Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:5355

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
23-10-2018
Datum publicatie
12-12-2018
Zaaknummer
C/05/342142/KG ZA 18-373
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Uitleg van veroordeling en daaraan gekoppelde voorwaarden uit eerder kg-vonnis. Zijn dwangsommen verbeurd?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/342142 / KG ZA 18-373

Vonnis in kort geding van 23 oktober 2018

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser in conventie/gedaagde in reconventie]

gevestigd te Barneveld,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. L.L. de Boef te Veenendaal,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

STORTSTROOM B.V.,

gevestigd te Zwolle,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. H.A. Bijkerk te Utrecht.

Partijen zullen hierna [eiser in conventie/gedaagde in reconventie] en Stortstroom worden genoemd.

1 De procedure

in conventie en in reconventie

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties 1 tot en met 22

  • -

    de nagezonden producties 23 en 24 van [eiser in conventie/gedaagde in reconventie]

  • -

    de nagezonden productie 25 van [eiser in conventie/gedaagde in reconventie]

  • -

    de nagezonden productie 26 van [eiser in conventie/gedaagde in reconventie]

  • -

    de akte houdende reconventionele vordering tevens houdende overlegging producties 1 tot en met 15 in conventie en reconventie van Stortstroom

  • -

    de mondelinge behandeling van 9 oktober 2018

  • -

    de pleitnota van [eiser in conventie/gedaagde in reconventie]

  • -

    de pleitnota van Stortstroom.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

in conventie en in reconventie

2.1.

Deze procedure is een vervolg op een eerdere kort gedingprocedure bij deze rechtbank die is behandeld onder zaaknummer C/05/333443/KG ZA 18-64.

2.2.

[eiser in conventie/gedaagde in reconventie] is een onderneming die zich onder andere bezig houdt met het aan- en afvoeren, sorteren, opslaan, overladen, be- en verwerken en storten van alle soorten afval, puin en hout en verontreinigde materialen en grond. [eiser in conventie/gedaagde in reconventie] exploiteert in dat verband een vuilstortplaats aan de [adres vuilstortplaats]. StortStroom is een onderneming die zich onder andere bezig houdt met de ontwikkeling en exploitatie van installaties voor energieopwekking op (afval)stortlocaties.

2.3.

StortStroom heeft op basis van een op 28 december 2015 tussen partijen gesloten overeenkomst twee warmtekrachtcentrales (hierna: WKK’s) op de stortplaats van [eiser in conventie/gedaagde in reconventie] geplaatst. Nadat de WKK’s in werking waren gesteld, is schade aan de motoren van de WKK’s ontstaan vanwege een te hoge verontreiniging van het beschikbare stortgas. Vervolgens is tussen partijen op 14 december 2016 een addendum gesloten, waarin partijen onder meer hebben afgesproken dat [eiser in conventie/gedaagde in reconventie] een gasreinigingsinstallatie zou laten bouwen met daarin zogenaamde actief-koolfilters om het inkomende gas te reinigen voordat het gas de WKK’s ingaat. Dit heeft [eiser in conventie/gedaagde in reconventie] ook gedaan.

2.4.

Nadat de volledige installatie op die manier een aantal weken had proefgedraaid, heeft StortStroom vanwege het feit dat nog altijd te verontreinigd stortgas beschikbaar kwam op 6 oktober 2017 besloten de WKK’s buiten gebruik te stellen om mogelijke (nieuwe) schade aan de motoren te voorkomen. De WKK’s zijn nadien niet meer in werking gesteld.

2.5.

StortStroom is hierop begin 2018 de onder 2.1. genoemde kort gedingprocedure tegen [eiser in conventie/gedaagde in reconventie] gestart, waarin zij kort gezegd nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst en het addendum vorderde en inwerkingstelling van de WKK’s onder bepaalde voorwaarden. In reconventie heeft [eiser in conventie/gedaagde in reconventie] in die procedure kort gezegd veroordeling van StortStroom gevorderd om het beschikbare stortgas te monitoren en te toetsen voordat het de WKK’s ingaat en zodanige maatregelen aan de WKK’s te treffen dat zij aan alle veiligheids- en milieueisen voldoen. Partijen hebben na afloop van de zitting in die zaak nog getracht tot een minnelijke regeling te komen, maar dit is niet gelukt. Uiteindelijk heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank op 6 juni 2018 vonnis gewezen. In dit vonnis staat onder meer vermeld:

‘(…)

4. De beoordeling van het geschil

(…)

4.7.

