Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:5402

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
28-11-2018
Datum publicatie
14-12-2018
Zaaknummer
7269790 VV EXPL 18-78
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

[jw.sys.1.zaaknr] / [jw.sys.1.rolnummer_rekestnr][datum_beslissing]

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Apeldoorn

Zaaknummer : 7269790 VV EXPL 18-78

Grosse aan : mr. Seijbel

Afschrift aan : mr. Spierings

Vonnis in kort geding d.d. 28 november 2018

in de zaak van:

de stichting, Woningstichting De Goede Woning,

gevestigd te Apeldoorn,

eisende partij, verder te noemen de stichting,

gemachtigde: mr. M.J. Seijbel,

tegen

[bewindvoerder], als bewindvoerder van [gedaagde] wonende te [woonplaats],

kantoorhoudende te [plaats],

gedaagde partij, laatstgenoemde verder te noemen [gedaagde],

gemachtigde: mr. D.A.J. Spierings.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 17 oktober 2018 met producties

  • -

    de brief d.d. 23 oktober 2018 van mr. Seijbel met aanbieding van productie 20

  • -

    de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van 14 november 2018 met daaraan gehecht de pleitaantekeningen van mr. Seijbel

1.2

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1

Tussen de stichting als verhuurder en [gedaagde] als huurder is per 16 december 2015 een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot de woning aan de [adres] te [plaats], hierna verder: de woning. Op de huurovereenkomst zijn de Algemene huurvoorwaarden, versie mei 2014, van de stichting van toepassing verklaard.

2.2

In een bijlage bij de schriftelijke huurovereenkomst staat onder meer:

“Binnen de afgelopen drie jaar is er sprake geweest van overlast en huurachterstanden. Met deze bijlage maken wij met u afspraken over het zelfstandig wonen aan de [adres].

Afspraken

[…]

U heeft een relatie met de heer [naam]. De overlast die geweest is had een verband met de heer [naam]. U gaat in de [adres] wonen met uw twee kinderen. Wanneer u besluit om de heer [naam] bij u te laten wonen, vraagt u eerst toestemming aan bij De Goede Woning.

[…]

Wij wijzen U extra op de Algemene Huurvoorwaarden die u ontvangt bij de huurovereenkomst van de [adres]. In het bijzonder wijzen wij u erop dat u als huurder rekening houdt met omwonenden. U mag geen overlast veroorzaken. Dit geldt voor zowel overdag als ook voor in de avond/nachtelijke uren. Dit geldt ook voor uw bezoek en uw inwonende kinderen.”

Door het ondertekenen van deze bijlage geeft u aan dat u geen overlast veroorzaakt, u rekening houdt met omwonenden en dat u tijdig de huurbetalingen doet. Wanneer er toch problemen op het gebied van wonen ontstaan, neemt u dan gelijk contact op met De Goede Woning.”

2.2

In oktober 2016 heeft [gedaagde] aan de stichting toestemming gevraagd en gekregen om haar toenmalige partner [naam] bij haar te laten inwonen.

2.3

De stichting heeft op 14 maart 2017 naar aanleiding van een overlastmelding gesproken met [gedaagde] en [naam] en er zijn toen extra afspraken gemaakt die de stichting bij brief van 15 maart 2017 heeft vastgelegd, als volgt:

“Met u en uw partner is afgesproken dat uw partner nog meer zijn best gaat doen om geen overlast te veroorzaken aan de buurt. Dit kan hij bereiken door minder alcohol te nuttigen, geen alcohol in de tuin en op straat te drinken en in deze situatie geen vrienden in de tuin uit te nodigen. Ook het branden van de ton in de tuin staan wij in deze situatie niet toe. Dit geeft veel overlast aan omwonenden. Verder verwachten wij dat u door gaat met het netjes maken en inrichten van de tuin.”

2.4

In de zomer en in het najaar van 2017 zijn door de stichting diverse afspraken gemaakt met [gedaagde] over het opschonen van de achtertuin bij de woning.

2.5

[gedaagde] heeft de stichting in februari 2018 laten weten dat [naam] niet langer bij haar inwoont.

