Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:5417

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
05-11-2018
Datum publicatie
18-12-2018
Zaaknummer
AWB - 15_7121
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uit zowel document b [de conceptofferte ‘Risico-analyse publiek personaliseren e-ID’ van bedrijf X] als document c [het ‘Concept bestek aanbesteding eID in Nederland’ van bedrijf Y] kan worden afgeleid op welke wijze – en onder welke voorwaarden – de betrokken bedrijven te werk gaan bij het inventariseren van eisen en knelpunten inzake digitale communicatie tussen de RDW en burgers binnen de kaders van het programma ‘eID in Nederland’. Deze documenten bevatten bedrijfsgegevens in de zin van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob.

In de uitspraak van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:321) heeft de Afdeling bestuurs-rechtspraak van de Raad van State overwogen dat het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zich verzet tegen openbaarmaking van namen van medewerkers die niet wegens hun functie in de openbaarheid treden, tenzij de indiener van het desbetreffende Wob-verzoek aannemelijk heeft gemaakt dat het belang van de openbaarheid in een concreet geval zwaarder weegt. Nu het in deze zaak gaat om de namen van medewerkers die niet wegens hun functie in de openbaarheid treden en eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat het belang van de openbaarheid zwaarder weegt dat het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de desbetreffende medewerkers, heeft verweerder openbaarmaking van de namen terecht geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/7121

uitspraak van de meervoudige kamer van 5 november 2018

in de zaak tussen

AET Europe B.V., gevestigd te Arnhem, eiseres (gemachtigde:

mr. L.J. Wildeboer)

en

de directie van de Dienst Wegverkeer (RDW), verweerder (gemachtigde:

mr. R. Wijling)

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

PricewaterhouseCoopers Advisory N.V.’, gevestigd te Amsterdam (gemachtigde: mr. J.R. van Angeren).

Procesverloop

Per brief van 6 november 2013 (het Wob-verzoek) heeft eiseres aan verweerder gevraagd om een aantal nader aangeduide documenten openbaar te maken in de zin van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).

Bij besluit van 29 oktober 2014 (primair besluit) heeft verweerder het Wob-verzoek gedeeltelijk toegewezen.

Op 14 januari 2015 heeft eiseres tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 20 oktober 2015 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van 14 januari 2015 ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten.

Op 30 november 2015 heeft eiseres tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Op 25 maart 2016 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 13 maart 2017 en 18 april 2017 heeft verweerder de documenten waarop het Wob-verzoek ziet en die verweerder niet openbaar wil maken, ingezonden, met de mededeling dat uitsluitend de rechtbank kennis mag nemen van deze stukken.

In haar beslissing van 2 mei 2017 heeft de rechtbank het geheimhoudingsverzoek van

18 april 2017 toegewezen.

Op 9 mei 2017 heeft eiseres aan de rechtbank toestemming verleend om kennis te nemen van de stukken waarop de beslissing van 2 mei 2017 betrekking heeft.

Op 24 mei 2018 heeft de derde-partij een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden ter zitting van 16 oktober 2018. Eiseres is, met bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door E.C. Niemijer, bijgestaan door de gemachtigde van verweerder. Namens de derde-partij is verschenen [belanghebbende] , bijgestaan door de gemachtigde van de derde-partij.

Overwegingen

Voorgeschiedenis

1. Verweerder heeft via vier afzonderlijke besluiten – genomen op 15 januari 2014,

18 februari 2014, 27 maart 2014 en het primaire besluit – op het Wob-verzoek beslist. Bij besluiten van 1 mei 2014 en 6 augustus 2014 heeft verweerder beslist op de bewaren van eiseres tegen de besluiten van 15 januari 2014, 18 februari 2014 en 27 maart 2014. Bij besluit van 20 oktober 2015 heeft verweerder naar aanleiding van de tussenuitspraak van de rechtbank in de beroepen tegen die besluiten, deze besluiten vervangen door een nieuw besluit op voornoemde bezwaren1. Op 24 januari 2017 heeft de rechtbank uitspraak gedaan in deze beroepen.2 In haar uitspraak van 30 mei 2018 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beslist op het hoger beroep van verweerder tegen de uitspraak van 24 januari 2017.3

Reikwijdte van het geding

2.1.