Dit leidt ertoe dat [eiser in conventie/gedaagde in reconventie] in conventie zal worden veroordeeld om in ieder geval (tijdelijk) een monitorsysteem en een bypass in de installatie aan te brengen en de reinigingsinstallatie zolang als nodig te laten proefdraaien, totdat (blijkens de monitoring) voldoende zekerheid bestaat dat een nagenoeg constante kwaliteit stortgas beschikbaar is en met een voldoende mate van zekerheid kan worden voorspeld hoeveel de standtijd van de actief-koolfilters in de gasreinigingsinstallatie bedraagt, voordat StortStroom verplicht is de WKK’s weer in werking te stellen. Dit omdat ter zitting duidelijk is geworden dat partijen tijdig op de hoogte moeten zijn van het moment waarop de installatie moet overschakelen op een andere schone filter, zodat de vervangende filter tijdig in gebruik kan worden genomen en voorkomen kan worden dat de WKK’s stortgas krijgen aangevoerd met een sterk wisselende samenstelling en/of moeten worden stilgelegd tot die samenstelling weer in voldoende mate met de gewenste samenstelling overeenkomt.

4.8.

Gelet op de kosten die met het plaatsen van een monitorsysteem en bypass gepaard gaan, kan van [eiser in conventie/gedaagde in reconventie] niet worden verwacht dat zij deze kosten maakt terwijl niet zeker is dat de WKK’s aan de (minimale) technische eisen voldoen. Ter zitting is gebleken dat op dit moment gerede twijfel bestaat over de technische staat van de WKK’s. Gelet op de inhoud van de tussen partijen gesloten overeenkomst, die erop neerkomt dat partijen ieder voor hun deel bijdragen aan het functioneren van de centrale, mag [eiser in conventie/gedaagde in reconventie] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van StortStroom verwachten dat de WKK’s aan de technische eisen voldoen en daarover ten minste duidelijkheid van StortStroom verlangen, voordat [eiser in conventie/gedaagde in reconventie] zelf maatregelen treft aan haar gasreinigingsinstallatie. Daarom zal StortStroom in reconventie worden veroordeeld om te gehengen en te gedogen dat op kosten van [eiser in conventie/gedaagde in reconventie] onderzoek wordt uitgevoerd naar de technische staat van de WKK’s op dit moment.

(…)

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

5.1.

veroordeelt [eiser in conventie/gedaagde in reconventie], onder de voorwaarde dat uit het hiervoor onder 4.8. bedoelde onderzoek blijkt dat de WKK’s in voldoende mate voldoen aan de technische eisen om probleemloos te kunnen functioneren, binnen vier weken na de datum van dit vonnis (tijdelijk) een monitorsysteem en een bypass aan te brengen en vervolgens de reinigingsinstallatie zo lang als nodig te laten proefdraaien, totdat voldoende zekerheid bestaat dat een nagenoeg constante kwaliteit stortgas beschikbaar is en met een voldoende mate van zekerheid kan worden voorspeld hoeveel de standtijd van de actief-koolfilters in de gasreinigingsinstallatie bedraagt, op straffe van een dwangsom van € 2.000,00 per dag dat niet aan deze veroordeling wordt voldaan, tot een maximumbedrag van € 250.000,00 is bereikt,

(…)

in reconventie

5.5.

veroordeelt StortStroom te gehengen en te gedogen dat op kosten van [eiser in conventie/gedaagde in reconventie] een onderzoek zoals bedoeld onder 4.8. zal plaatsvinden naar de technische staat van de WKK’s op dit moment, op straffe van een dwangsom van € 2.000,00 per dag dat niet aan deze veroordeling wordt voldaan, tot een maximumbedrag van € 250.000,00 is bereikt,

(…)’

2.6.