2.6

De stichting heeft op 13 juli 2018 aan [gedaagde] onder meer geschreven:

“Op dinsdag 10 juli 2018 heb ik met u gesproken over uw woongedrag en het gedrag van uw kinderen en bezoekers. Meerdere keren hebben wij met u en uw hulpverlener afspraken gemaakt over het wonen aan de [adres]. De meldingen die wij vanuit de woonomgeving ontvangen zijn meldingen die aantonen dat u zich niet aan de gemaakte afspraken houdt. Met deze brief krijgt u een laatste waarschuwing.[…] Wij ontvangen opnieuw meldingen van geluidoverlast overdag en in de late uren, het geregeld stoken van openvuur in de tuin en grof taalgebruik van aanwezigen. De Goede Woning heeft veel geduld gehad met het woongedrag van u en het gedrag van alle aanwezigen. Wij accepteren geen enkele overlast meer!”

2.7

Een 14-tal buurtbewoners heeft in september 2018 een verklaring ondertekend, waarvan de (voorgedrukte) tekst luidt:

“Door middel van deze verklaring geeft ondergetekende te kennen overlast in de breedste zin van het woord te ervaren, veroorzaakt door de bewoner(s) van de woning aan [adres] te Apeldoorn. De overlast betreft onder andere het gebruik van grove schuttingtaal bij het passeren van de woning tegen voorbijgangers, het draaien van harde muziek, het continu communiceren met elkaar alsmede met bezoekers op een ruzieachtige toon, het extreem hard rijden door de buurt met een auto/scooter in combinatie met toeteren/onnodig gasgeven, (illegaal) vuurwerk afsteken en het luidruchtig aanwezig zijn bij de woning van veel kinderen/pubers.”

2.8

De gemachtigde van de stichting heeft bij brief van 14 september 2018 van [gedaagde] geëist dat zij ermee instemt dat de bewindvoerder de huurovereenkomst opzegt. Daartoe is zij niet overgegaan.

2.9

In een schriftelijke verklaring d.d. 4 oktober 2018 van [naam], Consulent Wijk & Ontwikkeling bij de stichting staat:

“Vanaf april 2016 tot aan heden heeft De Goede Woning van meerdere buurtbewoners meldingen ontvangen waarin zij aangeven overlast te ondervinden van de bewoners, inwoners en bezoekers van de woning [adres]. De meldingen van overlast zijn verwerkt in de samenvatting ‘overlast casus [adres]’. De Goede Woning kan de overlast tijdens een rechtszitting niet onderbouwen met de daadwerkelijke schriftelijke meldingen met persoonsgegevens. Deze meldingen heb ik in vertrouwen aangenomen en verwerkt. Ik wil benadrukken dat alle buurtbewoners die gemeld hebben, niet willen dat de meldingen inzichtelijk worden voor de veroorzakers. Wij respecteren en begrijpen de keuze van alle melders, gezien alle melders wegens angst voor represailles de keuze wel overwogen gemaakt hebben.”

2.10

Bij besluit d.d. 23 oktober 2018 heeft de politiechef van de eenheid Oost-Nederland het verzoek van de stichting tot het verstrekken van een sfeerrapportage van het adres [adres] te Apeldoorn toegewezen, onder overweging dat een verstrekking op grond van artikel 19 Wet politiegegevens is gerechtvaardigd omdat de veiligheid van omwonenden in het geding is bij het voortzetten van de situatie waarin de rechtsorde in ernstige mate wordt geschaad. In de bij het besluit gevoegde sfeerrapportage van de wijkagent [naam] zijn tien overlastmeldingen beschreven afkomstig van vier verschillende adressen in de omgeving van de woning, op negen data in de periode van 18 juli 2018 tot en met 4 oktober 2018. Op 21 augustus 2018 is door [naam] in het politiesysteem geregistreerd:

“Ik, rapporteur, heb een gesprek gehad met bewoners van een adres in de directe omgeving van de [adres]. Deze bewoners vertellen mij dat ze erg veel overlast ervaren van de bewoners van de [adres]. Vanaf het moment dat [naam] (de nieuwe partner van [gedaagde], toevoeging kantonrechter) aan de [adres] woont, is er overlast van hem. Hij schreeuwt, scheldt en vloekt de hele dag door en er komt alleen maar vunzige taal uit zijn mond. Ook scheldt hij buurtbewoners uit en roept hij vunzige taal tegen buurtbewoners. [gedaagde] corrigeert [naam] niet maar lacht om alles wat hij doet. [naam] laat zijn hond vaak met zijn bek aan de tak van een boom hangen. Zij maken zich zorgen dat de hond verkeerd behandeld wordt en dat hij een gevaar kan vormen voor zijn omgeving. Er komen veel tieners aan de [adres] waar [naam] vervolgens het verkeerde voorbeeld aan geeft.”

