Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:5393

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
14-11-2018
Datum publicatie
17-12-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 265
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 52a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tussenbeslissing, arresten van de Hoge Raad van 4 mei 2018 (ECLI:NL:HR:2018:672), 10 april 2015 (ECLI:NL:HR:2015:874 en 15 november 2013 (ECLI:NL:HR:2013:1129), verweerder heeft niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd, samenhang tussen zaken van eiser en de zaken van zijn familieleden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 18-12-2018
V-N Vandaag 2018/2814
NLF 2019/0021 met annotatie van Sara Verkaik
FutD 2019-0006 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N 2019/8.16 met annotatie van Redactie
NTFR 2019/138
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummers: AWB 17/259 tot en met 17/266, 17/268, 17/270 en 17/271

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 14 november 2018

in de zaken tussen

[X] , te [Z] , eiser

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Breda, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op naam van eiser informatiebeschikkingen vastgesteld als bedoeld in artikel 52a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) die betrekking hebben op de heffing van inkomstenbelasting voor de jaren 2005 tot en met 2014 en de heffing van schenkbelasting voor het jaar 2011.

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 19 december 2016 de beschikkingen gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen tijdig beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Daarbij heeft verweerder voor een aantal stukken een beroep op geheimhouding gedaan.

Bij beslissing van 6 juni 2017 heeft de rechtbank voor zover relevant bepaald dat beperkte kennisneming respectievelijk geheimhouding van de overgelegde stukken gerechtvaardigd is.

Eiser heeft daarop geen toestemming gegeven aan de rechtbank om van deze stukken kennis te nemen.

Eiser heeft, na daartoe de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd, waarna verweerder schriftelijk heeft gedupliceerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2018.

Namens eiser zijn verschenen de gemachtigde en mr. [A] . Namens verweerder zijn verschenen mr. [gemachtigde] en mr. [B] .

De beroepen zijn ter zitting gelijktijdig behandeld met de beroepsprocedures ten name van [C] (zaaknummers AWB 17/256 tot en met 17/258) en [D] (AWB 17/2155 tot en met 17/2159 en 17/2162).

Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan elkaar.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om einde een beslissing te nemen ten aanzien van de op zaken betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

Overwegingen

Feiten

1. [D] is getrouwd met [E] . Samen hebben zij twee kinderen, [C] en eiser. De familie [F] is eigenaar van het [F] -concern. Het [F] -concern drijft een onderneming in het verwerken en vermarkten van vlees en vleeswaren.

2. In 2005 heeft eiser de Curaçaose Stichting Particulier Fonds (hierna: SPF) [G] opgericht.

3. De SPF [G] houdt, via [H] N.V., formeel gevestigd te Curaçao, onder meer 94% van de aandelen in [I] B.V. (hierna: [I] ) en 94% van de aandelen in [J] GmbH.

4. De resterende 6% van de aandelen in genoemde vennootschappen worden gehouden door de Curaçaose SPF [K] . SPF [K] is in 2005 opgericht door [D] en zijn echtgenote.

5. Uit de aangifte vennootschapsbelasting 2007 van [I] volgt dat deze per 31 december 2007 een schuld heeft aan SPF [K] van € 930.439.

6. Op 23 december 2009 heeft eiser € 1.436.743 ontvangen van SPF [G] .

7. Eiser heeft op 11 september 2009 aangifte inkomstenbelasting gedaan voor het jaar 2007. Naar aanleiding van die aangifte en de aangifte vennootschapsbelasting van [I] heeft verweerder bij brief van 8 februari 2010 verzocht om informatie met betrekking tot SPF [K] . Bij brief van 16 maart 2010 heeft eiser hierop gereageerd.

8. Op 12 februari 2013 heeft verweerder met het oog op de heffing van dividend-, successie-, vennootschaps-, en inkomstenbelasting aan de autoriteiten van Curaçao om informatie verzocht.

9. Naar aanleiding van dit verzoek zijn op 10 maart 2014 inlichtingen van de autoriteiten van Curaçao ontvangen.

10. Op 8 mei 2014 heeft verweerder aan de autoriteiten van Curaçao om nadere informatie verzocht. De informatie is op 5 januari 2015 ontvangen.