Op 7 juni 2018 heeft de advocaat van [eiser in conventie/gedaagde in reconventie] aan de advocaat van StortStroom kenbaar gemaakt dat een door [eiser in conventie/gedaagde in reconventie] ingeschakelde deskundige, de heer Sternsdorff (hierna:

Sternsdorff) eind die maand in de gelegenheid zou zijn om onderzoek naar de staat van de WKK’s te verrichten. Dit onderzoek heeft vervolgens op 21 juni 2018 plaatsgevonden, waarbij aanwezig waren de [bestuurder Stortstroom], bestuurder van StortStroom, en de [naam medewerker Energy Services], medewerker van MvO Energy Services, de fabrikant van de WKK’s. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft Sternsdorff op 30 juni 2018 een rapport opgesteld ‘Betreffende de cold commissioning aan 2 WKK installaties met stortgas gestookte motoren’. De eindconclusie van dit rapport luidt dat de motoren van de WKK’s niet veilig in gebruik kunnen worden genomen vanwege een aantal technische onvolkomenheden, onduidelijkheden en het ontbreken van bepaalde certificaten. Deze uitkomst is bij e-mailbericht van 2 juli 2018 aan de advocaat van StortStroom medegedeeld. StortStroom heeft in reactie daarop aangegeven dat zij in het rapport van Sternsdorff juist bevestiging ziet dat de WKK’s voldoen aan de minimale technische eisen, zoals geformuleerd in het vonnis van 6 juni 2018.

2.7.

[eiser in conventie/gedaagde in reconventie] heeft kort na de datum van het vonnis van 6 juni 2018 een monitorsysteem en een bypass in de gasreinigingsinstallatie laten plaatsen. Verder heeft [eiser in conventie/gedaagde in reconventie] een zogenaamd proefdraai protocol opgesteld. De gasreinigingsinstallatie heeft zij vervolgens niet metterdaad laten proefdraaien.

2.8.

Op 27 augustus 2018 heeft vervolgens in opdracht van StortStroom een voorinspectie voor een ‘Eerste Bijzondere Inspectie’ aan de WKK’s plaatsgevonden door de onderneming Thermeta Service B.V. De eindconclusies van de twee naar aanleiding daarvan opgestelde rapporten luidt dat bij de voorinspectie is gebleken dat tegen de bedrijfsvoering van de WKK’s geen bezwaar bestaat.

2.9.

In opdracht van StortStroom heeft de fabrikant van de WKK’s, MvO Energie Services B.V., op 20 september 2018 een schriftelijke reactie op het rapport van Sternsdorff gegeven. Deze reactie komt er kort gezegd op neer dat de WKK’s aan de minimale technische eisen voldoen om probleemloos te kunnen functioneren.

2.10.

Tussen partijen is vervolgens uitvoerig gediscussieerd over de vraag of de WKK’s wel of niet aan de technische eisen zoals bedoeld in het vonnis van 6 juni 2018 voldoen. Zij zijn het daarover niet eens geworden.

2.11.

Bij deurwaardersexploot van 5 oktober 2018 heeft StortStroom bevel aan [eiser in conventie/gedaagde in reconventie] gedaan om binnen twee dagen een bedrag van € 186.000,00 aan verbeurde dwangsommen aan haar te betalen. Dit heeft [eiser in conventie/gedaagde in reconventie] niet gedaan.

2.12.

De WKK’s zijn tot op heden niet in werking gesteld.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiser in conventie/gedaagde in reconventie] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I a) StortStroom te veroordelen om de warmtekrachtkoppelingen, staande en gelegen op het terrein [adres vuilstortplaats]

binnen vier weken na betekening van dit vonnis, althans binnen een termijn als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren, in voldoende mate te laten voldoen aan de technische eisen om probleemloos te kunnen functioneren, hetgeen moet blijken uit een rapport van een door [eiser in conventie/gedaagde in reconventie] ingeschakelde althans door de voorzieningenrechter te benoemen deskundige;

b) te bepalen dat voor het geval uit voornoemd rapport blijkt dat de warmtekrachtkoppelingen niet in voldoende mate voldoen aan de technische eisen om probleemloos te kunnen functioneren, StortStroom aan [eiser in conventie/gedaagde in reconventie] een dwangsom van € 5.000,00 per dag of deel daarvan verbeurt zolang niet uit een rapport van voornoemde deskundige blijkt dat de warmtekrachtkoppelingen wél voldoen aan voornoemde veroordeling, althans een zodanig bedrag als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren;

II de door StortStroom op basis van het vonnis van 6 juni 2018, met als zaaknummer/rolnummer C/05/333443/KG ZA 18-64 tussen partijen gewezen ingestelde (executie) maatregelen te schorsen en te bepalen dat de schorsing voortduurt totdat in rechte vaststaat dat StortStroom zich aan de door de voorzieningenrechter gestelde voorwaarde zoals bepaald in punt 5.1 van het dictum in het voornoemde vonnis heeft voldaan;

III StortStroom te verbieden nieuwe maatregelen terzake te entameren totdat in rechte vaststaat dat StortStroom zich aan de door de voorzieningenrechter gestelde voorwaarde zoals bepaald in punt 5.1 van het dictum van het in voornoemd vonnis gestelde voorwaarde heeft voldaan;

IV StortStroom te veroordelen in de proces- en nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.2.