3 De vordering en het verweer

3.1

De stichting vordert de veroordeling van de bewindvoerder bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad om de woning met [gedaagde] en de haren te ontruimen en te verlaten binnen zeven dagen na betekening van het te wijzen vonnis. Daartoe heeft de stichting, kort samengevat, aangevoerd dat [gedaagde] geen grenzen kan stellen aan het overlastgevend gedrag van bij haar inwonende personen en bezoekers in de woning, welk gedrag het woonplezier van omwonenden ernstig verstoort en waardoor de gemoederen inmiddels hoog oplopen en escalatie dreigt. De omwonenden dienen zo spoedig mogelijk gevrijwaard te worden van overlast en de daarmee gepaard gaande bedreigingen en intimidaties.

Dat rechtvaardigt een spoedige ontruiming van het gehuurde voorafgaand aan een bodemprocedure waarin ontbinding van de huurovereenkomst zal worden gevorderd.

3.2

De bewindvoerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd, waarop hierna voor zover nodig zal worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1

Het spoedeisend belang van de vordering vloeit voort uit de aard van de vordering en de stellingen van de stichting. Dat de beweerde overlast al langer ter discussie staat, maakt niet dat het spoedeisend belang ontbreekt. De vraag of daarvan sprake is moet worden beoordeeld naar het moment waarop over de vordering wordt beslist en in dat verband komt het erop aan of het belang van de omwonenden vereist dat er op korte termijn een einde komt aan de gestelde overlast.

4.2

Voorop gesteld wordt dat het veroorzaken door [gedaagde] van hinder aan omwonenden volgens vaste rechtspraak een schending oplevert van haar contractuele verplichting om zich daarvan te onthouden alsook van de wettelijke verplichting om zich als een goed huurder te gedragen, waarin een zorgplicht jegens de omgeving ligt besloten. Afhankelijk van de aard, ernst en omvang van de overlast en alle overige omstandigheden van het geval, waartoe in dit geval ook de onder 2.2 weergegeven bijzondere afspraken moeten worden gerekend, kan dat in een bodemprocedure grond opleveren voor ontbinding van de huurovereenkomst.

4.3

Indien sprake is van overlastgevend gedrag dat naar verwachting in een bodemprocedure zal leiden tot een ontbinding van de huurovereenkomst, kan daarop in een kort geding worden vooruit gelopen met toewijzing van een vordering tot ontruiming. Daarvoor is wel nodig, in de eerste plaats dat met een grote mate van waarschijnlijkheid kan worden aangenomen dat de overlast zich daadwerkelijk voordoet en dat die ook zal leiden tot toewijzing van een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst in een bodemprocedure, en in de tweede plaats dat in redelijkheid niet van de verhuurder kan worden verwacht dat de uitkomst van die bodemprocedure wordt afgewacht.

De kantonrechter moet daarbij wel bedenken dat een ontruiming ingrijpend is en meestal een onomkeerbaar karakter heeft waarmee een inbreuk wordt gemaakt op het voor iedereen geldende recht op repect voor zijn woning en zijn familie- en gezinsleven.

Een ontruiming in kort geding moet daarom mede berusten op een belangenafweging en dient proportioneel te zijn.

4.4

De kantonrechter is voorlopig van oordeel dat de door de stichting gestelde overlast voldoende steun vindt in de door de wijkconsulent en de wijkagent geregistreerde meldingen van buurtbewoners. Dat de herkomst van deze meldingen (nog) niet is geopenbaard vanwege de behoedzaamheid die de buurtbewoners voorlopig in acht willen nemen, doet daar niet aan af. Er is bovendien geen reden gesteld om aan te nemen dat de wijkconsulent en de wijkagent meldingen verzinnen of overdrijven. Anders dan [gedaagde] heeft gesteld zijn de meldingen voldoende concreet. De aard daarvan is divers en hoewel betwijfeld mag worden of alle meldingen (zoals die over het taalgebruik van [gedaagde] en haar medebewoners en bezoekers) voldoende verband houden met het huurrecht en de in verband daarmee aan [gedaagde] te stellen eisen, overheerst het aspect geluidoverlast door indringend geschreeuw en gescheld vanuit en rondom de woning, harde muziek vanuit de woning, het afsteken van vuurwerk en het volop gas geven met de auto in de straat.

