Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:5354

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
29-11-2018
Datum publicatie
12-12-2018
Zaaknummer
C/05/345601/KG RK 18-991
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK GELDERLAND

Wrakingskamer

zaaknummer: C/05/345601 / KG RK 18/991

Beslissing van 29 november 2018

van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van

[verzoeker] [adres verzoeker] ,

advocaat mr. J.M.R. Vlaar te Budel,

hierna te noemen: verzoeker,

strekkende tot de wraking van

mr. F.M.T. Quaadvliet (voorzitter), mr. S.H. Bokx-Boom en mr. G.J. Meijer,

rechters in deze rechtbank,

hierna te noemen: de rechters.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het proces-verbaal van 19 november 2018 waarin het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld;

  • -

    het schriftelijke verweer van de rechters van 19 november 2018;

- de door verzoeker op 20 november 2018 toegestuurde aanvullende documenten en wrakingsgronden;

- de reactie per e-mail van de voorzitter (ook namens de overige leden van de combinatie) van 20 november 2018 op de door verzoeker ingediende aanvullende documenten en wrakingsgronden.

Bij de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek op 20 november 2018 zijn verschenen:

- de advocaat mr. J.M.R. Vlaar;

- [naam assistent] , assistent van mr. Vlaar voornoemd;

- de echtgenote van [verzoeker] en de broer;

- mr. J.J.P.T. van Summeren te Arnhem, advocaat van de curator in het faillissement van [verzoeker] .

De rechters hebben laten weten niet te zullen verschijnen.

2 Het wrakingsverzoek

2.1

Het verzoek strekt tot wraking van de rechters in de zaak van [verzoeker] met nummer C/05/340928 / HA RK 18/146, inzake de behandeling van een beroepschrift ex artikel 67 en artikel 69 van de Faillissementswet.

2.2

Verzoeker heeft aan het wrakingsverzoek, zoals toegelicht bij de mondelinge behandeling, het volgende ten grondslag gelegd.

De rechters hebben het verzoek om aanhouding van de hoofdzaak ten onrechte afgewezen. Omdat pas afgelopen vrijdag (16 november 2018) bekend was dat [verzoeker] in detentie moet blijven, kon niet eerder dan op dat moment worden verzocht om aanhouding van de zaak en/of transport van [verzoeker] om de zitting (op maandag 19 november 2018) bij te wonen. [verzoeker] wordt enorm in zijn belangen geschaad als hij niet zelf bij de zitting aanwezig kan zijn. Alleen [verzoeker] zelf kan inhoudelijk verweer voeren en uitspraken van mr. Looyen weerspreken die kennelijk onwaar zijn.

2.3

De rechters hebben laten weten niet in de wraking te berusten en hebben verweer gevoerd. Dat verweer wordt hierna zover nodig besproken.

3 De beoordeling

3.1

Wraking van een rechter is slechts mogelijk op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan kan sprake zijn indien de rechter jegens een partij vooringenomen is of indien de vrees van een partij daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Bij de beoordeling daarvan moet voorop staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (HR 24 oktober 1995 NJ 1996,484). Uit de artikelen 36 en 37 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) en het vermoeden van onpartijdigheid volgt dat de verzoeker concrete feiten en omstandigheden moet aanvoeren waaruit objectief afgeleid moet worden dat de rechter jegens een partij vooringenomen is of de vrees van een partij dat dat zo is objectief gerechtvaardigd is. Met inachtneming hiervan overweegt de rechtbank het volgende.

3.2

De klachten van verzoeker zijn in wezen gericht tegen de beslissing van de rechters om het aanhoudingsverzoek af te wijzen. De juistheid van deze beslissing kan op zichzelf niet door middel van een wrakingsverzoek aan de orde worden gesteld. Dit is slechts anders indien de beslissing zo zeer onbegrijpelijk is, dat voor deze beslissing redelijkerwijs geen andere verklaring is te geven dan dat deze is ingegeven door vooringenomenheid van de rechter. Dat is niet aangevoerd door verzoeker en daarvan is naar het oordeel van de wrakingskamer ook niet gebleken. Uit het proces-verbaal van de zitting van 19 november 2018 is af te leiden dat de beslissing van de rechters om het aanhoudingsverzoek af te wijzen is ingegeven door proceseconomische redenen. Gelet op de afweging die de rechters daarbij hebben gemaakt, heeft de wrakingskamer geen aanleiding om te veronderstellen dat deze beslissing is ingegeven door vooringenomenheid van de rechters. Uit het enkele feit dat de rechters in het nadeel van verzoeker hebben beslist kan de wrakingskamer dat niet afleiden.

3.3

De stelling van mr. Vlaar dat mr. Looyen, de curator in het faillissement van [verzoeker] , bij de mondelinge behandeling uitspraken heeft gedaan die kennelijk onwaar zijn kan – wat daar verder van zij – evenmin leiden tot het oordeel dat sprake is vooringenomenheid van de rechter(s) of zwaarwegende aanwijzingen voor objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor. Niet valt in te zien op welke wijze dit de rechterlijke onpartijdigheid zou kunnen schaden.

3.4

In aanvulling op de wrakingsgronden zoals vermeld in het proces-verbaal van de zitting van 19 november 2018, heeft verzoeker op 20 november 2018 nog aangevoerd dat de voorzitter (mr. F.M.T. Quaadvliet) in het verleden al een beslissing heeft genomen in eenzelfde pensioenkwestie en dat deze beslissing is gecasseerd door de Hoge Raad. Ter zitting heeft mr. Vlaar toegelicht dat hij dit pas na de zitting ontdekte. Naar het oordeel van de wrakingskamer is deze wrakingsgrond te laat ingediend, aangezien alle wrakingsgronden tegelijk moeten worden voorgedragen. Dit is bepaald in artikel 37, derde lid, Rv. Uit die bepaling in samenhang met het vierde lid van hetzelfde artikel volgt dat alleen nieuwe feiten en omstandigheden die de verzoeker pas bekend zijn geworden nadat hij het wrakingsverzoek heeft gedaan, nog een rol kunnen spelen bij de beoordeling van het wrakingsverzoek. Naar het oordeel van de wrakingskamer doet deze uitzonderingssituatie zich in dit geval niet voor, aangezien verzoeker (dan wel zijn advocaat) omstreeks

5 september 2018 een brief heeft ontvangen van de rechtbank met daarin de namen van de rechters, zodat hij reeds voorafgaand aan de zitting ervan op de hoogte was, of had kunnen zijn, dat mr. F.M.T. Quaadvliet deze zaak zou gaan voorzitten. Er is dus geen sprake van nieuwe feiten en omstandigheden in de zin van artikel 37, vierde lid, Rv. Met de aanvullende wrakingsgronden wordt daarom geen rekening gehouden.

3.5

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, komt de wrakingskamer tot het oordeel dat verzoeker geen concrete feiten of omstandigheden heeft aangevoerd waaruit de wrakingskamer vooringenomenheid van de rechter(s) of zwaarwegende aanwijzingen voor objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kan worden afgeleid. Het wrakingsverzoek zal daarom worden afgewezen.

4 De beslissing

De rechtbank wijst het verzoek tot wraking af.

Deze beschikking is gegeven door de mr. I.D. Jacobs, voorzitter, mr. J.A. van Schagen en mr. J.M. Graat, leden, in tegenwoordigheid van [naam griffier] , griffier, en in openbaar uitgesproken op 29 november 2018.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.