Stortstroom voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen.

3.3.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover voor de beoordeling van dit geschil van belang, worden ingegaan.

in reconventie

3.4.

Stortstroom vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I [eiser in conventie/gedaagde in reconventie] te veroordelen – onafhankelijk van enige voorwaarde – en op straffe van een door de voorzieningenrechter te bepalen dwangsom, binnen twee dagen na betekening van dit vonnis de gasreinigingsinstallatie te laten proefdraaien, net zo lang totdat voldoende zekerheid bestaat dat een nagenoeg constante kwaliteit stortgas beschikbaar is conform de contractuele kwaliteitscriteria en met voldoende mate van zekerheid de standtijd van de actief-koolfilters kan worden voorspeld, waarbij de deugdelijke uitvoering van het proefdraaien dient te blijken uit een rapport van een door StortStroom, althans de voorzieningenrechter aan te wijzen deskundige;

II [eiser in conventie/gedaagde in reconventie] te veroordelen in de proces- en nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.5.

[eiser in conventie/gedaagde in reconventie] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering.

3.6.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover voor de beoordeling van dit geschil van belang, worden ingegaan.

4 De beoordeling van het geschil

in conventie en in reconventie

4.1.

Gelet op de samenhang tussen de vordering in conventie en de vordering in reconventie zullen deze vorderingen hierna gezamenlijk worden beoordeeld.

4.2.

De spoedeisendheid van de vorderingen vloeit voldoende uit de stellingen van [eiser in conventie/gedaagde in reconventie] en StortStroom voort.

4.3.

Tussen partijen heeft een eerdere kort gedingprocedure gespeeld, waarin op

6 juni 2018 vonnis is gewezen. In dit vonnis is [eiser in conventie/gedaagde in reconventie] veroordeeld, onder de voorwaarde dat uit het in dat vonnis onder 4.8. bedoelde onderzoek zou blijken dat de WKK’s in voldoende mate zouden voldoen aan de technische eisen om probleemloos te kunnen functioneren, binnen vier weken na de datum van dat vonnis (tijdelijk) een monitorsysteem en een bypass aan te brengen en vervolgens de reinigingsinstallatie zo lang als nodig te laten proefdraaien, totdat voldoende zekerheid zou bestaan dat een nagenoeg constante kwaliteit stortgas beschikbaar zou zijn en met een voldoende mate van zekerheid zou kunnen worden voorspeld hoeveel de standtijd van de actief-koolfilters in de gasreinigingsinstallatie zou bedragen, op straffe van een dwangsom. StortStroom is in dat vonnis in reconventie veroordeeld te gehengen en te gedogen dat op kosten van [eiser in conventie/gedaagde in reconventie] een onderzoek zoals bedoeld in 4.8. van dat vonnis zou plaatsvinden naar de technische staat van de WKK’s op dat moment, op straffe van een dwangsom.

4.4.

