Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:5102

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
03-12-2018
Datum publicatie
03-12-2018
Zaaknummer
C/05/335902
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Betreft verzoek tot wijziging geboortedatum in geboorteakte vanwege een andere gevoelsleeftijd. Verzoek wordt afgewezen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Burgerlijke stand en landeninformatie 2018/5126
Prg. 2019/31
PFR-Updates.nl 2018-0301
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Team familierecht

Zittingsplaats Arnhem

Zaakgegevens: C/05/335902 / FA RK 18-1148

Datum uitspraak: 3 december 2018

beschikking ex artikel 1:24 BW

naar aanleiding van het verzoek van

[naam] (nader te noemen: [verzoeker] ),

wonende te [woonplaats] ( [land] ),

advocaat mr. M.A.W. Nillesen te ’s-Hertogenbosch.

Belanghebbende is:

de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Arnhem (hierna: de ambtenaar).

1 Het procesverloop

1.1.

Op 5 april 2018 heeft [verzoeker] het verzoek bij de rechtbank ingediend om zijn geboortedatum, zoals die op zijn geboorteakte staat vermeld, te wijzigen. Op 23 mei 2018 zijn van [verzoeker] aanvullende stukken ontvangen.

1.2.

Bij brief van 6 juli 2018 heeft de ambtenaar zijn standpunt over [verzoekers] verzoek naar voren gebracht.

1.3.

De officier van justitie heeft zijn kijk op de zaak bij brief van 22 oktober 2018 aan de rechtbank toegestuurd.

1.4.

De zaak is besproken op de zitting van de meervoudige kamer van 5 november 2018. Op verzoek van [verzoeker] heeft de rechtbank beslist dat de aanwezige schrijvende pers de zitting mocht bijwonen. Bij de zitting waren verder aanwezig:

  • -

    [verzoeker] , bijgestaan door zijn advocaat mr. J-H.L.C.M. Kuijpers, kantoorgenoot van mr. Nillesen en advocaat te Amsterdam;

  • -

    de ambtenaar, R.J.C. Arends, bijgestaan door mr. R.J.G.T. Kroes;

  • -

    de officier van justitie.

Op de zitting heeft mr. Kuijpers pleitnotities voorgelezen en aan de rechtbank gegeven.

2 Het verzoek en de beoordeling daarvan

2.1.

[verzoeker] heeft de rechtbank gevraagd om de geboortedatum die in zijn geboorteakte staat, [geboortedag] 1949, aan te merken als een misslag en deze te wijzigen in [datum] 1969. Hij heeft hiervoor een aantal argumenten naar voren gebracht die de rechtbank hieronder één voor één zal bespreken. De rechtbank zal eerst het kader schetsen waarbinnen het verzoek van [verzoeker] beoordeeld moet worden.

2.2.

[verzoeker] heeft artikel 1:24 van het Burgerlijk Wetboek (BW) genoemd als grondslag van zijn verzoek. In dat artikel staat, kort gezegd, dat de rechtbank verbetering kan opdragen van een akte die is opgenomen in een register van de burgerlijke stand. Het moet dan gaan om een akte die onvolledig is of een misslag bevat. [verzoeker] beschouwt de geboortedatum die op zijn geboorteakte staat als een misslag. Op de zitting heeft [verzoeker] bevestigd dat hij daadwerkelijk is geboren op [geboortedag] 1949. Hierover bestaat geen misverstand en in zoverre is er dus geen sprake van een misslag. Dit is ook de reden waarom de ambtenaar het eerdere verzoek van [verzoeker] aan hem om zijn geboortedatum te wijzigen niet heeft ingewilligd. De officier van justitie concludeert ook dat de wet geen ruimte biedt voor toewijzing van [verzoeker] verzoek.

2.3.

Uit jurisprudentie komt het openbare belang bij betrouwbare registers van de burgerlijke stand naar voren1. De dwingende bewijskracht van gegevens uit een geboorteakte maakt dat in zo’n akte geen ruimte is voor het opnemen van fictieve gegevens2. Omdat wel vast staat dat [verzoeker] niet daadwerkelijk is geboren op [datum] 1969, is de door hem gewenste datum een fictieve datum. De jurisprudentie biedt [verzoeker] daarom ook geen mogelijkheden voor toewijzing van zijn verzoek op de grond van artikel 1:24 BW.

2.4.

Dat wet en jurisprudentie geen ruimte bieden om [verzoekers] verzoek toe te wijzen, realiseert hij zich ook wel, want mr. Kuijpers heeft de rechtbank op de zitting met zoveel woorden verzocht om jurisprudentie te maken. Hij heeft de rechtbank gevraagd aansluiting te vinden bij de wettelijke regelingen die er bestaan voor naamswijziging (artikel 1:4 en 1:7 BW) en geslachtswijziging (artikel 1:28 en verder BW). [verzoeker] heeft aangevoerd dat naam, geslacht en leeftijd deel uitmaken van iemands identiteit. En als naam en geslacht kunnen worden gewijzigd, zou dat ook voor leeftijd moeten gelden. Volgens [verzoeker] is wijziging van leeftijd zelfs minder ingrijpend dan wijziging van geslacht.

