekkingen die daaraan in het rapport worden verbonden, niet zonder meer de betekenis kan worden gehecht die eiser daaraan hecht. De beroepsgrond faalt.

Heroverweging m.b.t. Wet natuurbescherming (Wnb)

8.1.

Eiser betoogt dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte niet is ingegaan op alle gronden van bezwaar. Verweerder is slechts ingegaan op wat is aangevoerd over het onderdeel “aanlegvergunning”, en niet op wat is aangevoerd over de gestelde strijdigheid met de Wnb, aldus eiser.

8.2.

In het bestreden besluit is verweerder, ondanks de door eiser aangevoerde strijd met de Wnb, niet (uitdrukkelijk) ingegaan op deze gronden. Er wordt weliswaar verwezen naar de quickscan en daarin wordt ingegaan op de Wnb. Maar in het bestreden besluit wordt de quickscan uitsluitend aangehaald om te motiveren waarom de aanlegvergunning niet in strijd is met artikel 6.6.3 van de planregels. Ook in het advies van de bezwaarschriftencommissie – waarnaar in het bestreden besluit wordt verwezen – wordt niet ingegaan op de gestelde strijd met de Wnb. Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit in zoverre dan ook genomen in strijd met het in artikel 7:11, eerste lid, van de Awb opgenomen vereiste dat een volledige heroverweging van het primaire besluit dient plaats te vinden. De beroepsgrond slaagt.

Quickscan

9. Zoals gezegd wordt in de quickscan ingegaan op een mogelijke strijdigheid van het project met de Wnb. In paragraaf 5.4 staat onder het kopje “Vogels” het volgende:

“De noordgrens van het plangebied wordt gevormd door de oever van de Linge. De oever is begroeid met een rietkraag, waarin diverse watervogels zoals de in het gebied aanwezige meerkoet en wilde eend tot broeden kunnen komen. De oevers van de kleinere sloten rond het plangebied kunnen eveneens dienst doen als broedplaats voor deze soorten.

Het grasland zelf kan door weidevogels worden benut als broedgebied. Doordat de grasmat in het plangebied erg laag gemaaid is, vormt het perceel uitsluitend een geschikt broedgebied voor de kievit en scholekster. Beide soorten werden in of in de directe omgeving van het plangebied waargenomen. Andere soorten weidevogels zoals de tureluur en grutto hebben een hogere vegetatie nodig om in te broeden. Deze soorten zijn wel in de omgeving waargenomen, maar worden niet als broedvogel binnen het betreffende perceel verwacht.

Effectbeoordeling beschermde vogels

Uitvoering van de werkzaamheden aan de oevers van de watergangen rond het perceel tijdens de broedperiode, kan leiden tot vernietiging van nestplaatsen van watervogels, zoals de wilde eend en meerkoet.

Bij de werkzaamheden binnen het grasland kunnen nesten van weidevogels (kievit en scholekster) verloren gaan. Indien buiten de broedperiode wordt gewerkt, zijn dergelijke directe effecten niet te verwachten (paragraaf 6.2).

Wel zal door de verhoging van het perceel de bodem van het perceel een fractie droger worden. De in het perceel te verwachten kievit en scholekster zijn slechts in beperkte mate gevoelig voor verdroging, en zullen naar verwachting geen blijvende negatieve effecten van de ingreep ondervinden. Omdat de meer kritische grutto en tureluur niet broedend in het plangebied worden verwacht, worden negatieve effecten op deze soorten onwaarschijnlijk geacht.”

In hoofdstuk 6 “Conclusie en advies” staat het volgende:

“6.1.1 Wet natuurbescherming

- Zijn in het plangebied beschermde soorten en/of verblijfplaatsen van deze soorten aanwezig of te verwachten?

In het plangebied zijn, met uitzondering van een aantal broedvogels, geen beschermde soorten aanwezig of te verwachten.

- Ondervinden aanwezige beschermde soorten negatieve effecten van de voorgenomen ruimtelijke ingreep en de benodigde werkzaamheden?

Ja, indien de werkzaamheden gedurende de broedperiode worden uitgevoerd, zijn negatieve effecten in de vorm van vernietiging van nestplaatsen te verwachten. Overige negatieve effecten zijn, vanwege het ontbreken van beschermde soorten, uit te sluiten.

- Is het mogelijk om optredende negatieve effecten op beschermde soorten te mitigeren? Zo ja, op welke wijze dient dit te geschieden?

Voorafgaand aan de werkzaamheden in het plangebied dient door een ter zake kundige ecoloog te worden vastgesteld dat geen broedende vogels aanwezig zijn. Indien broedende vogels of in gebruik zijnde nesten worden aangetroffen, dienen de werkzaamheden te worden uitgesteld tot het moment waarop de jongen vliegvlug zijn en op eigen kracht het perceel kunnen verlaten.