Zoals uit de hiervoor weergegeven beslissing blijkt, is in de veroordeling van partijen een bepaalde volgorde aangehouden, toegesneden op het debat dat tussen partijen in die procedure is gevoerd. De situatie voorafgaand aan die procedure was als volgt. Vanwege een onvoldoende kwaliteit beschikbaar stortgas is tot tweemaal toe schade aan (de motoren van) de WKK’s ontstaan. StortStroom heeft deze schade hersteld en de hoge kosten daarvoor gedragen. Om verdere schade aan de (herstelde) WKK’s te voorkomen, heeft [eiser in conventie/gedaagde in reconventie] een zogenaamde gasreinigingsinstallatie laten plaatsen, op basis waarvan met behulp van zogenaamde actief-koolfilters een constante kwaliteit stortgas voor de WKK’s beschikbaar zou moeten komen. Dat die kwaliteit na ingebruikname van de gasreinigingsinstallatie werkelijk op orde was, was ten tijde van die vorige kort gedingprocedure niet aangetoond. Op de gronden zoals in het vonnis van 6 juni 2018 genoemd, is toen geoordeeld dat op [eiser in conventie/gedaagde in reconventie] de verplichting rustte om door middel van proefdraaien van de gasreinigingsinstallatie nadat daaraan bepaalde voorzieningen waren getroffen om dat mogelijk te maken, aan te tonen dat uit de gasreinigingsinstallatie een constante stroom van voldoende kwaliteit stortgas beschikbaar kwam, alvorens op StortStroom de verplichting zou komen te rusten de WKK’s weer aan te zetten en in gebruik te stellen. Aan die ingebruikstelling door StortStroom was de hiervoor genoemde voorwaarde gekoppeld, omdat naar het oordeel van de voorzieningenrechter van StortStroom niet kon worden verlangd de WKK’s weer in werking te stellen zolang het stortgas van onvoldoende kwaliteit was in verband met schade aan de WKK’s. Door uitrusting met een bypass en een monitorsysteem kan, naar tussen partijen in confesso was en is, de kwaliteit van het beschikbare gas worden onderzocht door de gasreinigingsinstallatie te laten draaien zonder de WKK’s aan te zetten. Nu dit een relatief veilige en schadevoorkomende wijze van testen is, is toen geoordeeld dat dat onderzoek ook op die wijze moest plaatsvinden. Voor de uitvoering daarvan was wel een aanpassing van de gasreinigingsinstallatie nodig, in die zin dat in de gasreinigingsinstallatie een monitorsysteem en een bypass geplaatst moest worden. Tijdens de vorige zitting is gebleken dat met de plaatsing van dat systeem en de bypass een behoorlijk bedrag gemoeid zou zijn en daarom is destijds de discussie gevoerd of die aanpassing al zou moeten plaatsvinden, terwijl [eiser in conventie/gedaagde in reconventie] niet wist of de WKK’s aan de minimale technische eisen voldeden en StortStroom ook niet had bevestigd dat dat het geval is. Daarom is geoordeeld dat [eiser in conventie/gedaagde in reconventie] de kosten voor de aanpassingen niet hoefde te maken voordat door middel van een technische inspectie zou zijn aangetoond dat de WKK’s aan die technische eisen voldoen. Pas als dat zou komen vast te staan, was [eiser in conventie/gedaagde in reconventie] verplicht een bypass en monitorsysteem aan te leggen om vervolgens de kwaliteit van het stortgas te gaan testen door te gaan proefdraaien.

4.5.

De vraag die thans voorligt is allereerst of aan de voorwaarde als vermeld in onderdeel 5.1. in het dictum van het vonnis van 6 juni 2018 is voldaan, inhoudende dat de WKK’s aan de minimale technische eisen voldoen om probleemloos te kunnen functioneren. Het antwoord op deze vraag is van belang voor onder andere de aangezegde executie van dwangsommen, waarvan in conventie door [eiser in conventie/gedaagde in reconventie] een verbod wordt gevorderd. De beantwoording van de vraag of [eiser in conventie/gedaagde in reconventie] dwangsommen heeft verbeurd, dient in een geval als het onderhavige plaats te vinden door een toetsing van de ter uitvoering van het veroordelend vonnis verrichte handelingen aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Geringe afwijkingen van de letterlijke tekst van de veroordeling behoeven, indien getoetst aan de veroordeling zoals naar haar strekking opgevat, geen grond op te leveren voor het oordeel dat dwangsommen zijn verbeurd (o.a. HR 20 mei 1994, NJ 1994, 652). Voor de uitleg van de inhoud van de veroordeling moet de in het dictum uitgesproken veroordeling worden gelezen in verband met de daaraan voorafgaande rechtsoverwegingen waarop zij steunt (HR 25 februari 1994 NJ 1996, 362). Daarbij dient de rechter het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te nemen in dier voege dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel (HR 15 november 2002 NJ 2004, 410).

4.6.

