Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:557

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
07-02-2018
Datum publicatie
08-02-2018
Zaaknummer
5884438
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kanton. Huur. Consument. Omdat het beding tot betaling van de bemiddelingskosten (kernbeding) onduidelijk is, is het op grond van de Richtlijn 93/13 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten onredelijk bezwarend.

Consument heeft, nu onverschuldigd is betaald en haar vordering tot terugbetaling niet is verjaard, recht op terugbetaling van de bemiddelingskosten.

Artikelen 6:231 sub a BW, 6:233 BW en 7:425 jo 7:417 lid 4 BW.

zie ook Eclinummer: 2017:5904

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaakgegevens 5884438 \ CV EXPL 17-5865 \ 693\415

uitspraak van

vonnis

in de zaak van

[eisende partij]

wonende te [woonplaats]

eisende partij

gemachtigde Y.R. Hoogvliets LL.B., h.o.d.n. Terugkrijgenbemiddelingskosten.nl

tegen

de besloten vennootschap

Nederwoon Verhuurmakelaars B.V., h.o.d.n. Nederwoon Verhuurmakelaars Arnhem

statutair gevestigd te Apeldoorn en (mede) kantoorhoudende te Arnhem

gedaagde partij

gemachtigde mr. M.J.T. Vrensen

Partijen worden hierna [eisende partij] en Nederwoon genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 15 november 2017 en de daarin genoemde processtukken

- de akte aan de zijde van Nederwoon

- de akte aan de zijde van [eisende partij] .

2 De verdere beoordeling van het geschil

2.1.

De kantonrechter blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in het tussenvonnis van 15 november 2017.

2.2.

Bij voormeld tussenvonnis is Nederwoon in de gelegenheid gesteld om te reageren op het vermoeden dat sprake is van een oneerlijk beding in de zin van de Richtlijn 93/13 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de Richtlijn) en is [eisende partij] in de gelegenheid gesteld om op de akte van Nederwoon te reageren. Beide partijen hebben in dit kader hun standpunt toegelicht in een akte.

2.3.

Zoals reeds in het voormelde tussenvonnis is overwogen, gaat het over een overeenkomst die valt onder de werking van de Richtlijn. Verder staat vast dat niet onderhandeld is over de tekst van de (in r.ov. 4.2. van het tussenvonnis van 15 november 2017 weergegeven) algemene voorwaarden en de daarin genoemde betalingsvoorwaarden. Deze tekst was ten tijde van het sluiten van de overeenkomst al door Nederwoon opgesteld en [eisende partij] heeft daarop geen invloed kunnen uitoefenen. Het feit dat [eisende partij] , zoals Nederwoon heeft betoogd, niet bij haar hóéfde in te schrijven, doet aan voorgaande niets af, noch dat [eisende partij] zonder bemoeienis van Nederwoon een woning had kunnen vinden en er derhalve geen noodzaak was om haar algemene voorwaarden te accepteren. Nederwoon gaat hierbij immers voorbij aan de bedoeling van de Richtlijn, het beschermen van consumenten.

2.4.

De kantonrechter stelt voorop dat in artikel 6:231 sub a Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is bepaald dat onder algemene voorwaarden wordt verstaan een of meer bedingen die zijn opgesteld teneinde in een aantal overeenkomsten te worden opgenomen, met uitzondering van bedingen die de kern van de prestaties aangeven, voor zover deze laatstgenoemde bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd. Voor dit laatste geldt dat, zoals in voormeld tussenvonnis is overwogen, in artikel 4 van de Richtlijn voorts is bepaald dat alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst, alsmede alle andere bedingen van de overeenkomst of van een andere overeenkomst waarvan deze afhankelijk is, op het moment waarop de overeenkomst is gesloten, in aanmerking dienen te worden genomen. Onderwerp van dit geschil is de betaling voor de diensten van Nederwoon. Dat is te kwalificeren als een kernbeding, dat, krachtens het bepaalde in artikel 6:231 sub a BW en de Richtlijn, duidelijk moet zijn.

2.4.1.

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Nederwoon, mede gelet op het voorgaande, het arrest van de Hoge Raad (Hoge Raad 16 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3099) en het bepaalde in artikel 7:425 jo 7:417 lid 4 BW, het kernbeding onduidelijk geformuleerd. Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor reeds is overwogen is de kantonrechter van oordeel dat het beding, opgenomen in de algemene voorwaarden waarop Nederwoon de bemiddelingskosten baseert, in combinatie met de feiten en met de tekst in de algemene voorwaarden, zodanig onduidelijk en onbegrijpelijk is dat dit niet aan [eisende partij] kan worden tegengeworpen. Immers, niet duidelijk is waarvoor [eisende partij] betaalt. Dit oordeel volgt bovendien uit artikel 6:238 lid 2 BW, inhoudende dat bedingen duidelijk en begrijpelijk moeten zijn opgesteld. Gewezen wordt daarbij naar het voormelde arrest van de Hoge Raad. Al het voorgaande leidt ertoe dat het beding, waarop de betaling van [eisende partij] is gestoeld, onredelijk bezwarend is in de zin van de Richtlijn.