- Is het noodzakelijk aanvullend onderzoek uit te voeren om bovenstaande vragen te kunnen beantwoorden?

De uitvoering van aanvullend onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht, met uitzondering van de uitvoering van een broedvogelcontrole voorafgaand aan de werkzaamheden.

- Is het noodzakelijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming aan te vragen?

Het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk.

6.1.2

Weidevogels

- Wordt de samenhang van de Groene ontwikkelingszone/het Gelders Natuurnetwerk en de waarde ervan voor weidevogels aangetast door de voorgenomen ingreep?

Door de ingreep vormt het perceel tijdelijk een braakliggend terrein, binnen een omgeving die geheel uit weilanden bestaat. De verwachting is echter dat de grasmat zich snel zal herstellen, waardoor van een verslechtering van de samenhang van het GNN geen sprake is.

De waarde voor weidevogels neemt naar verwachting niet of nauwelijks af. De op het perceel te verwachten soorten (kievit en scholekster) broeden zowel op braakliggend terrein als in grasland. Beide habitats zijn momenteel in het plangebied aanwezig en zijn ook na het verspreiden van de grond beschikbaar.

- Wat zijn de gevolgen van de ingreep voor de ter plaatse aanwezige weidevogels?

De gevolgen van de ingreep voor weidevogels worden als zeer beperkt ingeschat. De op het perceel te verwachten kievit en scholekster kunnen ook in de huidige situatie op het perceel tot broeden komen. Indien de opgebrachte grondhopen worden verspreid blijft het perceel eveneens voor deze twee soorten geschikt. Wel dient voorafgaand aan de verspreiding van de grond een controle plaatse te vinden, om te bepalen of er reeds op het perceel wordt gebroed.

Indien dit het geval is dient met de werkzaamheden te worden gewacht, tot de jongen vliegvlug zijn en op eigen kracht het perceel kunnen verlaten.”

In paragraaf 6.2 worden vervolgens drie mitigerende maatregelen benoemd. Deze zijn al opgenomen in rechtsoverweging 4.

Onder paragraaf 6.4 “Conclusie” staat het volgende:

“Met inachtneming van de beschreven mitigerende maatregelen, zijn negatieve effecten van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling op strikt beschermde soorten en op weidevogels uitgesloten. Een ontheffing van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Er is geen aanleiding tot het uitvoeren van nader onderzoek.”

‘Aanhaakplicht’ flora & fauna (Wnb)

10.1.

Wanneer geen separate ontheffing op grond van de Wnb is aangevraagd en verleend, dient het bevoegd gezag in het kader van de aanvraag voor een aanlegvergunning te beoordelen of een omgevingsvergunning is vereist voor de activiteit “flora en fauna”. Als die omgevingsvergunning is vereist, dan dient deze ‘aan te haken’ bij de aanlegvergunning. Dit volgt uit artikel 2.1, eerste lid, onder i, Wabo in samenhang met artikel 2.2aa, aanhef en onder b, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) en artikel 6.10a, eerste lid, Bor.

Vast staat dat in dit geval geen aanvraag voor een ontheffing op grond van de Wnb is ingediend.

10.2.

Uit de conclusies in de quickscan, uit het verweerschrift en het verhandelde ter zitting leidt de rechtbank af dat verweerder zich op het standpunt stelt dat de aangevraagde activiteiten niet in strijd zijn met de Wnb, en dat daarom het ‘aanhaken’ van een omgevingsvergunning voor de activiteit “flora en fauna” bij de aanlegvergunning niet aan de orde is. Ter zitting heeft verweerder dit bevestigd.

10.3.

Eiser betoogt dat de ophoging plaatsvindt in een weidevogelgebied, zodat niet op voorhand valt uit te sluiten dat door de werkzaamheden broed-, foerageer- en rustplaatsen van beschermde weidevogelsoorten verloren gaan en het verbod uit artikel 3.1, tweede, vierde en vijfde lid, van de Wnb wordt overtreden. Dit blijkt volgens eiser ook uit de quickscan. De aanvraag had daarom aan hem moeten worden toegezonden voor een verklaring van geen bedenkingen, aldus eiser.

Onlosmakelijke samenhang

10.4.

De rechtbank is in de eerste plaats van oordeel dat de aangevraagde handelingen aan te merken zijn als handelingen waarvoor het verbod uit artikel 3.1, tweede en vierde lid, van de Wnb geldt. Uit de quickscan volgt immers dat door het ophogen van gronden en het aanleggen van natuurvriendelijke oevers nesten (kunnen) worden vernield of beschadigd, en beschermde vogels (kunnen) worden verstoord. Er is daarom sprake van een onlosmakelijke samenhang tussen de aanlegvergunning en artikel 3.1 van de Wnb.