11. Naar aanleiding van de ontvangen inlichtingen heeft verweerder bij brief van 6 mei 2015 eiser verzocht om informatie. Verweerder heeft de volgende vragen over SPF [G] en SPF [K] gesteld:

“(…)

1. Kunt u mij een overzicht geven van:

a. de vermogensbestanddelen die in de SPF’s zijn ingebracht, en

b. de namen van de inbrengers van het vermogen.

Het feit dat u mogelijkerwijze stelt daarover niets te weten ontslaat u geenszins van uw plicht om mij deze informatie te verstrekken. U bent in dat kader immers de meest gerede partij om deze informatie, op welke wijze dan ook, te verkrijgen.

2. Wat was uw betrokkenheid bij de SPF’s vanaf het moment van oprichting tot het moment van liquidatie? Gaarne zie ik een nauwkeurige beschrijving van uw (bestuurs-) werkzaamheden, gedane verzoeken en raadgevingen (inclusief verslagen van vergaderingen, besprekingen, afspraken e.d.) voor de SPF’s tegemoet.

3. Zijn er statuten of bescheiden van soortgelijke aard (bijvoorbeeld reglementen of instructies) waarin de rol en de taken van de (bestuurs)werkzaamheden zijn vastgelegd? Zo ja, dan verzoek ik u deze statuten of bescheiden van soortgelijke aard aan mij te overleggen

4. Met het oog op uw antwoorden vraag 3 vraag ik u welke perso(o)n(en) het beheer, bestuur en feitelijke beslissingsmacht (bijvoorbeeld op basis van een Power of Attorney of Letter of Attorney) binnen de SPF s heeft/hebben?

5. Bent u op enigerlei wijze gerechtigd tot het vermogen en/of de inkomsten daaruit van de SPF’s? Zo ja, dan verzoek ik u dat concreet toe te lichten. Zo nee, dan verzoek ik u mij mede te delen welke personen (onder vermelding van volledige naam en adres) uiteindelijk gerechtigde of begunstigde zijn tot het vermogen en/of de inkomsten daaruit van de SPF.

6. Hebben de SPF’s sinds hun oprichting uitkeringen gedaan? Zo ja, aan welke personen (onder vermelding van volledige naam en adres) en op welke tijdstippen Het feit dat u mogelijkerwijze stelt daarover niets te weten ontslaat u geenszins van uw plicht om mij deze informatie te verstrekken. U bent in dat kader immers de meest gerede partij om deze informatie, op welke wijze dan ook, te verkrijgen.

7. Graag ontvang ik het ingevuld formulier waarin de opdracht én volmacht tot oprichting van een de SPF’s wordt bewerkt.

8. Daarnaast ontvang ik graag soortgelijke stukken indien de SPF’s op eigen naam een bankrekening heeft geopend.

9. Gaarne ontvang ik ter inzage alle overige stukken die in het kader van de betrokkenheid bij de SPF van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de fiscale gevolgen ervan.

10, Kunt u mij berichten bij welke doelvermogens (naar buitenlands recht) u nog meer betrokken bent en in welke hoedanigheid u betrokken bent?

11. Vanaf 2010 maakt u in uw aangifte inkomstenbelasting 2010 melding van een (buitenlandse) bankrekening bij UBS. Had u vóór 2010 (een) (buitenlandse) bankrekening(en) en zo ja, dan ontvang ik daarvan graag de rekeningafschriften.

12. Tenslotte verzoek ik u mij de volledige administratie van de SPF’s en de door haar buiten Nederland gehouden belangen ter inzage te verstrekken.

12. Naar aanleiding van de vragenbrief van 6 mei 2015 heeft eiser bij brief van 20 augustus 2015 als volgt geantwoord:

“(…)

Beantwoording van uw vragen

1. Inbreng vermogensbestanddelen in de SPF’s.

De heer [X] heeft niets ingebracht in de beide door u genoemde SPF’s. aangaande hetgeen is ingebracht in SPF [K] heeft hij geen enkel idee. De initiatiefnemer van die SPF is zijn vader. Het lijkt aannemelijk dat die geldmiddelen heeft ingebracht, dat is echter een speculatie die u ook zelf kunt doen. Ik hoop en neem aan dat het onderzoek ter plekke op de Antillen deze informatie voor u op kan leveren. In SPF [G] is geld ingebracht om kosten te dekken en aandelen te kopen. De heer [F] weet dat die middelen oftewel door zijn vader zijn ingebracht danwel door SPF [K] . Welke van de twee weet hij niet.