Vooropgesteld wordt dat de voorwaarde in de eerste plaats met het oog op de kosten voor het aanbrengen van de bypass en het monitorsysteem zijn opgenomen en als zodanig aldus niet met het oog op het proefdraaien van de gasreinigingsinstallatie. Geconstateerd moet worden dat onafhankelijk van de vraag of aan deze voorwaarde is voldaan, [eiser in conventie/gedaagde in reconventie] de bypass en het monitorsysteem kort na 6 juni 2018 heeft aangelegd. Dat betekent dat zij vanaf dat moment met de gasreinigingsinstallatie had kunnen proefdraaien. Het enkele feit dat zij dat niet heeft gedaan, ondanks de aanwezigheid van de bypass en het monitorsysteem, kan er echter op zichzelf niet toe leiden dat [eiser in conventie/gedaagde in reconventie] dwangsommen heeft verbeurd. Dit omdat bij het wijzen van het vonnis van 6 juni 2018 en de wijze waarop de veroordeling in dat vonnis is geformuleerd geen rekening is gehouden met de mogelijkheid dat [eiser in conventie/gedaagde in reconventie] ook zonder dat nog aan de voorwaarde van een voorafgaande inspectie was voldaan vrijwillig tot plaatsing van de bypass en het monitorsysteem zou overgaan. In de gegeven omstandigheden brengt dat met zich dat moet worden aangenomen dat ook voor de verplichting tot proefdraaien de voorwaarde geldt dat uit een op kosten van [eiser in conventie/gedaagde in reconventie] uitgevoerd onderzoek volgt dat de WKK’s aan de minimale technische eisen voldoen om probleemloos te kunnen functioneren. Dit betekent dat moet worden beoordeeld of aannemelijk is dat de WKK’s aan die voorwaarde voldoen.

4.7.

Vaststaat dat in opdracht van [eiser in conventie/gedaagde in reconventie] door Sternsdorff onderzoek is gedaan naar de staat van de WKK’s. Sternsdorff is in zijn rapport tot de conclusie gekomen dat de WKK’s niet in bedrijf kunnen worden gesteld vanwege een aantal technische onvolkomenheden aan onderdelen van de WKK’s en/of onduidelijkheden daarover en het ontbreken van bepaalde (veiligheids)certificaten. Daartegenover staat een tegenrapport dat in opdracht van StortStroom door Thermeta is opgesteld. Dit betreft een voorinspectie voor een zogenaamde Eerste Bijzondere Inspectie. Thermeta komt tot een andere conclusie dan Sternsdorff, namelijk dat de WKK’s wel voldoen aan de minimale eisen. Weliswaar is dit rapport in een laat stadium van de procedure overgelegd en is niet overtuigend gebleken dat dit niet eerder had gekund, maar desondanks bestaat naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen reden om dit stuk buiten beschouwing te laten. Er bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat [eiser in conventie/gedaagde in reconventie] zich onvoldoende tegen de inhoud van dit stuk heeft kunnen verweren, omdat de deskundige van [eiser in conventie/gedaagde in reconventie] voorafgaand aan de zitting in staat is geweest een tamelijk uitvoerige reactie op het rapport te geven.

4.8.