Aantasting soorten

10.5.

Indien dan sprake is van een onlosmakelijke samenhang, is ‘aanhaken’ slechts dan niet aan de orde indien evident is dat geen ontheffing of verklaring van geen bedenkingen op grond van de Wnb is vereist. Is dat niet evident, dan moet het ter zake bevoegde en deskundige bestuursorgaan, het college van gedeputeerde staten, in staat worden gesteld zich uit te laten over de vraag of een verklaring van geen bedenkingen is vereist. Zie de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 6 september 2012 (ECLI:NL:RBUTR:2012:BZ1923).

10.6.

In de quickscan staat dat overtreding van de Wnb kan worden voorkómen door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om dit voor onjuist te houden. Om te bereiken dat de ophoging buiten het broedseizoen zou plaatsvinden, dient naar het oordeel van de rechtbank dit wel met een voorschrift te zijn geborgd. Zie ter vergelijking de uitspraak van de Afdeling van 15 februari 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BV5109). Dit heeft verweerder nagelaten. Verweerder heeft volstaan met het in de tekst van het bestreden besluit opnemen van de drie mitigerende maatregelen zoals vermeld in rechtsoverweging 4. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gegarandeerd dat de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaatsvinden. Op dit punt kent het bestreden besluit een gebrek. De beroepsgrond slaagt op dit punt.

10.7.

In de quickscan wordt niet expliciet ingegaan op overtreding van het verbod in artikel 3.1, vierde lid, van de Wnb, en op de uitzondering zoals opgenomen in artikel 3.1, vijfde lid, Wnb. Uit de quickscan valt echter af te leiden dat de verhoging geen wezenlijke invloed heeft op de staat van instandhouding van de genoemde vogelsoorten. Het rapport van Altenburg & Wymenga komt op dit punt niet tot een andere conclusie. Gelet hierop is het verbod uit het vierde lid niet van toepassing en is in zoverre geen sprake van een overtreding.

De beroepsgrond faalt.

Aantasting gebied

10.8.

Voor zover is betoogd dat het gebied minder geschikt wordt voor weidevogels, overweegt de rechtbank dat het perceel niet is gelegen in Natura-2000 of Vogelrichtlijn gebied. De bepalingen uit de Wnb met betrekking tot gebiedsbescherming zijn daarom niet van toepassing. De bepalingen uit de Wnb met betrekking tot soortenbescherming zien naar het oordeel van de rechtbank niet op de indirecte negatieve gevolgen van de verhoging van het perceel op weidevogels.

De beroepsgrond faalt.

Conclusie

11. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

Omdat de ophoging reeds heeft plaatsgevonden, heeft een voorschrift dat borgt dat de werkzaamheden niet plaatsvinden in het broedseizoen geen toegevoegde waarde meer. Verder is de rechtbank van oordeel dat het gebrek in de motivering van het bestreden besluit, zoals benoemd in rechtsoverweging 8.2, in beroep is hersteld. De rechtbank ziet daarom aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand worden gelaten.

12. Omdat het beroep gegrond is, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 338 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. van Breda, voorzitter, mr. R.J. Jue en mr. S.E.M. Lichtenberg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Mengerink, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 21 december 2018

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Bijlage

Wettelijk kader aanlegvergunning

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

b. het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan is bepaald,

(…).

Ingevolge artikel 2.11, eerste lid, van de Wabo wordt de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, waaromtrent regels zijn gesteld in een bestemmingsplan, geweigerd indien het werk of de werkzaamheid daarmee in strijd is.

In het bestemmingsplan “Buitengebied Dodewaard en Echteld” zijn ingevolge artikel 6.1.1 de voor “Agrarisch met waarden – 2” aangewezen gronden bestemd voor:

a. grondgebonden agrarische productie;

b. teelt op folie, worteldoek of goten;

c. het weiden van dieren;

d. bijbehorende voorzieningen, huiserven, gaarden en opslag;

e. een weidevogelgebied ter plaatse van de aanduiding “weidevogelgebied”;

f. instandhouding, dan wel herstel en ontwikkeling, van de landschappelijke waarden en de natuurwaarden die eigen zijn aan de betreffende gronden;

g. watergangen en andere voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, de waterberging daaronder mede begrepen;

h. extensief dagrecreatief medegebruik;

(…).

