Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:5437

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
05-09-2018
Datum publicatie
17-12-2018
Zaaknummer
C/05/330505 / HA ZA 17-529
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

330505 HA-ZA 17-529

Vervolg op ECLI:NL:RBGEL:2018:2370; Overeenkomsten van geldlening; verweren - verjaring, cessie, betaling - verworpen. Vordering toegewezen. Reconventionele vordering uit onrechtmatige daad afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/330505 / HA ZA 17-529

Vonnis in verzet van 5 september 2018

in de zaak van

1 [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] ,

wonende te Alverna, gemeente Wijchen,

2. [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 2],

3. [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 3],

beiden wonende te Bussum, gemeente Gooise Meren,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

gedaagden in het verzet,

advocaat mr. T.L.G.M. Heebing te Zevenaar,

tegen

[gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] ,

wonende te Stampersgat,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

eiser in het verzet,

advocaat mr. M. Bitter te Haarlem.

Partijen zullen hierna enerzijds [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] , [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 2] en [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 3] en tezamen [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] c.s. en anderzijds [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] genoemd worden. [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 2] en [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 3] zullen samen tevens [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 2] c.s. worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 14 februari 2018 (verder: het tussenvonnis)

  • -

    het verkort proces-verbaal van comparitie van 13 juni 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten en het geschil

2.1.

Voor de weergave van de feiten en het geschil in conventie en in reconventie wordt verwezen naar het tussenvonnis.

2.2.

Ten aanzien van de in respectievelijk rov. 2.2.en 2.3. van het tussenvonnis genoemde overeenkomsten van geldlening staat voorts vast dat deze leningen zijn verstrekt in verband met “het project Schloss Krugsdorf”. Dit project hield in dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] , daarbij gebruikmakend van rechtspersonen naar Duits en Nederlands recht, het in Duitsland gelegen slot Krugsdorf (verder: het slot) kocht om dit te renoveren, op de gronden een golfbaan aan te leggen en dit complex te exploiteren. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] werd eigenaar van de gebouwen, [vader gedaagde in conventie] (zijn vader) werd eigenaar van de gronden. De eigendom van de gronden ging later over naar [moeder gedaagde in conventie] (zijn moeder). Met betrekking tot het project zijn een drietal pachtovereenkomsten naar Duits recht gesloten, waaronder een pachtovereenkomst tussen [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] als verpachter en [pachter] (verder [bestuurder van pachter] GmbH), met de heer [bestuurder van pachter] (verder [bestuurder van pachter] ) als bestuurder, als pachter.

2.3.

Bij een ter comparitie van 13 juni 2018 genomen akte heeft [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] zijn vordering gewijzigd in de zin dat hij thans ook ten principale, zoals eerder in het incident, vordert dat de rechtbank, kort weergegeven,

  • -

    de onbevoegdheid van de rechtbank uitspreekt om kennis te nemen van de vorderingen van [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 2] c.s.,

  • -

    de inleidende dagvaarding nietig verklaart en [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] c.s. als gevolg van de nietige inleidende dagvaarding niet-ontvankelijk verklaart in zijn vorderingen, althans deze afwijst,

  • -

    [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] c.s., ieder voor zichzelf en hoofdelijk, veroordeelt tot het met onmiddellijke ingang na vonniswijzing opheffen van de door hen gelegde beslagen,

  • -

    [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] c.s., ieder voor zichzelf en hoofdelijk, veroordeelt tot betaling aan [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] van de door hem gemaakte en te maken kosten ter zake de conservatoire en executoriale beslagen, daaronder begrepen de explootkosten,

  • -

    [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] c.s., ieder voor zichzelf en hoofdelijk, veroordeelt tot het met onmiddellijke ingang na vonniswijzing stellen van zekerheid zoals bedoeld in artikel 235 Rv ten gunste van de [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] en

  • -

    [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] c.s. hoofdelijk veroordeelt in de kosten van het geding, daaronder begrepen de kosten van betekening van het verstekvonnis en betekening van het exploot van verzet, de beslagkosten, en de werkelijke door [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] gemaakte advocaatkosten, althans ieder van hen veroordeelt in de (proces)kosten op een door de rechtbank te bepalen wijze.

3 De beoordeling

In conventie en in reconventie

3.1.

Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie worden deze te samen behandeld.

3.2.

