Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:5162

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
07-12-2018
Datum publicatie
12-12-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 3634
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

IB/PVV. Ontduiking douanerechten. ROW niet aannemelijk gemaakt. Immateriële schadevergoeding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 13-12-2018
V-N Vandaag 2018/2727
FutD 2018-3291
NLF 2019/0002 met annotatie van Almer de Beer
V-N 2019/14.21 met annotatie van Redactie
NTFR 2018/2909
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 17/3634

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 7 december 2018

in de zaak tussen

[X] , eiser

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Almelo, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2005 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een verzamelinkomen van € 2.634.389. Daarnaast heeft verweerder een vergrijpboete van € 680.062 opgelegd (hierna: de boetebeschikking). Tevens is bij beschikking € 189.852 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 30 juni 2017 de aanslag verminderd en berekend over een verzamelinkomen van € 530.377. De boetebeschikking is verminderd tot € 106.415. De beschikking heffingsrente is verminderd tot € 37.094.

Eiser heeft daartegen bij fax van 13 juli 2017 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft schriftelijk gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2018.

Namens eiser is verschenen zijn gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen [gemachtigde] en [A] .

Overwegingen

1. Bij vonnis van 29 oktober 2008 is eiser strafrechtelijk veroordeeld voor onder meer deelname aan een criminele organisatie welke organisatie tot doel had het plegen van fraude en de strafbare onttrekking van goederen aan het douanetoezicht. Volgens de strafrechter bestond de criminele organisatie uit vijf personen.

2. De frauduleuze transacties bestonden uit het importeren van kippenvlees van buiten de Europese Unie (hierna: EU). Het vlees werd op papier onder douaneverband doorgevoerd naar een land buiten de EU, zowel naar Bulgarije als Roemenië. Feitelijk werd het vlees echter binnen de EU verkocht, namelijk naar Nederland en Duitsland.

3. Eiser is niet uitgenodigd tot het doen van een aangifte IB/PVV voor het jaar 2005.

4. Eiser heeft geen aangifte IB/PVV 2005 ingediend.

5. Aan eiser is op 23 januari 2007 een uitnodiging tot betaling (hierna: utb) uitgereikt voor een bedrag van € 1.536.606,17 aan douanerechten, aanvullende rechten en omzetbelasting. Bij uitspraak van de rechtbank Haarlem van 3 april 2014 is het beroep tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard en is de utb in rechte onaantastbaar geworden.

6. Verweerder heeft de aanslag IB/PVV gebaseerd op een onderzoek van de douane. Het totale voordeel van de fraude is door verweerder becijferd op € 2.630.014, bestaande uit een voordeel in verband met niet afgedragen invoerrechten van € 1.282.733, niet afgedragen aanvullende rechten van € 711.503, een theoretische winst van € 382.999 en de niet afgedragen omzetbelasting ten bedrage van € 252.780. Verweerder heeft een aanslag IB/PVV opgelegd naar een verzamelinkomen van € 2.634.389, bestaande uit loon uit dienstbetrekking van € 4.375 en resultaat uit overige werkzaamheden van € 2.630.014. Omdat bij de fraude vijf personen betrokken waren heeft verweerder in de uitspraak op bezwaar het resultaat uit overige werkzaamheden verlaagd tot 20% van het totale berekende voordeel, zijnde € 526.002. Het verzamelinkomen is verlaagd tot € 530.377. De vergrijpboete is verlaagd tot € 106.415.

Geschil en standpunten partijen

7. Tijdens de zitting heeft verweerder de boete ingetrokken. Eiser heeft daarop het beroep tegen de bij de uitspraak op bezwaar gehandhaafde boete ingetrokken. In geschil is de aanslag IB/PVV 2015, meer specifiek of verweerder het resultaat uit overige werkzaamheden van € 526.002 terecht en tot een juist bedrag heeft vastgesteld. Daarnaast is in geschil of eiser recht heeft op een immateriële schadevergoeding.

8. Eiser betoogt primair dat hij niets verdiend heeft met de frauduleuze transacties. Subsidiair stelt eiser dat indien hij inkomen heeft genoten, hij ook recht heeft op aftrek van de kosten die hij in verband daarmee heeft moeten maken. Als kosten voert eiser aan de verschuldigde douanerechten, aanvullende rechten en omzetbelasting van in totaal € 1.536.606,17. Deze kosten houden volgens eiser geen verband met de strafbare feiten waarvoor hij veroordeeld is. Eiser stelt verder dat hij recht heeft op een immateriële schadevergoeding, omdat de redelijke termijn is overschreden is met 7 jaar en 10 maanden.