2. Betrokkenheid bij de SPF

De heer [X] is initiatiefnemer zoals voorheen vermeld. Hij heeft de handelingen verricht en de documenten verschaft die nodig waren voor de totstandkoming van de SPF. U heeft ons die documenten bij uw brief van 4 augustus toegezonden. Andere documenten dienaangaande zijn niet in het bezit van de heer [X] . Op uw verzoek sluit de heer [X] een verklaring in betreffende zijn contacten met en aangaande de beide SPF’s. Vergaderstukken enzovoorts zijn dus ook logischerwijze niet in zijn bezit en kunnen u dus ook niet verstrekt worden. Mogelijk zijn de stukken in het dossier van de SPF voorhanden, dan bent u de heer [X] voor geweest met het ophalen ervan. Een poging van hem om dat te doen levert dan zeker

niet meer en niets anders op dan u reeds ter inzage heeft gehad.

3. Rol en taken bestuur.

Als bijlage treft u aan een kopie van de statuten van de SPF. Deze waren voorhanden bij het kantoor van [L] in verband met het contact met notarissen in Nederland voor de aandelentransacties. Niet tot mijn beschikking is de director’s agreement van [2005] van de heer [M] . De heer [N] heeft aangegeven dat deze destijds gebaseerd is op hetzelfde concept als gebruikt is in de casus van Mevrouw [O] bij SPF [G] . Ik neem aan dat u deze te uwer beschikking heeft uit het dossier van de SPF uit Curaçao. Verder zijn er geen bijzondere instructies of overeenkomsten in welke vorm dan ook, tenminste niet voor zover de heer [X] weet en/of in het bezit van de heer [X] .

4. Feitelijke beslissingsmacht binnen de SPF.

De heer [X] heeft een professioneel trustkantoor gevraagd om de oprichting en inrichting van de SPF te ondersteunen. Zij hebben de heer [M] aangezocht als bestuurder van de SPF. Om de SPF het effect te geven dat beoogd was diende de heer [M] ook daadwerkelijk de feitelijk bestuurder te zijn. Derhalve is dat aldus vormgegeven. De heer [M] was en is de feitelijk bestuurder van de SPF. In een eerder stadium zijn stukken overlegd die door de heer [X] zijn opgevraagd bij de KvK waar duidelijk uit blijkt wie de bestuurder is. Er is voor de heer [X] geen reden aan te nemen dat die vastlegging feitelijk niet klopt.

5. Gerechtigdheid van de heer [X] bij vermogens of inkomsten van de SPF

Als initiatiefnemer van de SPF heeft de heer [X] het recht om een letter of wishes neer te leggen en desgewenst nadere wensen aan te geven. Op geen enkele wijze heeft hij direct enige rechten met betrekking tot de vermogens of inkomsten van de SPF tenzij het bestuur feitelijk aldus beslist. De vigerende letter of wishes is u in eerdere correspondentie beschikbaar gesteld.

6.Uitkeringen of verstrekkingen vanuit de SPF

Vanuit SPF [G] zijn, voor zover de heer [X] weet, geen uitkeringen of verstrekkingen gedaan. In 2009 heeft de heer [X] (en ook zijn vader, broer en zijn twee kinderen) een schenking ontvangen uit SPF [K] . Die schenkingen zijn u bekend. Of er nog meer uitkeringen zijn gedaan uit deze SPF is de heer [X] niet bekend. Aannemelijk is het niet. De vader van de heer [X] heeft zijn zoon in 2010 gevraagd om namens hem de wens over te brengen SPF [K] te liquideren daar er na de verkoop van participaties en gedane schenkingen geen logisch doel meer zou zijn. Deze aanvullende wens is in 2010 overgebracht en tot teleurstelling van vader en zoon door het bestuur, mevrouw [O] , tot op heden niet uitgevoerd. (hetgeen de zelfstandigheid van het bestuur maar al te duidelijk weergeeft).