Aannemelijk is dat de buurtbewoners door deze gedragingen langdurig en structureel zijn blootgesteld aan een ontoelaatbare hoeveelheid geluid, waarvan zij hinder hebben ondervonden. Daarmee staat voorlopig voldoende vast dat [gedaagde] overlast heeft veroorzaakt aan omwonenden. Dat deze overlast niet door [gedaagde] zelf is veroorzaakt maar tot februari 2018 door haar ex-partner en vanaf de zomer van 2018 door haar nieuwe vriend, doet daarbij niet terzake. Zij is immers als huurder verantwoordelijk voor gedragingen van derden die in of vanuit de woning overlastgevend gedrag veroorzaken. [gedaagde] had daarom, zeker als in aanmerking wordt genomen dat zij door de stichting herhaaldelijk is gewaarschuwd, maatregelen moeten treffen die in verband met de overlast redelijkerwijs van haar verlangd hadden mogen worden (gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12 mei 2015, WR 2016/45). In plaats van te lachen om alles wat haar nieuwe vriend doet, zoals buurtbewoners zeggen te hebben waargenomen (zie de onder 2.10 weergegeven registratie d.d. 21 augustus 2018 van de wijkagent), had zij hem -al was het maar tijdelijk- de toegang tot haar woning moeten ontzeggen. [gedaagde] heeft dat nagelaten, kennelijk omdat zij onvoldoende weerstand kan bieden aan haar vriend.

4.5

Alle overige door [gedaagde] aangevoerde feiten en omstandigheden leggen onvoldoende gewicht in de schaal om aan te nemen dat de bodemrechter haar beroep op de uitzondering van artikel 6:265 lid 1 BW zal honoreren. Dit betekent dat het voldoende aannemelijk is geworden, lettend op de hiervoor omschreven maatstaf, dat de vordering tot ontbinding in een eventuele bodemprocedure, zal worden toegewezen. De spoedeisendheid van de belangen van de omwonenden, die de situatie inmiddels als uitzichtloos ervaren en het begrijpelijk meer dan beu zijn dat hun woongenot nog steeds wordt geschaad, biedt in het licht daarvan voldoende grond om in dit kort geding op die ontbinding vooruit te lopen.

Weliswaar heeft [gedaagde] een groot belang bij het behoud van haar woning, maar inmiddels mogen de belangen van de omwonenden zwaarder wegen.

4.6

[gedaagde] verzet zich echter wel terecht tegen een ontruiming op stel en sprong die de stichting verlangt. De bij de stichting bekende (persoonlijkheids)problematiek van [gedaagde] vergt dat de hulpverlening rondom haar persoon enige tijd moet worden gegund om een passende opvang voor haar te organiseren. Daar komt nog bij dat [gedaagde] nog herstellende is van een medische ingreep die zij niet lang geleden heeft ondergaan, zo is ter zitting gebleken. Rekening houdend met deze belangen aan de zijde van [gedaagde] wordt de termijn voor ontruiming gesteld op uiterlijk 1 maart 2019.

4.7

Het gevorderde is toewijsbaar. Nu ook de stichting op een onderdeel in het ongelijk wordt gesteld, worden de proceskosten gecompenseerd zoals hierna te melden.

5 De beslissing

De kantonrechter, rechtdoende in kort geding:

veroordeelt de bewindvoerder om na betekening van dit vonnis uiterlijk op 1 maart 2019 de woonruimte gelegen aan de [adres] te Apeldoorn, met [gedaagde] en alle zich daarin van harentwege bevindende zaken en personen, te ontruimen en te verlaten en onder afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van de stichting te stellen,

verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij belast blijft met de eigen kosten.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. J.T.G. Roovers en in het openbaar uitgesproken op 28 november 2018, in tegenwoordigheid van de griffier.