Ter zitting zijn de verschillende rapporten met inhoudelijke toelichtingen en reacties daarop van de opstellers/betrokken technici besproken. Sternsdorff heeft naar aanleiding van de vraag of hij precies kon aangeven wat er in essentie nu mis is met de toestand van de WKK’s toegelicht dat sprake is van drie hoofdpunten op basis waarvan de WKK’s niet veilig kunnen functioneren. Het betreft volgens Sternsdorff (onduidelijkheid over) de technische staat en daarmee (over) de veiligheid van de waterdrukventielen, twee gaskleppen en het besturingssysteem van de WKK’s. Ten aanzien van de waterdrukventielen heeft de fabrikant van de WKK’s ter zitting verklaard dat Sternsdorff inderdaad gelijk had wat betreft de noodzaak tot vervanging van deze ventielen, maar dat dat slechts een kleinigheid betrof en de vervanging bovendien reeds is uitgevoerd. [eiser in conventie/gedaagde in reconventie] heeft ter zitting niet weersproken dat de ventielen reeds zijn vervangen, zodat daarvan in deze procedure zal worden uitgegaan. Ten aanzien van de twee gaskleppen heeft [eiser in conventie/gedaagde in reconventie] gesteld dat daaraan een levensduur van tien jaar is toegeschreven en dat, nu de kleppen ouder zijn dan tien jaar, de veiligheid niet langer kan worden gegarandeerd en de kleppen eerst dienen te worden vervangen voordat de WKK’s veilig in werking kunnen worden gesteld. Ter zitting is naar aanleiding van deze stelling een debat gevoerd over de staat van de thans in de WKK’s aanwezige kleppen. De fabrikant van de WKK’s heeft in dat verband aangevoerd dat in de markt inderdaad over een levensduur van tien jaar wordt gesproken, maar dat dat niet betekent dat een oudere klep per definitie niet meer voldoet nadat die jaren zijn verstreken. Bovendien is namens StortStroom onweersproken aangevoerd dat de kleppen zijn voorzien van een zogenaamde lekdetectie, zodat direct duidelijk is wanneer de kleppen niet meer (naar behoren) functioneren en dienen te worden vervangen. Ten aanzien van het derde punt, te weten het besturingssysteem van de WKK’s, heeft [eiser in conventie/gedaagde in reconventie] ter zitting niet gesteld dat het systeem op zichzelf niet deugt en gevaarlijk is. [eiser in conventie/gedaagde in reconventie] heeft enkel aangevoerd dat het originele besturingssysteem van de WKK’s op enig moment is vervangen en dat zij van het nieuw geplaatste besturingssysteem niet weet of deze aan alle (technische) eisen voldoet. Deze drie punten vormen, gelet op de daarover gegeven uitleg ter zitting, naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen aanleiding om te oordelen dat de WKK’s niet aan de minimale technische eisen voldoen. Gebleken is verder dat alle overige op- en aanmerkingen van Sternsdorff betrekking hebben op mineure onvolkomenheden waarover verschillend kan worden gedacht naar gelang van welke technische normen wordt uitgegaan. Niet gebleken is dat de WKK’s door de (mogelijke) aanwezigheid van die onvolkomenheden niet aan de minimale eisen voldoen. Bij deze stand van zaken bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de uitgevoerde onderzoeken aan het licht hebben gebracht dat de WKK’s niet voldoen aan de minimale technische eisen om probleemloos te kunnen functioneren. In het licht van de zin en de strekking van die voorwaarde, zoals verwoord in het vonnis van 6 juni 2018 onder 4.7. en 4.8., ging het erom dat niet eerst hoge kosten werden gemaakt aan de gasreinigingsinstallatie en daarna zou blijken dat de WKK’s zelf niet zouden voldoen.

4.9.

Dit alles leidt ertoe dat voldoende aannemelijk is dat aan de voorwaarde zoals verwoord in onderdeel 5.1. van het vonnis van 6 juni 2018 is voldaan. Gelet daarop rustte op [eiser in conventie/gedaagde in reconventie] de verplichting om binnen vier weken na de datum van dat vonnis een begin te maken met het proefdraaien van haar gasreinigingsinstallatie. Op grond van hetgeen ter zitting is besproken, moet worden geconcludeerd dat [eiser in conventie/gedaagde in reconventie] dat niet heeft gedaan, maar in plaats daarvan enkel een zogenaamd proefdraai protocol heeft opgesteld. [eiser in conventie/gedaagde in reconventie] is aldus niet begonnen met proefdraaien, terwijl zij daartoe wel was gehouden. Daarom zal de vordering tot schorsing van de executie van de daaraan in het vonnis van 6 juni 2018 gekoppelde dwangsommen worden afgewezen.

4.10.

In het eerdere vonnis van 6 juni 2018 is ten aanzien van de inwerkingstelling van de WKK’s geoordeeld dat StortStroom daartoe niet was verplicht, voordat [eiser in conventie/gedaagde in reconventie] heeft aangetoond dat uit de gasreinigingsinstallatie een nagenoeg constante kwaliteit stortgas beschikbaar is en met een voldoende mate van zekerheid kan worden voorspeld hoeveel de standtijd van de actief-koolfilters in de gasreinigingsinstallatie bedraagt. Inmiddels is geconstateerd dat [eiser in conventie/gedaagde in reconventie] daaraan niet heeft voldaan, omdat zij dit tot op heden niet heeft aangetoond. Gezien het eerdere vonnis bestaat op dit moment voor StortStroom dan ook geen verplichting om de WKK’s nu alsnog aan te zetten, zodat de vordering van [eiser in conventie/gedaagde in reconventie] strekkende daartoe zal worden afgewezen.

4.11.