Bij het primaire besluit heeft verweerder beslist op het Wob-verzoek voor zover dit strekt tot openbaarmaking van:

a. de dienstverleningsovereenkomst ‘RDW E-ID vooronderzoek E-ID’ die verweerder in oktober 2013 heeft gesloten het bedrijf ‘Get there’ (document a);

b. de conceptofferte ‘Risico-analyse publiek personaliseren e-ID’ gedateerd 27 september 2013 die de derde-partij aan verweerder heeft gezonden (document b);

c. het ‘Concept bestek aanbesteding eID in Nederland’ gedateerd 18 oktober 2013 dat door het bedrijf ‘UL Transaction Security’ aan verweerder is gezonden (document c).

2.2.

Verweerder heeft beslist om document a openbaar te maken, met dien verstande dat de persoonsgegevens van de bij hem werkzame ambtenaren worden weggelakt. Verweerder heeft – mede gelet op de zienswijzen van de derde-partij en ‘UL Transaction Security’ – bepaald dat document b en document c niet openbaar worden gemaakt.

2.3.

Eiseres wil dat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, het bestreden besluit vernietigt en voor zover mogelijk zelf in de zaak voorziet. Daarnaast verzoekt eiseres de rechtbank om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten die zij voor deze procedure heeft gemaakt.

Beschikbaarheid van documenten

3.1

Eiseres betoogt dat verweerder beschikt over meer documenten – met betrekking tot de onderwerpen waarop het primaire besluit ziet – dan in het bestreden besluit wordt gesuggereerd.

3.2

In overweging 5 van haar uitspraak van 24 januari 2017 heeft de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud geoordeeld dat verweerder voldoende heeft onderzocht welke stukken zich onder hem – en de ambtelijke organisatie waarvoor hij verantwoordelijk is – bevinden. Tegen dit oordeel is eiseres niet in rechte opgekomen. Het betoog van eiseres vormt welbeschouwd een herhaling van wat zij in de beroepsprocedures met de zaaknummers 14/3784 en 14/6730 heeft aangevoerd, en geeft de rechtbank geen aanleiding om terug te komen van haar oordeel over de zoekslag die verweerder naar aanleiding van het Wob-verzoek heeft gemaakt. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Persoonsgegevens van ambtenaren

4.1.

Eiseres betoogt verder dat verweerder de persoonsgegevens van de bij het project betrokken medewerkers redelijkerwijs niet onleesbaar mocht maken.

4.2.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob blijft het

verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. In de uitspraak van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:321) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwogen dat het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zich verzet tegen openbaarmaking van namen van medewerkers die niet wegens hun functie in de openbaarheid treden, tenzij de indiener van het desbetreffende Wob-verzoek aannemelijk heeft gemaakt dat het belang van de openbaarheid in een concreet geval zwaarder weegt. Nu het in deze zaak gaat om de namen van medewerkers die niet wegens hun functie in de openbaarheid treden en eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat het belang van de openbaarheid zwaarder weegt dat het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de desbetreffende medewerkers, heeft verweerder openbaarmaking van de namen terecht geweigerd. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Bedrijfs- en fabricagegegevens

5.1.

Eiseres voert verder aan dat geen van de documenten waarop het primaire besluit betrekking heeft, bedrijfs- en fabricagegegevens bevat.

5.2.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft achterwege voor zover dit bedrijfs- en fabricage-gegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld.

5.3.

De rechtbank heeft met toestemming van eiseres kennisgenomen van de stukken waarover bij het primaire besluit is beslist. Uit zowel document b als document c kan worden afgeleid op welke wijze – en onder welke voorwaarden – de betrokken bedrijven te werk gaan bij het inventariseren van eisen en knelpunten inzake digitale communicatie tussen de RDW en burgers binnen de kaders van het programma ‘eID in Nederland’. Deze documenten bevatten bedrijfsgegevens in de zin van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob. De bedrijfsgegevens kunnen – zoals verweerder terecht heeft overwogen – slechts vertrouwelijk kunnen blijven als deze documenten in hun geheel niet openbaar worden gemaakt. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie

6. Geen van de aangevoerde gronden slaagt. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, voorzitter, mr. D.J. Post en

mr. L.M. Koenraad, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Bolzoni, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 5 november 2018

Griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Rechtbank Gelderland 6 februari 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:717.

2 Rechtbank Gelderland 24 januari 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:5575.

3 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 30 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1773.