Op grond van artikel 6.1.3 worden tot de landschappelijke waarden en de natuurwaarden die eigen zijn aan de in lid 6.1.1 bedoelde gronden gerekend:

a. reliëf: geulen, ruggen en huisterpen;

b. waterhuishouding: een relatief laag grond- en oppervlaktewaterpeil;

c. watersysteem: wielen, plassen en open water;

d. grondgebruik: een divers agrarisch gebruik, onder meer als grasland, akkerland, boomgaard en boomkwekerij, waarbij de diverse gebruiksvormen door elkaar heen voorkomen;

e. verkaveling: een kleinschalige verkaveling, waarbij zowel regelmatige als onregelmatige en zowel strookvormige als blokvormige percelen voorkomen en die voor een deel het reliëf volgt;

f. opgaande beplanting: relatief veel erf-, kavelgrens- en wegbeplantingen, boomgaarden en bosjes, met als meest kenmerkende boomsoorten eiken, essen, iepen, lindes, fruit-, noten- en kastanjebomen;

g. bebouwing: relatief veel bebouwing, waarbij deze zowel kan voorkomen in de vorm van geconcentreerd liggende buurtschappen en lintbebouwing als in de vorm van verspreid liggende bebouwing;

h. flora: droge, halfnatuurlijke, kruidenrijke graslanden, akkeronkruiden en opgaande beplanting met bijbehorende onderbegroeiing;

i. fauna: diersoorten die zijn gebonden aan opgaande beplanting (zoals vleermuizen, zang- en roofvogels en kleine zoogdieren, waaronder marterachtigen).

Op grond van artikel 6.6.1 is het verboden binnen de bestemming “Agrarisch met waarden -2”, voor zover dit niet betreft een bouwvlak, de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning:

a. werken en werkzaamheden die direct zijn gericht op het storten, deponeren of op andere wijze opslaan van baggerspecie, grond, puin of afvalmaterialen, voor zover deze van elders zijn aangevoerd;

b. (…);

c. het afgraven, ophogen of egaliseren van gronden.

d. en tevens ter plaatse van de aanduiding “weidevogelgebied”:

(…);

3. het graven, verbreden, verdiepen of dempen van waterpartijen en watergangen of het aanbrengen van drainagevoorzieningen;

4. (…).

Op grond van artikel 6.6.2 geldt het in 6.6.1 vervatte verbod niet voor:

(…);

d. werken en werkzaamheden die zijn bedoeld om de directe gevolgen van calamiteiten of plagen te beperken;

(…).

Op grond van artikel 6.6.3 kan een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in 6.6.1, alleen worden verleend indien uit een nader onderzoek is gebleken dat hierdoor de landschappelijke waarden en de natuurwaarden die eigen zijn aan de desbetreffende gronden, of de mogelijkheden tot het herstel of de ontwikkeling van deze waarden, niet blijvend onevenredig worden geschaad.

In artikel 1.58 is “Landschappelijke waarde” als volgt gedefinieerd:

“de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het waarneembare deel van het aardoppervlak, welke waarde bepaald wordt door de onderlinge samenhang en beïnvloeding van de levende en niet-levende natuur.”

In artikel 1.65 is “Natuurwaarde” als volgt gedefinieerd:

“de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door de hydrologie en door geologische, geomorfologische, bodemkundige en biologische elementen, zowel afzonderlijk, als in onderlinge samenhang.”

Wettelijk kader ‘aanhaakplicht’

Artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo – voor zover hier van belang – luidt als volgt:

“Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

(…)

i. het verrichten van een andere activiteit die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving.”

Artikel 2.2aa Bor:

Als categorie activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de wet, worden tevens aangewezen:

(…);

b. het verrichten van een handeling als bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 of 3.10, eerste lid, van de Wnb, behoudens de gevallen, bedoeld in de artikelen 3.3, tweede of zevende lid, 3.8, tweede of zevende lid, 3.10, tweede of derde lid, of 3.31, eerste lid, voor zover die handeling bestaat uit een activiteit waarop het verbod, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdelen a tot en met h of in artikel 2.2 van de wet, of bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel i, van de wet in samenhang met artikel 2.2a van toepassing is en voor zover voor die handeling geen ontheffing als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, 3.8, eerste lid of 3.10, tweede lid in samenhang met 3.8, eerste lid, is aangevraagd of verleend.

Artikel 5.21 Bor

1 (…).

2 Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel b, en het betreft een handeling als bedoeld in artikel 3.1 van de Wnb kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend op de gronden die zijn aangegeven in artikel 3.3, vierde lid, van de Wnb.

3 Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel b, en het betreft een handeling als bedoeld in artikel 3.5 van de Wnb kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend op de gronden die zijn aangegeven in artikel 3.8, vijfde lid, van de Wnb.

4 Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel b, en het betreft een handeling als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, van de Wnb kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend op de gronden die zijn aangegeven in artikel 3.8, vijfde lid, of 3.10, tweede lid, van de Wnb.

Artikel 6.10a Bor:

1. Voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel a of b, wordt de omgevingsvergunning niet verleend dan nadat gedeputeerde staten als bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, van de Wnb hebben verklaard dat zij daartegen geen bedenkingen hebben.

Artikel 3.1 Wnb:

1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen.

2 Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen.

3 Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben.

4 Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen.

5 Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.