De rechtbank blijft bij wat zij in het tussenvonnis heeft beslist en overwogen, waaronder hetgeen is beslist over de bevoegdheid van de rechtbank en de exceptie van nietigheid van de dagvaarding. De vorderingen van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] na eiswijziging die daar opnieuw op zien - en die niet van een nadere onderbouwing zijn voorzien - komen dan ook niet voor toewijzing in aanmerking. Ten aanzien van de bevoegdheid overweegt de rechtbank dat zij, gelet op de forumkeuzebeding in de overeenkomst strekkende tot integrale geldlening van 4 februari 2011 (zie rov 2.2. van het tussenvonnis), waarin de rechtbank te Arnhem (thans Gelderland) als bevoegd gerecht is aangewezen, op grond van artikel 25 van de herschikte EEX-verordening nr. 1215/2012 ook internationaalrechtelijk bevoegd is van de vordering van [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] kennis te nemen. Dit geldt ook voor de vorderingen van [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 2] c.s., die immers zijn gebaseerd op overeenkomsten waarin ook een Nederlands gerecht als bevoegd gerecht is aangewezen, zij het rechtbank Zwolle. Op de in het tussenvonnis gegeven gronden staat dit laatste echter niet aan de bevoegdheid van de rechtbank Gelderland in de weg. De rechtbank is ook bevoegd kennis te nemen van de reconventionele vorderingen van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] , reeds nu partijen zijn verschenen zonder de bevoegdheid ter zake van die vorderingen te betwisten (artikel 26 van de Herschikte EEX-verordening).

3.3.

[eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] c.s. vordert betaling van bedragen van € 100.000,00 en € 390.000.00, steeds vermeerderd met rente, aan respectievelijk [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] en [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 2] c.s., op grond van de in respectievelijk rov. 2.2.en 2.3. van het tussenvonnis genoemde overeenkomsten van geldlening.

3.4.

In de overeenkomsten wordt rechtskeuze gedaan voor Nederlands recht, zodat de rechtbank de op die overeenkomsten gebaseerde vorderingen gelet op het bepaalde in artikel 3 van verordening 593/2008 van het Europees Parlement en Raad (Rome I) naar Nederlands recht zal beoordelen.

3.5.

Het bestaan en de inhoud van deze overeenkomsten is door [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] niet gemotiveerd betwist en hij heeft evenmin betwist dat daaruit in beginsel de gestelde betalingsverplichting voortvloeit.

3.6.

Als meest verstrekkend verweer voert [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] aan dat de vorderingen zijn verjaard.

3.7.

Ten aanzien van de vordering van € 100.000,00 van [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] voert [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] aan dat in de ‘Overeenkomst strekkende tot integrale geldlening van 4 februari 2011’ in artikel 2 lid b is bepaald dat de lening zou worden afgelost in termijnen van € 5.000.00, te beginnen op 1 mei 2011 en dat deze lening zonder waarschuwing of ingebrekestelling opeisbaar is zodra [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] en/of de door hem bestuurde rechtspersoon [naam holding gedaagde] (verder [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] B.V.) niet voldoen aan hun betalingsverplichtingen. De lening was, aldus [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] , volledig opeisbaar per 1 mei 2011 omdat, volgens de stellingen van [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] c.s. die [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] op dat punt niet betwist, destijds iedere betaling is uitgebleven. De inleidende dagvaarding is aan het parket betekend op 23 mei 2017. Op dat moment was, zo stelt [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] , sinds 1 mei 2011 al een periode van vijf jaar verstreken en was de vordering uit de overeenkomst van geldlening en de daaraan gekoppelde vordering tot betaling van contractuele en/of wettelijke rente, gelet op het bepaalde in de artikelen 3:307 en 3:308 BW verjaard.

3.8.

Ten aanzien van de vordering van € 350.000,00 van [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 2] c.s. stelt [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] dat de verschillende geldleningen waaruit deze vordering is opgebouwd op grond van het addendum van 31 januari 2011 direct opeisbaar waren bij niet nakoming van de overeengekomen rentebetalingen en dat dit betekent dat de hoofdsommen en vervallen rentebetalingen volledig opeisbaar waren per de in de overeenkomsten vermelde data, waarvan de eerste lag op 31 december 2009 en de laatste op 15 maart 2011. Ook deze vorderingen waren, aldus [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] , daarom al verjaard op het moment van betekening van de inleidende dagvaarding.