7. Opdracht tot oprichting, formulier schriftelijke opdracht en volmacht.

In 2005 heeft de heer [X] contact gehad met de heren [P] van [a] en de heer [N] van [L] . De structuur is door hen beiden opgezet en geadviseerd. De heer [X] heeft in Curaçao stukken getekend, paspoorten en documenten afgegeven benodigd voor de totstandkoming. Hem staat niet exact voor ogen welke formulieren hij daarvoor getekend heeft. Hij heeft zelf daar geen afschriften van in bezit. Ik neem aan dat uit de u ter beschikking gestelde stukken ondertussen gebleken is of het door u omschreven formulier er daadwerkelijk is. Is dat er niet dan zijn we op uw verzoek bereid te proberen (lees: alles in het werk te stellen) om op te vragen bij de heer [M] of dat formulier er is en of hij ons een afschrift kan verstrekken.

8. Bankrekeningen SPF

De SPF heeft in ieder geval één bankrekening. Zoals u weet in ieder geval bij de UBS. De betreffende formulieren daarvan zaten bij uw brief van 4 augustus, de heer [X] had die niet in zijn bezit. Mogelijkerwijs, maar dat leiden we af uit uw stukken, is er een rekening bij de Rabobank. Van andere bankrekeningen is ons niet gebleken zodat we ook niet weten wat u exact van ons vraagt. Kunt u dat verduidelijken?

9. Inzage in stukken die van belang kunnen zijn voor de belastingheffing van [X] en de betrokkenheid bij de SPF.

Voor zover de heer [X] het kan overzien zijn alle relevante zaken die in zijn bezit zijn bij u. Daarnaast heeft de SPF de stukken waarom gevraagd zijn in het kader van een derdenonderzoek afgegeven. De heer [X] is bereid te verzoeken (lees er alles voor te doen om ze te verkrijgen) als er nog specifieke zaken zijn die u graag zou inzien. Ik zie echter niet in hoe we uw vraag met enig uitzicht op een logisch antwoord kunnen stellen aan de heer [M] . Als u concreet bent wat u zoekt kunnen wij navragen of het te vinden is. U heeft het dossier in Curaçao in kunnen zien. Voor zover de heer [X] weet is er niets meer.

10. Betrokkenheid bij andere doelvermogens (naar buitenlands recht)

Voor zover de heer [X] weet is hij op geen enkele wijze betrokken bij andere doelvermogens naar buitenlands recht. Zoals u wellicht ook droomt hij er van dat iemand hem zonder het hem te vertellen in een letter of wishes heeft opgenomen. Bekend is dat echter niet. U weet alles, in ieder geval evenveel als de heer [X] , namelijk de betrokkenheid bij SPF [G] als initiatiefnemer en de betrokkenheid bij SPF [K] als genoemde in de letter of wishes.

11. Bezit andere buitenlandse bankrekeningen voor 2010

Die is er volgens de heer [X] niet.

12. Ter inzage verstrekken volledige administratie van de SPF’s

Zoals u weet is de heer [X] noch de initiatiefnemer van noch inbrenger van vermogen in de SPF [K] . Dat is zijn vader. Evenmin is hij (feitelijk noch juridisch) bestuurder. Hij is derhalve niet in staat om u de volledige administratie ter inzage te verstrekken. Daar komt bij hetgeen ik hiervoor reeds heb betoogd, het vragen aan belanghebbende om bij derden informatie op te vragen (zonder wettelijk recht daartoe te hebben) terwijl u de betreffende informatie in het kader van een derdenonderzoek reeds verstrekt is kan niet binnen de redelijke uitleg van artikel 47 etc AWR vallen. Ten aanzien van de administratie van SPF [G] hebben wij de heer [M] wederom gevraagd om afgifte van afschriften van de volledige administratie. Hij heeft de reden gevraagd die we hem gegeven hebben. Hij heeft vervolgens wederom geweigerd met de mededeling dat alle gegevens reeds zonder enig voorbehoud ter inzage zijn verstrekt in het kader van het derdenonderzoek. Graag verneem ik van u of dat inderdaad zo is. Als de heer [M] overigens niet van zins is bepaalde zaken aan de belastingdienst ter inzage te geven is het uiterst twijfelachtig of hij ze, zelfs als krijgen we toegang tot de stukken, feitelijk wel aan ons zal laten zien”.