2.4.2.

Nu de kantonrechter heeft geoordeeld dat het (betalings)beding onredelijk bezwarend is, is de kantonrechter, anders dan door Nederwoon is betoogd, gehouden om het beding (ambtshalve) te vernietigen. Anders dan Nederwoon heeft aangevoerd, geldt daarbij geen verjaringstermijn van 3 jaar. Immers, overeenkomstig artikel 6:233 BW en het arrest van de Hoge Raad (HR 13 september 2013, ECLI:NL:2013:691, Heesakkers/Vloet) is de kantonrechter gehouden om het beding ambtshalve te vernietigen, omdat het oneerlijk is in de zin van de Richtlijn; voltooiing van de verjaring kan daaraan niet afdoen.

2.5.

Vervolgens dient te worden beoordeeld of [eisende partij] recht heeft op terugbetaling van de door haar betaalde bemiddelingskosten.

2.5.1.

De kantonrechter stelt vast dat in de algemene voorwaarden onder meer is opgenomen dat Nederwoon de woonruimte van de verhuurder op haar website presenteert, marketingkosten in rekening kan brengen en op verzoek van de verhuurder een credit-check kan uitvoeren. Deze werkzaamheden staan echter haaks op wat Nederwoon in de algemene voorwaarden tevens heeft opgenomen. Immers, daarin staat dat Nederwoon enkel bemiddelt voor de belangen van de huurder.

2.5.2.

De kantonrechter overweegt dat, conform het arrest van de Hoge Raad van 16 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3099 en gelet op het bepaalde in de artikelen 7:425 BW en 7:417 lid 4 BW, sprake is van het dienen van twee heren, waarbij het gaat om een rechtshandeling die strekt tot huur of verhuur van een onroerende zaak en [eisende partij] een natuurlijk persoon is als bedoeld in artikel 7:408 lid 3 BW. De onderhavige woning is een zelfstandige woning in de zin van artikel 7:234 BW, zodat van het in artikel 7:417 lid 4 BW bepaalde niet ten nadele van de huurder kan worden afgeweken. Dit betekent dat [eisende partij] , nu daarvoor ook geen (andere) rechtsgrond is aangevoerd, de bemiddelingskosten onverschuldigd heeft betaald. Dit geldt eveneens voor de administratiekosten, nu deze afhankelijk zijn van de bemiddeling.

2.5.3.

Uit het voorgaande blijkt dat de vraag of Nederwoon, gelet op al het voorgaande en nu het (betalings)beding is vernietigd, recht heeft op betaling van haar werkzaamheden, ontkennend moet worden beantwoord. Dit betekent dat [eisende partij] in beginsel recht heeft op terugbetaling van de bemiddelingskosten.

2.6.

Tot slot komt de kantonrechter toe aan het verweer van Nederwoon dat de vordering is verjaard.

2.6.1.

Gelet op het bepaalde in artikel 3:309 BW, verjaart een rechtsvordering uit onverschuldigde betaling door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldeiser zowel met het bestaan van zijn vordering als met de persoon van de ontvanger bekend is geworden en in ieder geval twintig jaren nadat de vordering is ontstaan. Nu vast staat dat [eisende partij] zich op 12 oktober 2013 als woningzoekende heeft ingeschreven, is de vordering wegens onverschuldigde betaling niet verjaard.

2.7.

Geconcludeerd kan worden dat [eisende partij] het bedrag van € 726,00 onverschuldigd aan Nederwoon heeft betaald. Dit gevorderde bedrag wordt derhalve toegewezen. Nu Nederwoon geen separaat verweer heeft gevoerd tegen de gevorderde wettelijke rente en de ingangsdatum daarvan, wijst de kantonrechter ook dit deel van de vordering toe.

2.8.

De kantonrechter acht het, gelet op hetgeen hiervoor reeds is overwogen, voldoende aannemelijk gemaakt dat [eisende partij] buitengerechtelijke werkzaamheden heeft doen verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke kosten ad € 131,75 is, gelet op de hoogte van de vordering, in overeenstemming met de gebruikelijke en redelijke tarieven en wordt daarom toegewezen.

2.9.

Nederwoon wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proces- en nakosten dragen. De gevorderde nakosten worden toegewezen tot een half salarispunt van het toegewezen salaris met een maximum van € 100,00, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis.

3 De beslissing

De kantonrechter

3.1.

veroordeelt Nederwoon om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 857,75 (€ 726,00 aan hoofdsom en € 131,75 aan buitengerechtelijke kosten) te vermeerderen met de wettelijke rente over € 726,00 vanaf 23 maart 2017 tot aan de dag van volledige voldoening;

3.2.

veroordeelt Nederwoon in de proceskosten tot deze uitspraak aan de zijde van [eisende partij] begroot op € 97,31 aan dagvaardingskosten, € 223,00 aan griffierecht, € 250,00 aan salaris voor de gemachtigde en € 50,00 aan kosten die na dit vonnis zullen ontstaan, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis;

3.3.

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

3.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. A.J. Weerkamp-Beens en in het openbaar uitgesproken op