Nu [eiser in conventie/gedaagde in reconventie] niet heeft voldaan aan de op haar rustende verplichting om onderzoek te doen naar de kwaliteit van het stortgas dat uit de gasreinigingsinstallatie komt en daartoe ook niet bereid is zolang StortStroom niet alle in de visie van [eiser in conventie/gedaagde in reconventie] bestaande gebreken aan de WKK’s heeft verholpen, bestaat aanleiding om haar daartoe in dit vonnis, zoals in reconventie gevorderd, alsnog te veroordelen, zonder daaraan verdere voorwaarden te koppelen. Ondanks het feit dat [eiser in conventie/gedaagde in reconventie] de bypass en het monitorsysteem reeds had aangelegd is zij steeds blijven weigeren de gasreinigingsinstallatie te laten proefdraaien. Waarom zij dat proefdraaien niet heeft uitgevoerd, heeft [eiser in conventie/gedaagde in reconventie] niet overtuigend kunnen uitleggen anders dan dat zij daartoe op basis van het eerdere vonnis niet was verplicht. Dat [eiser in conventie/gedaagde in reconventie] het proefdraaien niet heeft uitgevoerd, getuigt niet van een constructieve houding om tot uitvoering van de overeenkomst met StortStroom te komen. De vordering van StortStroom zal daarom nu zonder voorwaarden worden toegewezen. Ook het onderdeel van de vordering dat ziet op het opstellen van een rapport door een door StortStroom aan te wijzen deskundige, waaruit de deugdelijke uitvoering van het proefdraaien dient te blijken, zal als onweersproken worden toegewezen.

4.12.

De door StortStroom in dat verband gevorderde dwangsom zal op de voet van artikel 611a Rv eveneens worden toegewezen, waarbij [eiser in conventie/gedaagde in reconventie] zal worden veroordeeld tot betaling van € 2.000,00 voor iedere dag dat zij geen uitvoering geeft aan de onder 4.11. bedoelde veroordeling tot een maximum van € 250.000,00 is bereikt, met bepaling dat vanaf het moment van betekening van dit vonnis [eiser in conventie/gedaagde in reconventie] geen verdere dwangsommen meer zal verbeuren op grond van de veroordeling in 5.1. van het vonnis van 6 juni 2018.

4.13.

[eiser in conventie/gedaagde in reconventie] zal als de in het ongelijk gestelde partij in conventie en in reconventie in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van StortStroom in conventie tot op heden begroot op:

  • -

    griffierecht € 626,00

  • -

    salaris advocaat € 980,00

Totaal € 1.606,00

In reconventie worden de kosten begroot op (0,5 punt x tarief € 980,00 =) € 490,00 aan salaris advocaat.

4.14.

De gevorderde wettelijke rente en nakosten zullen worden toegewezen als na te melden.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

In conventie

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser in conventie/gedaagde in reconventie] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van StortStroom tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.606,00, waarin begrepen € 980,00 aan salaris advocaat,

5.3.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

5.4.

veroordeelt [eiser in conventie/gedaagde in reconventie] – onafhankelijk van enige voorwaarde – binnen twee dagen na betekening van dit vonnis de gasreinigingsinstallatie te laten proefdraaien, net zo lang totdat voldoende zekerheid bestaat dat een nagenoeg constante kwaliteit stortgas beschikbaar is conform de contractuele kwaliteitscriteria en met voldoende mate van zekerheid de standtijd van de actief-koolfilters kan worden voorspeld, waarbij de deugdelijke uitvoering van het proefdraaien dient te blijken uit een rapport van een door StortStroom aan te wijzen deskundige,

5.5.

veroordeelt [eiser in conventie/gedaagde in reconventie] tot betaling van een dwangsom van € 2.000,00 voor iedere dag dat zij geen uitvoering geeft aan de onder 5.4. genoemde veroordeling, tot een maximum van € 250.000,00 is bereikt, met bepaling dat vanaf het moment van betekening van dit vonnis [eiser in conventie/gedaagde in reconventie] geen verdere dwangsommen meer zal verbeuren op grond van de veroordeling in 5.1. van het vonnis van 6 juni 2018,

5.6.

veroordeelt [eiser in conventie/gedaagde in reconventie] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van StortStroom tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 490,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen met wettelijke rente over dit bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis, tot de dag van algehele voldoening,

5.7.

veroordeelt [eiser in conventie/gedaagde in reconventie], onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door StortStroom volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:
- € 157,00 aan salaris advocaat, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving,
- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening,

5.8.

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

5.9.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier [naam griffier] op 23 oktober 2018.