3.9.

[eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] c.s. betwist dat vorderingen al opeisbaar waren op de door [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] genoemde data en stelt dat deze op grond van respectievelijk de nadere overeenkomst tussen [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] en het addendum bij de overeenkomsten van geldlening met [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 2] c.s. pas opeisbaar waren per 31 december 2012 en dat pas vanaf die datum de verjaringstermijn van vijf jaar is aangevangen, zodat de verjaringstermijn ten tijde van de dagvaarding niet was verlopen. Voorts stelt [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] c.s. dat de verjaring is gestuit doordat er op 18 januari 2012 namens [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] c.s. aanmaningen zijn gestuurd en er daarna nog vele malen, op vele data en op verschillende wijzen, door aanmaningen en erkenningen, tijdige stuiting van de verjaring heeft plaatsgevonden.

3.10.

De rechtbank overweegt dat geen punt van geschil is dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] c.s. de dagvaarding in de onderhavige zaak aan het parket heeft betekent op 23 mei 2017 en dat deze [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] in ieder geval heeft bereikt op 27 november 2017, de datum van de verzetsdagvaarding. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] heeft voorts niet betwist dat er op 18 januari 2012 namens [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] c.s. schriftelijke aanmaningen zijn gestuurd die de verjaring van de vorderingen van [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] c.s. hebben gestuit (voor zover die, zoals [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] stelt, toen al en niet pas op 31 december 2012 opeisbaar waren, wat verder hier in het midden zal worden gelaten). [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] heeft voorts, ook desgevraagd ter comparitie, de stelling van [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] c.s. niet betwist dat er tussen 18 januari 2012 en 27 november 2017, op meerdere momenten en met kortere tussenpozen dan vijf jaar, contacten tussen de Duitse advocaten van respectievelijk [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] c.s. en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] hebben plaatsgevonden, waarin enerzijds namens [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] c.s. het recht op nakoming werd voorbehouden en anderzijds namens [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] het bestaan van de rechten werd erkend. De rechtbank gaat daar daarom van uit. De conclusie is dan dat er ook indien uitgegaan van de door [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] genoemde data van opeisbaarheid van de vorderingen geen voltooiing van de verjaringstermijn van 3:307 en 3:308 BW van vijf jaar heeft plaatsgevonden en het verweer dat de vorderingen zijn verjaard faalt. De nog aangevoerde stelling van [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] c.s. dat er ook nog op andere wijze stuiting heeft plaats gevonden kan derhalve verder onbesproken blijven.

3.11.

Voorts voert [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] aan, zo begrijpt de rechtbank, dat de vorderingen niet toewijsbaar zijn aangezien [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] c.s. de vorderingen uit hoofde van de overeenkomsten van geldlening heeft overgedragen aan [bestuurder van pachter] althans aan [bestuurder van pachter] GmbH.

3.12.

[gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] verwijst daarbij naar een aan hem gericht mailbericht van 9 mei 2014 van/namens [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] c.s. met, voor zover hier van belang, de volgende inhoud:

Gister hebben wij, [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] , [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 3] en [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 2] [ [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] c.s., de rechtbank], onze vorderingen op [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] [ [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] de rechtbank] uit geldleningen en de geïncasseerde bankgaranties met de bijbehorende inschrijvingen in het Grundbuch, notarieel overgedragen aan de heer [bestuurder van pachter] . Dit behoudens financiering. Daarmee komt een einde aan onze betrokkenheid bij Krugsdorf.

3.13.

Voorts verwijst [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] naar een Duitse notariële akte van 28 april 2014, waarin onder andere staat dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] c.s. en [bestuurder van pachter] , handelend namens [bestuurder van pachter] GmbH, onder meer hebben verklaard:

Herr Prof. Dr. [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] sowie [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 2] und [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 3] treten hiermit ihre jeweiligen Zalhungsansprüche mit allen Zinsansprüchen gegen Herrn [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] aus den vorgenannten Verträgen in voller Höhe aufschiebend bedingt mit vollständiger auflagenfreier Zahlung des in Abschnitt IV. dieser Urkunde genannten Betrages von 900.000.00 EUR auf das Notaranderkonto an die annehmende [pachter] ab.

3.14.

[eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] c.s. brengt hier tegenin dat de cessie plaatsvond, zoals in het mailbericht is vermeld en zoals ook in de akte is omschreven, onder een financieringsvoorbehoud en onder de opschortende voorwaarde van betaling van € 900.000.00 door [bestuurder van pachter] / [bestuurder van pachter] GmbH, dat die betaling is uitgebleven, dat niet aan de opschortende voorwaarde is voldaan en dat daarom geen cessie heeft plaatsgevonden.

3.15.

[gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] heeft dit niet meer weersproken en zijn stelling dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] c.s. de vorderingen heeft overgedragen verder niet onderbouwd, zodat deze stelling als onvoldoende onderbouwd wordt gepasseerd en het daarop gebaseerde verweer wordt verworpen. Nu de stelling dat cessie heeft plaatsgevonden gelet op het vorenstaande onvoldoende is onderbouwd, kan onbesproken blijven of de rechtsgeldigheid van enige cessie dient te worden beoordeeld naar Nederlands of Duits recht.

3.16.

[gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] voert voorts aan dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] c.s. met [bestuurder van pachter] heeft afgesproken dat [bestuurder van pachter] GmbH geen pachtpenningen meer zou afdragen aan [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] en dat zij daarvoor in de plaats aan [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] c.s. zou betalen, waarmee de vordering van [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] c.s. uit hoofde van de overeenkomsten van geldlening met [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] zou worden voldaan. Op deze wijze heeft, aldus [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] , enerzijds [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] c.s. een groot bedrag ontvangen en moet het er voor worden gehouden dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] c.s. volledig is betaald en dat de vorderingen geheel zijn voldaan en hebben anderzijds [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] en zijn vennootschappen veel schade opgelopen, doordat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] de pacht niet meer bij [bestuurder van pachter] kon innen, [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] en zijn vennootschappen daardoor de rekeningen van derden niet meer konden betalen en zij veel juridische procedures hebben moeten starten om het geld van de pachter te krijgen en om de schuldeisers “van hun nek te houden”. Het achter de rug van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] afspreken dat [bestuurder van pachter] GmbH de pacht niet meer zou betalen is, zo voert [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] aan, onrechtmatig en in strijd met de redelijkheid en billijkheid die [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] c.s. ten aanzien van de leningsovereenkomsten jegens [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] in acht had moeten nemen.

3.17.

[eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] c.s. betwist dat met [bestuurder van pachter] afspraken zijn gemaakt over het niet voldoen van de pacht aan [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] en het in plaats daarvan aan [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] c.s. afdragen van de pachtpenningen. Er heeft op enig moment wel een gesprek met [bestuurder van pachter] plaatsgevonden over de vraag of hij of zijn bedrijf het slot en de golfbaan zou kunnen kopen, wat een geldbedrag zou kunnen opleveren waarmee de schulden van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] aan [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] c.s. zouden kunnen worden voldaan. Dit heeft echter tot niets geleid. Er zijn, zo voert [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] c.s. voorts aan, geen gelden van [bestuurder van pachter] GmbH ontvangen, ook niet uit beslagen.

3.18.

De rechtbank overweegt dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] het bestaan van de gestelde afspraken tussen [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] c.s. en [bestuurder van pachter] GmbH niet heeft onderbouwd, wat gelet op de onderbouwde betwisting van [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] c.s., wel op zijn weg had gelegen. Het enkele feit dat er contacten hebben plaatsgevonden tussen [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] c.s. en [bestuurder van pachter] levert daarvan, nu voor die contacten een andere, niet onaannemelijke verklaring is gegeven, geen onderbouwing op. Ter comparitie is zijdens [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] in dat verband slechts aangevoerd dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] c.s. derdenbeslag heeft gelegd op de door [bestuurder van pachter] GmbH aan [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] verschuldigde pachtpenningen en dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] daarvan veel last heeft gehad. De rechtbank overweegt dat dit evenmin een onderbouwing is van de gestelde onrechtmatige afspraken. De stelling dat tussen [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] c.s. en [bestuurder van pachter] (GmbH) dergelijke afspraken zijn gemaakt wordt dan ook als onvoldoende onderbouwd verworpen. Wat er voorts van de gestelde beslagen ook zij, het leggen van derdenbeslag is niet zonder meer onrechtmatig, ook niet als dit problemen oplevert voor de schuldenaar, terwijl er door [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] geen feiten of omstandigheden zijn gesteld die er toe zouden kunnen leiden dat dat in dit geval wel zo is. Niet betwist is dat zijdens [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] geen juridische stappen zijn ondernomen om die beslagen op te heffen. De beslagen doen evenmin af aan de verplichtingen uit de overeenkomsten van geldlening. [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] c.s. heeft betwist dat hij enig geldbedrag uit beslag heeft ontvangen, terwijl voor zover [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] stelt dat dit wél het geval is, hij daarvan geen onderbouwing heeft gegeven.