2.5.

Volgens de rechtbank maakt leeftijd, die wordt afgeleid van iemands geboortedatum, inderdaad onderdeel uit van iemands identiteit. Maar bij leeftijd speelt meer dan alleen identiteit. Aan leeftijd zijn ook rechten en plichten verbonden, bijvoorbeeld het recht op een AOW-uitkering, zoals door [verzoeker] ook genoemd. Maar ook bijvoorbeeld het kiesrecht, het recht om te trouwen, de mogelijkheid om alcohol te drinken en het recht om een auto te besturen. Daarnaast zijn er bijvoorbeeld de leerplicht en de verplichte keuring voor het rijbewijs die aan leeftijd zijn gebonden. Deze leeftijdsgrenzen zijn in de verschillende wetten opgenomen met een reden. Die redenen hebben vaak te maken met de vraag of iemand al - of nog - voldoende geestelijk of lichamelijk in staat is om bepaalde handelingen te mogen verrichten (stemmen, autorijden, alcohol drinken). Op het moment dat hierbij van een fictieve geboortedatum zou worden uitgegaan, verliezen deze grenzen hun betekenis. Dit zijn niet alleen praktische gevolgen, zoals [verzoeker] deze noemt, maar ook maatschappelijke en juridische. Het zou dan immers mogelijk worden niet alleen jonger te worden verklaard, zoals [verzoeker] wil, maar ook ouder. Deze verbondenheid met rechten en plichten speelt bij naamswijziging en geslachtswijziging niet op die manier. Dat is de reden waarom de rechtbank niet zo maar kan aansluiten bij de bestaande regelingen voor naams- en geslachtswijziging. Het feit dat de overheid geld zal besparen doordat [verzoeker] pas later recht zou hebben op AOW is hierbij geen overweging, omdat het hier gaat om de betrouwbaarheid van de registers en de rechten en plichten die met leeftijd samenhangen. Het is geen economische afweging. Bovendien vindt de rechtbank, doordat er allerlei rechten en plichten aan leeftijd zijn verbonden, de wijziging van leeftijd juist ingrijpender dan de wijziging van naam of geslacht. Dat betekent dat er nog terughoudender mee om moet worden gegaan.

2.6.

[verzoeker] heeft drie argumenten naar voren gebracht waarom hij vindt dat toch aansluiting moet worden gezocht bij de regelingen voor naams- en geslachtswijziging. Ten eerste heeft hij aandacht gevraagd voor de zogenaamde “Zeitgeist”. Volgens [verzoeker] past zijn verzoek prima in onze tijd waarin de leeftijdsverwachting ieder jaar toeneemt, de mogelijkheden om de sporen van de tijd te remmen steeds omvangrijker worden en de medische wetenschap veel fatale aandoeningen weet te genezen. Daarnaast stelt hij dat in deze tijd identiteit en kalenderleeftijd niet meer zo met elkaar verbonden zijn als vroeger, veel mensen voelen zich jonger dan ze zijn.

Op de zitting is namens de ambtenaar verwezen naar het maatschappelijke debat dat bij geslachtswijziging en genderproblematiek wereldwijd heeft plaatsgevonden. Pas daarna is de wet gewijzigd. De ambtenaar ziet in zijn praktijk geen andere verzoeken zoals die van [verzoeker] .

2.7.

De rechtbank ziet wel de ontwikkeling dat mensen steeds ouder worden en ook dat velen van hen, langer dan vroeger, fit en vitaal blijven. De rechtbank ziet alleen niet hoe dit een argument kan zijn voor [verzoekers] stelling dat zijn geboortedatum moet worden aanpast aan de door hem ervaren leeftijd. Als het algemeen bekend mag worden verondersteld dat mensen langer “jong” blijven, zal de maatschappij hier ook in mee gaan en dus ziet de rechtbank het belang van [verzoeker] bij wijziging van zijn geboortedatum niet. Het lijkt zo eerder een argument om deze niet te wijzigen, omdat dan de noodzaak daarvoor ontbreekt. [verzoekers] stelling dat hij fysiek minstens twintig jaar jonger is, zoals hij ook op de zitting heeft uiteengezet, is in feite alleen maar een illustratie van die tendens. [verzoeker] heeft zijn stelling op dit onderdeel overigens niet met stukken onderbouwd, zodat de rechtbank niet kan vaststellen of zijn stelling klopt.