13. Als bijlage bij deze brief is een stuk gevoegd waarin eiser zijn handelwijze heeft beschreven:

“Werkwijze

SPF [K] :

Opgericht door mijn ouders. Bestuurder was mevr. [O] , eind 2010 heeft zij de stukken overgedragen aan [a] , doelsteHing was snel te liquideren maar dat is nog steeds niet gebeurd, officieel is [O] nog bestuurder maar zij heeft al jaren niets meer verricht. Contact vond, indien nodig, oorspronkelijk plaats tussen mijn ouders en [O] , later heb ik ook, als gevolmachtigde van mijn ouders, met haar contact gehad, in juni 2010 heb ik reeds aangegeven aan de inspecteur dat ik niet correspondeerde met de Directie van [K] . Er is in 2009 contact geweest aangaande het ontvangen van de schenking. Uiteraard heb ik als begiftigde de betreffende formaliteiten voor de ontvangst gecommuniceerd. Tevens ben ik op de hoogte geweest van de aandelenoverdracht van de aandelenpakketten uit de SPF aan [c] NV. Dit in de hoedanigheid van directeur van [I] BV. Ik heb op verzoek

van Inspecteur stukken opgevraagd maar daarop van hen een schrijven ontvangen waarop werd aangegeven dat zij niet voornemens waren deze te verstrekken, dit is doorgezonden naar de inspecteur. Wel heb ik haar een aantal malen in Curaçao bezocht en was er ook e-mail en telefonisch contact, dat betrof de aanvulling op de letter of wishes om tot liquidatie te komen en meermalen tevergeefs de vraag of aan die wens tegemoetgekomen zou worden.

SPF [G] :

Opgericht op mijn initiatief na daartoe geadviseerd te zijn in februari 2005, daarbij heb ik een letter of wishes afgegeven welke tevens naar de inspecteur is gezonden in 2010. Er heeft nog nooit een schenking of inkomen vanuit de SPF plaatsgevonden voor zover ik weet. Ook van deze SPF heb ik aan [M] in 2010 stukken opgevraagd naar aanleiding van het verzoek van de inspecteur, het antwoord waarin hij aangeeft niet voornemens te zijn enige

stukken te overhandigen heb ik tevens naar de inspecteur gezonden.

Het contact, indien nodig, vind doorgaans plaats met een medewerkster van [a] dit was tot medio 2011 [d] , zij is daarna vervangen door [e] . Daarnaast is er soms telefonisch contact met [M] , ook bezoek ik het kantoor van [a] doorgaans om de 1 tot 2 jaar waar dan besprekingen plaatsvinden met [M] en zijn assistenten. Het betreft dan werkzaamheden die ik als gevolmachtigde voor de SPF of [c] NV doe, en tevens bespreken we dan de lopende zaken bij [I] BV cs., [c] NV is immers mijn portal om naar te rapporteren. Zo wend ik me o.a. aan hen voor de verlening van decharge van de [f] en [I] BV, ik bespreek de financiële situatie, heb leningen aangevraagd of heb bespreking lopende leningen. Ik leg de Notulen van de algemene vergadering van aandeelhouders, en andere documenten betreffende de financiële

verslaglegging van [I] cs voor, etc.. Als er notariële stukken moeten worden opgesteld in Duitsland of Nederland treed [g] (Controller bij [f] ) en/of ik vaker op als gevolmachtigde van de Stichting. Verder is er contact met [h] voor de rapportage van de jaarcijfers teneinde zij ook hun balansen kunnen opmaken.

In 2013 heeft [M] mij aangegeven dat hij [i] van [j] consulteert naar aanleiding van verzoeken van de Antilliaanse belastingdienst welke onder begeleiding van de Nederlandse belastingdienst stukken had opgevraagd van [K] en [G] , zij hebben gezamenlijk gesprekken gevoerd met de autoriteiten en ook het

dossier aan hen overhandigd. Ik heb samen met [h] ook een aantal gesprekken met [i] gevoerd aangaande lopende zaken en de door mijn ouders gewenste liquidatie van SPF [K] , welke zover ik weet nog steeds niet is volbracht. Dit ondanks het feit dat ik deze wens namens mijn vader na de schenking in 2009 al heb aangegeven. We hebben daar meerdere malen op aangedrongen maar tot op heden zonder succes.