3.19.

Ten aanzien van de hoogte van de leningen is niet in geschil dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] op respectievelijk 16 december 2009, 19 oktober 2010 en 29 december 2010 aan [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] B.V. leningen heeft verstrekt van respectievelijk € 65.000,00, € 35.000,00 en € 25.000,00, steeds tegen een contractuele rente van, gedurende de looptijd, 5% per jaar, en dat ter aanvulling en vervanging van de desbetreffende overeenkomsten van geldlening op 4 februari 2011 een ‘Overeenkomst strekkende tot integrale geldlening’ is gesloten waarbij tegen het zelfde rentetarief een extra lening is verstrekt van € 75.000,00, en waarbij is bepaald dat de eerdere overeenkomsten wel hun gelding behielden voor het berekenen van de verschuldigde rente. Gelet op dit laatste kan de stelling van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] dat door het sluiten van voornoemde ‘Overeenkomst strekkende tot integrale geldlening’ het recht van [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] op rente over de eerder verstrekte leningen over de tijdvlakken vóór 4 februari 2011 is vervallen, zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, niet worden gevolgd. Het totale door [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] aan [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] B.V. geleende bedrag komt daarmee op € 200.000,00. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] heeft niet betwist dat hij en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] B.V. op grond van de overeenkomsten, gezamenlijk en ieder voor zich, voor het geheel voor terugbetaling daarvan, alsmede tot betaling van de contractuele rente, aansprakelijk zijn en dat de terugbetalingsverplichting over de verschillende leningsdelen opeisbaar was vanaf – in ieder geval – 31 december 2012. Geen punt van geschil is voorts – behoudens de reeds verworpen stellingen van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] omtrent delging van de schuld door [bestuurder van pachter] – dat op deze leningen geen andere aflossingen hebben plaatsgevonden dan een betaling van € 129.332,37 per 1 juni 2015, door de moeder van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] .

3.20.

[eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] c.s. stelt dat van deze betaling zag op een aflossing van € 100.000.00 op de hoofdsom en de rest op rentebetalingen. Hij heeft dat onderbouwd door te stellen dat hij een ‘Grundbuch’-inschrijving had gekregen op het slot tot, aanvankelijk, een bedrag van € 100.000,00 en dat de aflossing, zo begrijpt de rechter, zag op het deel van de lening waarop die inschrijving zag en op de daarmee verband houdende verschuldigde rente. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] stelt dat de afbetaling volledig zag op de hoofdsom en in het geheel niet op rentebetalingen. Een onderbouwing daarvan heeft hij niet gegeven. De rechtbank overweegt dat, zoals volgt uit artikel 6:44 BW, als niets anders is overeengekomen, betaling van een op een bepaalde verbintenis toe te rekenen geldsom in de eerste plaats strekt in mindering van kosten, vervolgens in mindering van verschenen rente en ten slotte in mindering van de hoofdsom en de lopende rente. Geen punt van geschil is dat overeengekomen is dat van de aflossing ten minste € 100.000,00 zag op de hoofdsom. Nu de door [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] c.s. betwiste stelling van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] dat ook het andere deel van de aflossing zag op de hoofdsom niet is onderbouwd, gaat de rechtbank daaraan voorbij en is zij van oordeel dat op grond van voornoemd artikel 6:44 BW het resterende bedrag van € 29.332,37, zoals [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] c.s. aanvoert, in eerste instantie ziet op de verschenen rente en dan pas op de hoofdsom.

3.21.

Nu ten aanzien van de door [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] verstrekte leningen geen andere verweren zijn gevoerd is de conclusie dat de vordering voor zover die daarop ziet en op de daarmee samenhangende contractuele rente toewijsbaar is als gevorderd en zoals in het verstekvonnis toegewezen, met dien verstande dat de wettelijke rente over het leningdeel van € 65.000,00 eerst toewijsbaar is vanaf 16 december 2009 in plaats van 16 september 2009. Geen punt van geschil is immers dat de looptijd van die lening pas is ingegaan op 16 december 2009, terwijl een grond voor de verschuldigdheid van een eerdere rentevergoeding niet is aangevoerd.