Net als de ambtenaar ziet de rechtbank geen breed maatschappelijk debat op dit punt. Bij de genderproblematiek is dat anders. Op het gebied van gender zijn concrete voorbeelden in de maatschappij zichtbaar die laten zien dat de visie hierop in beweging is, zoals de aanspreekvorm “Beste reizigers” bij de NS. Ook de jurisprudentie heeft zich hierover uitgesproken3. Kortom, de rechtbank ziet in de huidige “Zeitgeist”, bestaande uit de maatschappelijke en juridische ontwikkelingen, geen aanknopingspunten om het verzoek van [verzoeker] toe te wijzen.

2.8.

Het tweede argument van [verzoeker] is dat hij ervaring heeft met leeftijdsdiscriminatie, wat hij met een wijziging van geboortedatum zou kunnen voorkomen. [verzoeker] heeft geen concrete voorbeelden gegeven van hoe hij met leeftijdsdiscriminatie geconfronteerd is geweest. Het wat algemene voorbeeld dat hij op de zitting gaf is niet voldoende om over te gaan tot wijziging van zijn geboortedatum. Bovendien, als potentiële opdrachtgevers zich afvragen of [verzoeker] niet te oud is om een bepaalde klus te klaren, ligt het eerder op de weg van [verzoeker] om hen van het tegendeel te overtuigen. In zoverre heeft [verzoeker] dit argument onvoldoende onderbouwd. Hoe dan ook, als sprake is van leeftijdsdiscriminatie zijn er andere wegen te bewandelen om hiertegen iets te ondernemen dan het wijzigen van de geboortedatum. Bijvoorbeeld het melden van de leeftijdsdiscriminatie of een procedure bij het College voor de Rechten van de Mens.

2.9.

Als derde argument is door [verzoeker] naar voren gebracht dat het ook gaat om zijn persoon en dat hij sociaal lijdt onder het verschil tussen zijn werkelijke leeftijd en zijn gevoelsleeftijd. Hij heeft hierbij verwezen naar een brief van dr. H. de Jong, psychiater/psychoanalyticus van 1 februari 2018 waarin deze dat bevestigt. Deze brief geeft de rechtbank alleen geen inzicht in hoe dr. De Jong tot zijn conclusie is gekomen en ook [verzoeker] heeft zelf niet concreet gemaakt waaruit dit lijden dan precies bestaat en welk effect dit op hem heeft. Op zitting heeft hij zich in dit verband, zo begrijpt de rechtbank, beroepen op de vrije wil. [verzoeker] wil dat zijn gevoelsleeftijd wordt gelegaliseerd. Het lijkt erop dat hij zich daarmee wil beroepen op het zelfbeschikkingsrecht, zoals dat in internationale verdragen is vastgelegd. Volgens de rechtbank gaat het zelfbeschikkingsrecht echter niet zo ver dat alles wat je wilt ook kan. Het staat [verzoeker] vrij om zich jonger te voelen of jonger er uit te zien dan zijn kalenderleeftijd en om dit ook uit te dragen en anderen daarvan proberen te overtuigen. Maar het recht op zelfbeschikking brengt niet mee dat hiervoor zijn feitelijke geboortedatum moet worden aangepast. De feitelijke geboortedatum is immers niet alleen een schriftelijke geboortedatum zoals [verzoeker] stelt, de datum is een weerslag van de feitelijke gebeurtenis van geboorte.

2.10.

De argumenten van [verzoeker] geven de rechtbank dus geen aanleiding om aansluiting te zoeken bij de regelingen voor naams- en geslachtswijziging. Nu de wet en de jurisprudentie geen mogelijkheden bieden om het verzoek van [verzoeker] toe te wijzen, zal de rechtbank het verzoek afwijzen. De rechtbank merkt hierbij nog op dat toewijzing van het verzoek zou meebrengen dat de twintig jaren waarin [verzoeker] wel heeft geleefd zouden verdwijnen in de registers. Dit zou allerlei juridische problemen opleveren. Bijvoorbeeld wat zou er moeten gebeuren met diploma’s die in die periode zijn behaald, of het rijbewijs, een eventueel huwelijk wat in die tijd is gesloten of een kind dat is geboren. Dit zijn meer dan alleen praktische gevolgen, wat nog maar eens bevestigt wat het belang is van registers van burgerlijke stand die feitelijk juiste informatie bevatten.

3 De beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. van der Linde, rechter, als voorzitter, en mrs. M.E. Snijders en A.A. Roodenburg, rechters, in tegenwoordigheid van C.E.M. Daniels als griffier en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2018.

1 Bijvoorbeeld: Gerechtshof ’s-Gravenhage, 22 juli 2009, ECLI:NL:GHSGR: 2009:BJ4386

2 Gerechtshof Den Haag, 19 september 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:2709

3 Rechtbank Limburg, 28 mei 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:4931