[Z]

[X] ”

14. Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte informatiebeschikkingen van 3 mei 2016 vastgesteld dat de gevraagde gegevens en inlichtingen niet zijn gegeven. In het geschrift staat onder meer het volgende:

“Ik stel vast dat ik de verzochte informatie (…) niet heb ontvangen en dat de gestelde vragen, behoudens vraag 11, niet beantwoord zijn. Er is slechts inhoudsloze informatie verstrekt op de vragen zoals opgenomen in de brief van 6 mei 2015, in de zin dat enkel vanuit voorgewende onwetendheid en passiviteit geantwoord is. U stelt niet over de informatie te kunnen beschikken. Ik stel echter vast dat u hiermee de verplichting die ingevolge de artikel 47 en 49 van de AWR op u rust, niet bent nagekomen”.

15. Ten aanzien van de stukken van de buitenlandse autoriteiten en de (grotendeels interne) e-mails heeft verweerder een beroep op geheimhouding gedaan in de zin van artikel 8:29 van de Awb.

16. Bij beslissing van 6 juni 2017 heeft de rechtbank bepaald dat beperkte kennisneming, in de zin van volledige anonimisering van de uit Curaçao ontvangen inlichtingen, gerechtvaardigd is. Daarop heeft eiser bij brief van 15 juni 2017 geen toestemming gegeven voor beperkte kennisname van deze stukken.

17. In het verweerschrift is door verweerder onder meer het volgende gesteld:

“(…) Het geschil over de onderhavige informatiebeschikking staat niet op zichzelf.

Het maakt onderdeel uit van een veelomvattend dispuut tussen de familie [F]

en de Belastingdienst over:

- de heffing van inkomstenbelasting in de jaren 2005 t/m 2011 van

ouders [F] , te weten [D] en zijn echtgenote mevrouw [E]

en de twee kinderen [F] : de heer [X] (belanghebbende) en zijn broer [C] ,

- de heffing van recht van schenking in het jaar 2009 van de (klein)kinderen

[F] ,

- de heffing van vennootschapsbelasting van [c] Holdings N.V. in de jaren

2005 t/m 2012, en,

- de renteaftrek in de vennootschapsbelasting terzake van [I] B.V.

(…)

Alle geschillen houden verband met elkaar. Tot op heden zijn de door de

inspecteur gevraagde inlichtingen, gegevens en aanwijzingen niet of niet volledig

verstrekt.”

Geschil

18. In geschil is onder meer of verweerder alle op de zaken betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb heeft overgelegd.

19. Eiser beantwoordt deze vraag ontkennend. Hij voert daartoe aan dat verweerder zelf heeft aangegeven dat alle geschillen tussen de familie [F] en de Belastingdienst over de in onderdeel 17. genoemde onderwerpen met elkaar samenhangen. Daaruit volgt volgens eiser dat verweerder gehouden is alle stukken in te brengen met betrekking tot die geschillen. Dit geldt dus ook voor de onderzoeken gehouden bij de in dit onderdeel genoemde vennootschappen. Bovendien moeten ook de stukken die zijn opgekomen na de beslissing van de geheimhoudingskamer van de rechtbank in de zaken van [C] en eiser worden verstrekt.

20. Verweerder heeft aangegeven dat hij zich ervan bewust is dat de Hoge Raad inmiddels een ruimere werking toekent aan artikel 8:42 van de Awb. Hij heeft in dat kader de rechtbank verzocht alsnog een onderzoek te mogen doen naar de volledigheid van de op de zaken betrekking hebbende stukken.

Beoordeling van het geschil

21. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 4 mei 2018 (ECLI:NL:HR:2018:672) overwogen dat artikel 8:42 van de Awb ertoe strekt dat de gegevens die van belang zijn voor de beoordeling van het in beroep bestreden besluit van de inspecteur aan de rechter – en de wederpartij – beschikbaar worden gesteld. De in die bepaling neergelegde verplichting heeft ten doel te waarborgen dat een geschil over een door de inspecteur genomen besluit wordt beslecht op basis van alle relevante feitelijke gegevens die aan de inspecteur ter beschikking staan, zodat de belanghebbende zich daarover kan uitlaten en de rechter daarmee bij zijn beoordeling rekening kan houden.