9. Verweerder stelt dat het resultaat uit overige werkzaamheden terecht en tot een juist bedrag is vastgesteld. Verweerder acht het onwaarschijnlijk dat eiser voor zijn actieve rol bij de fraude geen vergoeding zou hebben ontvangen. Gelet op de belangrijke rol die eiser heeft vervuld in de criminele organisatie is het waarschijnlijk dat hij heeft gedeeld in de winst. Omdat het moeilijk is om over de criminele organisatie gegevens te krijgen is verweerder er vanuit gegaan dat eiser en de andere vier personen de winst gelijkelijk hebben verdeeld. Aan eiser is dan ook 20% van de theoretisch berekende winst toegerekend. Tijdens de zitting heeft verweerder zijn standpunt over de vergoeding van immateriële schade gewijzigd in zoverre dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn met 7 jaar en 10 maanden.

Beoordeling van het geschil

Resultaat uit overige werkzaamheid

10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiser met zijn betrokkenheid bij de handel in kippenvlees een bedrag van € 526.002 heeft verdiend. Weliswaar heeft verweerder met de theoretische berekening aannemelijk gemaakt dat de handel in kippenvlees heeft geleid tot een financieel voordeel van € 2.630.015 in 2005, maar verweerder heeft in het licht van de gemotiveerde betwisting van eiser onvoldoende onderbouwd op welke wijze en tot welk bedrag eiser heeft gedeeld in dat resultaat. De enkele stelling dat eiser belangrijke werkzaamheden heeft verricht binnen de organisatie die het kippenvlees verhandelde, is onvoldoende om aan te nemen dat eiser (gelijkelijk) in de winst heeft gedeeld. Het lag op de weg van verweerder, op wie de bewijslast rust, om een nader onderzoek te verrichten naar de stelling van eiser dat hij niets heeft verdiend. Verweerder had dat onder meer kunnen doen door het verrichten van een onderzoek naar het vermogen van eiser in en voorafgaand aan de periode waarin de handelstransacties hebben plaatsgevonden. Verweerder heeft dat echter nagelaten. Dat betekent dat het beroep gegrond is en dat uitspraak op bezwaar zal worden vernietigd. Verder zal de aanslag worden vernietigd voor zover daarmee belasting is geheven over het resultaat uit overige werkzaamheden. Omdat de aanslag deels wordt vernietigd, kan ook de beschikking voor zover daarmee heffingsrente in rekening is gebracht over het resultaat uit overige werkzaamheden, niet in stand blijven. Het voorgaande betekent dat de aanslag gehandhaafd blijft voor zover daarmee belasting is geheven over de looninkomsten ad € 4.375.

Vergoeding voor immateriële schade

11. Niet langer is in geschil dat de redelijke termijn van artikel 6 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden. De hoogte van de vergoeding voor immateriële schade is als volgt. Het bezwaar is ontvangen op 5 januari 2009 en de uitspraak van de rechtbank is gedaan op 7 december 2018. Dat betekent dat de procedure in eerste aanleg ruim 9 jaar en 11 maanden heeft geduurd (afgerond 10 jaren). Na aftrek van 2 jaar voor de redelijke termijn, bedraagt de overschrijding ruim 7 jaar en 11 maanden (afgerond 8 jaren). Voor elk half jaar overschrijding bestaat recht op een bedrag van € 500 voor immateriële schade. Dit betekent dat de totale vergoeding voor immateriële schade € 8.000 bedraagt (16 keer maal

€ 500). Nu de beroepsfase niet langer dan anderhalf jaar heeft geduurd, wordt de overschrijding geheel aan de bezwaarfase toegerekend. Verweerder zal dan ook worden veroordeeld om het gehele bedrag aan eiser te vergoeden.

12. De rechtbank vindt aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.002 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vernietigt de aanslag voor zover deze betrekking heeft op het resultaat uit overige werkzaamheden;

  • -

    veroordeelt verweerder tot betaling van de immateriële schade ad € 8.000;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 1.002;

  • -

    draagt verweerder op om het betaalde griffierecht van € 46 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. Zippelius, voorzitter, mr. A.P. Vaatstra en mr. J.J. Westerbaan, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Roosma, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 7 december 2018

griffier

Voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.