3.22.

Niet in geschil is voorts dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 2] c.s. op basis van de in rov. 2.3. van het tussenvonnis genoemde overeenkomsten van geldlening in totaal € 390.000.00 (€ 100.00,00 per 6 april 2009, € 150.000,00 per 21 december 2009, € 40.000,00 per 24 juni 2010, € 25.000,00 per 30 december 2010 en € 75.000,00 per 31 januari 2011) aan [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] heeft geleend en dat daarbij ook een contractuele rentevergoeding over de geleende bedragen van 5% is overeengekomen, dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] B.V. op grond van de overeenkomsten gezamenlijk en ieder voor zich voor het geheel voor terugbetaling daarvan, alsmede tot betaling van de contractuele rente, aansprakelijk zijn en dat deze bedragen opeisbaar zijn. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] heeft voorts – behoudens de reeds besproken en verworpen verweren – niet betwist dat er geen afbetaling heeft plaatsgevonden en ook geen andere verweren gevoerd zodat ook het op deze overeenkomsten van geldlening gegronde deel van vorderingen toewijsbaar is, zoals toegewezen in het verstekvonnis.

3.23.

Uit hetgeen is overwogen in rov 3.16-3.18 volgt dat de stelling van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] c.s. achter zijn rug om afspraken heeft gemaakt met [bestuurder van pachter] of [bestuurder van pachter] GmbH over het door [bestuurder van pachter] / [bestuurder van pachter] niet voldoen van de pachtpenningen aan [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] als onvoldoende onderbouwd wordt verworpen. Dit brengt met zich dat de enkel op die stelling gebaseerde reconventionele vordering tot vergoeding van schade ontstaan door dit gestelde, door [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] als onrechtmatig aangemerkte, handelen, niet toewijsbaar is.

3.24.

[gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] vordert voorts dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] c.s. op grond van artikel 843a Rv wordt veroordeeld om alle gegevens die hij bezit inzake de contacten van en tussen [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] , [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 2] en [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 3] inzake het golfressort en hotel in Krugsdorf en inzake alle correspondentie en afspraken van hen met en [bestuurder van pachter] in kopie ter beschikking te stellen, een en ander gesanctioneerd met een dwangsom. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] onderbouwt deze vordering wederom met de stelling dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] c.s. achter zijn rug om afspraken heeft gemaakt met de pachter om de mogelijkheid van het innen van de pacht te frustreren. De rechtbank overweegt dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] een zeer ruime omschrijving heeft gegeven van de door hem verlangde stukken en dat hij niet nader heeft geconcretiseerd om welke stukken het precies gaat. Dat er afspraken zijn gemaakt om het innen van pacht te frustreren wordt betwist en is, zoals eerder overwogen, niet, althans onvoldoende onderbouwd. Het blijft bij een veronderstelling, waarbij voorts niet is onderbouwd waarom álle gegevens van contacten van en tussen [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] c.s. in dat verband van belang zijn. Gelet hierop is niet voldaan aan de vereisten van artikel 843a Rv. dat de vordering moet zien op bepaalde bescheiden waarbij voldoende concreet belang bestaat en krijgt het verzoek het karakter van een ‘fishing expedition’, waarvoor de procedure van 843a Rv. zich niet leent. De vordering wordt daarom afgewezen.

3.25.

[gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] vordert verder dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] c.s. wordt veroordeeld het beslag van [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] c.s. op het aandeel van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] in de nalatenschap van zijn overleden moeder op te heffen en door te laten halen en geen nieuw beslag te leggen, een en ander opnieuw onder dreiging van een dwangsom. Nu zijdens [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] echter ter comparitie is verklaard dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] daar zelf geen belang bij heeft komt de vordering reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking. Daarbij komt dat geen punt van geschil is dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] c.s. opeisbare voreringen heeft op [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] , en dat betaling is uitgebleven, waarmee in beginsel het belang om conservatoire maatregelen te nemen is gegeven. De stelling dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] c.s. geen gerechtvaardigd belang heeft omdat hij voldoende heeft aan zijn Duitse zekerheden, hypothecaire inschrijvingen in het Grundbuch, is door [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] c.s. gemotiveerd bestreden. [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] c.s. stelt dat deze zekerheden nog niets hebben opgeleverd, dat er geen zicht is op of en wanneer dit wel het geval zal zijn, dat hij dit niet zelf in de hand heeft en dat twijfelachtig is dat dit voldoende zal zijn om zijn vorderingen te dekken. Gelet op deze betwisting had de stelling van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] dat het belang van [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] c.s. voor het beslag ontbrak nader onderbouwd moeten worden, wat naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende is gebeurd. De stelling dat de geringe opbrengst uit de Duitse zekerheden te wijten is aan handelen van [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] c.s. wordt eveneens als onvoldoende onderbouwd verworpen.

3.26.

[gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] voert nog aan dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] c.s. willens en wetens vorderingen, waarvan zij wisten dat deze niet toewijsbaar waren op een dusdanige wijze hebben aangebracht dat de dagvaarding [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] niet kon bereiken en hij dus geen verweer kon voeren, waarmee hij, aldus [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] , misbruik van hun bevoegdheid maakte. Nog daargelaten dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] c.s. betwist dat de dagvaarding - al dan niet bewust - op een wijze is aangebracht dat deze [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] niet zou bereiken, staat, nu de vordering van [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] c.s. toegewezen wordt, vast dat deze niet kansloos was, zodat de stellingen die van het tegendeel uitgaan worden verworpen en de op die stellingen gebaseerde vordering tot een kostenvergoeding wordt afgewezen.

3.27.

Ten slotte wordt ook de vordering dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] c.s. bij toewijzing wordt veroordeeld tot het stellen van zekerheid afgewezen. De ter onderbouwing van die vorering geponeerde stelling dat er sprake is van gevaar voor verduistering is niet concreet onderbouwd.

3.28.

De conclusie is dat in conventie het verstekvonnis op grond van het vorenstaande worden vernietigd, voor zover daarin de betaling van wettelijke rente is toegewezen over het leningdeel van € 65.000,00 over de periode van 16 september tot 16 december 2009. Het desbetreffende deel van de vordering zal alsnog worden afgewezen. Voor het overige zal dit vonnis op genoemde gronden worden bekrachtigd.

De vordering van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] in reconventie wordt afgewezen.

3.29.

[gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] zal als de in het ongelijk gestelde partij in conventie in de kosten van het verzet worden verwezen en ook in de kosten in reconventie. De kosten van het verzet worden aan de zijde van [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] c.s. begroot op:

- salaris advocaat 3.099,00 (1,0 punt × tarief € 3.099,00)

Totaal € 3.099,00

De kosten in reconventie worden aan de zijde van [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] c.s. begroot op:

- salaris advocaat 461,00 (2,0 punten × factor 0,5 × tarief € 461,00)

Totaal € 461,00

3.30.

De door [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] c.s. gevorderde nakosten in conventie en in reconventie zijn gelet op het vorenstaande eveneens toewijsbaar en worden samen begroot op € 246,00, vermeerderd met € 82,00 en explootkosten indien niet tijdig aan het vonnis wordt voldaan, een en ander zoals in het dictum nader omschreven.

4 De beslissing

De rechtbank

in conventie

4.1.

vernietigt het door deze rechtbank op 4 oktober 2017 onder zaaknummer / rolnummer 322857 / HA ZA 17/345 gewezen verstekvonnis, voor zover [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] daarbij is veroordeeld tot de betaling van wettelijke rente over € 65.000,00 over het tijdvak van 16 september 2009 tot 16 december 2009,

en opnieuw beslissend

4.2.

wijst het desbetreffende deel van de vorderingen alsnog af,

4.3.

veroordeelt [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] in de kosten van de verzetprocedure, aan de zijde van [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] c.s. tot op heden begroot op € 3.099,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

4.4.

bekrachtigt het verstekvonnis voor het overige,

in reconventie

4.5.

wijst de vorderingen af,

4.6.

veroordeelt [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het verzet 1] c.s. tot op heden begroot op € 461,00,

voorts in conventie en inreconventie

4.7.

veroordeelt [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 246,00 voor de nakosten aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie, eiser in het verzet 1] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

4.8.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.P.E.E. van Groeningen en in het openbaar uitgesproken op 5 september 2018.