22. De Hoge Raad heeft in dit arrest en in zijn arrest van 10 april 2015 (ECLI:NL:HR:2015:874) een aantal uitgangspunten geformuleerd die in aanmerking moeten worden genomen bij de beoordeling of sprake is van op de zaak betrekking hebbende stukken. In deze zaken zijn de volgende uitgangspunten in het bijzonder van belang:

  • -

    De inspecteur dient in beginsel alle stukken die hem ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten aan de belanghebbende en aan de rechter te overleggen;

  • -

    Behoudens gevallen van gerechtvaardigde weigering op grond van artikel 8:29 van de Awb en uitzonderingsgevallen als misbruik van procesrecht, dient te worden tegemoetgekomen aan een verzoek van de belanghebbende tot overlegging van een bepaald stuk indien deze voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat het stuk van enig belang kan zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak;

  • -

    Een redelijke, uitleg van artikel 8:42 van de Awb brengt mee dat de daarin opgenomen verplichting tot overlegging van stukken zich ook uitstrekt tot stukken die pas in de loop van het beroep ter beschikking van de inspecteur zijn gekomen;

  • -

    Tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoren niet slechts de stukken die de inspecteur heeft gebruikt ter onderbouwing van zijn besluit. Daartoe behoren in beginsel ook stukken als hiervoor bedoeld die de inspecteur wel ter beschikking staan of hebben gestaan maar die hij niet heeft gebruikt ter onderbouwing van zijn besluit. Stukken die de inspecteur wel heeft gebruikt ter onderbouwing van zijn besluit, maar die voor de beoordeling van de zaak door de rechter niet (langer) van belang zijn, behoren niet tot de op de zaak betrekking hebbende stukken. Dit is bijvoorbeeld het geval ten aanzien van stukken die betrekking hebben op een element van de aanslag dat in beroep niet (meer) ter discussie staat;

  • -

    Als een stuk passages bevat die op de zaak betrekking hebben, is dit stuk als geheel een op de zaak betrekking hebbend stuk. De verplichting om dit stuk over te leggen, ziet daardoor niet slechts op de voor de beoordeling van de zaak relevante passages.

23. Naar de huidige stand van de procedure zijn naar het oordeel van de rechtbank in dit geval de op de zaken betrekking hebbende stukken: alle stukken die verweerder ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan in relatie tot de in onderdeel 17 genoemde geschilpunten. Daartoe behoort in ieder geval de door verweerder bij de autoriteiten van Curaçao opgevraagde en verkregen informatie, voor zover deze niet reeds, al dan niet met een beroep op artikel 8:29 van de Awb, zijn overgelegd. Verweerder heeft immers zelf gesteld dat alle geschillen tussen de familie [F] en de Belastingdienst met elkaar verband houden. Dit brengt met zich dat al deze stukken van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten. Zonder kennisneming van de stukken kan niet worden uitgesloten dat de stukken van enig belang voor de besluitvorming in de onderhavige zaken zijn geweest (Hoge Raad 15 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1129). Gesteld noch gebleken is dat deze stukken voor de beoordeling van de zaken door de rechter niet (langer) van belang zijn. Het vorenstaande neemt niet weg dat de geheimhoudingskamer, in geval van een beroep van verweerder op artikel van de 8:29 van de Awb, alsnog tot de conclusie kan komen dat ten aanzien van (een deel van) de stukken geen sprake is van op deze zaken betrekking hebbende stukken.

24. Gelet op het voorgaande heeft verweerder niet alle op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd. De rechtbank gelast verweerder de hiervoor onder 23. genoemde stukken alsnog binnen vier weken na dagtekening van deze beslissing over te leggen.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    bepaalt dat de onder 22. van deze beslissing genoemde stukken op de zaken betrekking hebbende stukken zijn in de zin van artikel 8:42 Awb;

  • -

    gelast verweerder deze stukken binnen vier weken na dagtekening van deze beslissing aan de rechtbank te overleggen.

Deze beslissing is genomen door mr. P.J. Tikken, voorzitter, mr. A.F. Germs-de Goede en mr. drs. S.W. Willems-Ruesink, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 14 november 2018

De griffier is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op: