Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:5053

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
27-11-2018
Datum publicatie
27-11-2018
Zaaknummer
05/882455-17
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2019:5902, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

poging tot doodslag, veroordeling tot gevangenisstraf van 1 jaar en tbs met dwangverpleging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/882455-17

Datum uitspraak : 27 november 2018

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

[woonplaats] ,

thans gedetineerd te PPC te ’s-Gravenhage,

raadsman: mr. J.P.A. van Schaik, advocaat te Veenendaal.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 27 maart 2018, 19 juni 2018, 28 augustus 2018 en 13 november 2018.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegewezen vordering nadere omschrijving tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 21 november 2017 te Rhenoy, althans in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde]

opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk

van het leven te beroven, met dat opzet die [benadeelde]

meermalen, althans eenmaal, met kracht,

met een hamer, althans een ander hard en/of zwaar en/of stomp (stalen)

voorwerp op/tegen het hoofd en/of de slaap heeft geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 21 november 2017 te Rhenoy, althans in Nederland,

opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk,

aan [benadeelde] zwaar lichamelijk letsel, te weten

- twee defecten van het schedeldak en/of

- meerdere losse botfragmenten van het schedeldak in het hersenweefsel en/of

- een uitgebreide bloeduitstorting rondom de breuken in het schedeldak en/of

- een (gedeeltelijke) verlamming,

heeft toegebracht, door die [benadeelde]

meermalen, althans eenmaal, met kracht,

met een hamer, althans een ander hard en/of zwaar en/of stomp (stalen)

voorwerp op/tegen het hoofd en/of de slaap te slaan.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 21 november 2017 omstreeks 12.00 uur is [benadeelde] gewond op de grond in de kerk aan de [adres] in Rhenoy aangetroffen. [benadeelde] is meerdere keren en met kracht met een geheel of gedeeltelijk stalen voorwerp op haar hoofd geslagen.2 [benadeelde] heeft hierdoor twee breuken in haar hersenschedel opgelopen met meerdere losse botfragmenten in het hersenweefsel tot 3,5 cm diep. Als gevolg daarvan heeft [benadeelde] een linkszijdige gezichtsverlamming, een spierverlamming aan haar linkerbeen en aan de bovenkant van haar linkerarm en neglect voor het linkerbeen en de linkerarm. Tevens ontbreken haar buikhuidreflexen.3

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot moord en daartoe, samengevat, het volgende naar voren gebracht. Verdachte heeft [benadeelde] meerdere keren met kracht met een hamer op haar hoofd geslagen. Het boos opzet van verdachte op het op deze wijze doden van [benadeelde] kan worden afgeleid uit de plannen en bedoeling van verdachte voorafgaande aan het feit en uit de uiterlijke verschijningsvorm van wat in de kerk is gebeurd. Daarbij was sprake van voorbedachten rade. Verdachte heeft in de maanden en weken voor het incident al de gedachte gehad om iemand te doden, gelet op de verklaringen van zijn tante en de zoekslagen op zijn laptop. De wijze van vermoorden waar verdachte in de week voorafgaand aan het incident meermaals op zoekt - slaan met een hamer op het hoofd - is ook wat later gebeurt met [benadeelde] . Op de dag van het incident heeft verdachte een factuur uitgeschreven en pas daarna een hamer gepakt. Dat kan niet anders zijn geweest dan met het doel om [benadeelde] met die hamer aan te vallen, omdat de werkzaamheden aan de piano al waren afgerond. Na het uitschrijven van de factuur volgde een kort gesprek waarin [benadeelde] had aangegeven dat verdachte niet bij haar in de woning kon wachten op de volgende afspraak. Tussen het beëindigen van dit gesprek en het slaan hebben 1 à 2 minuten gezeten. Dat is een lange tijd. De klappen kwamen volgens [benadeelde] uit het niets. Zij heeft geen ruzie of woorden met verdachte gehad. De officier van justitie is dan ook van mening dat verdachte in de maanden, weken en laatste minuten voor het incident de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad om [benadeelde] te doden en zich daarvan rekenschap te geven. Contra-indicaties die tot de conclusie zouden kunnen leiden dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling bij verdachte ten tijde van het incident zijn volgens de officier van justitie niet aanwezig.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om verdachte vrij te spreken en daartoe onder meer aangevoerd dat rechtstreeks bewijs dat verdachte [benadeelde] heeft geslagen, ontbreekt. Niet uitgesloten kan worden dat iemand anders in de kerk aanwezig is geweest. Het voorwerp waarmee de verwonding moet zijn toegebracht is nooit gevonden. Er is dus geen directe link tussen verdachte en [benadeelde] waaruit voortvloeit dat hij haar moet hebben geslagen. Ook het bloedspoor op zijn kleding bewijst dit niet. Er is dus geen hard bewijs dat verdachte aanwezig was ter plekke, terwijl [benadeelde] gewond was. De raadsman heeft daarnaast aangevoerd dat, indien de rechtbank wel bewezen acht dat verdachte degene is geweest die [benadeelde] heeft geslagen, niet kan worden bewezen dat daarbij sprake was van voorbedachten rade.

Beoordeling door de rechtbank

De eerste vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of verdachte degene is die [benadeelde] heeft geslagen.


Verklaring verdachte

Verdachte is op 21 november 2017 getroffen door een hartstilstand. Als gevolg hiervan is hij van 21 november tot 22 december 2017 in coma geweest. Hij heeft verklaard zich niets meer te kunnen herinneren van 21 november 2017. Hij kan zich niet voorstellen dat hij iemand zou slaan en ontkent daarom dat hij [benadeelde] heeft geslagen.

Verklaring aangeefster

Verdachte is pianostemmer. [benadeelde] heeft verklaard dat zij met verdachte een afspraak had op 21 november 2017 om 10.00 uur om de piano in de kerk van Rhenoy te stemmen. [benadeelde] heeft verklaard dat zij naar de kerk is gegaan om op verdachte te wachten. Zij was de enige in de kerk. Nadat verdachte kwam is hij een half uur bezig geweest. Hij zei dat de stemvork los zat en dat de piano niet te repareren was. Verdachte heeft toen een rekening van
75 euro geschreven.4 [benadeelde] heeft deze rekening in haar agenda gestopt en deze in haar tas gedaan.5 Verdachte vroeg daarna of hij met [benadeelde] mee naar huis mocht omdat zij in de buurt woonde. Verdachte moest om 12.30 uur weer in Rhenoy zijn. [benadeelde] heeft toen gezegd dat dit niet mocht.6 [benadeelde] heeft verklaard dat daarna, toen zij met haar rug naar verdachte stond, met een hard voorwerp meerdere keren op haar hoofd werd geslagen. [benadeelde] heeft verklaard dat het voelde als een hamer maar dat zij niet heeft gezien waarmee ze is geslagen. Tussen het afronden van het gesprek en de klappen zaten 1 à 2 minuten. Op het moment dat ze de slagen kreeg was verdachte de enige die bij haar was.7

Agenda van verdachte

In de agenda die in de woning van verdachte lag, stond bij de datum 21 november 2017 de tekst ‘ [benadeelde] 10 uur. Kerk. [adres] ’.8

Bus van verdachte

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij op 21 november 2017 om 9.50 een blauwe Ford bestelbus voorbij zag rijden in de richting van de kerk. Hierop stond iets als ‘pianostemmer’.9 Op camerabeelden is te zien dat voor de kerk in Rhenoy een blauwe bus met wit opschrift stopt en daar stil staat van 9.49 uur tot 10.42 uur.10 Verdachte heeft verklaard dat hij rijdt in een bestelbus en dat de bus op de foto’s die de verbalisanten hem laten zijn, zijn bus is.11 Op deze foto’s staat een blauwe bestelbus met in witte belettering de tekst ‘ [naam 1] ’. In deze bus is de agenda van [benadeelde] aangetroffen en de factuur.12

DNA-spoor

De kleding van verdachte is onderzocht op de aanwezigheid van bloed. Op de rechtermouw van een jas van verdachte is bloed aangetroffen. Daarin is een DNA-mengprofiel gevonden van minimaal twee personen. Dit kan afkomstig zijn van [benadeelde] en verdachte. Het is meer dan één miljard keer waarschijnlijker dat het verkregen DNA-mengprofiel DNA van verdachte en [benadeelde] bevat (hypothese 1) dan dat het DNA van verdachte en een willekeurige onbekende persoon bevat (hypothese 2). Dit rechtvaardigt de conclusie dat op de jas van verdachte DNA-materiaal van [benadeelde] zat en dat verdachte dus met [benadeelde] in contact is geweest.13

Verklaringen tante en neef

Getuige [getuige 2] (tante van verdachte) heeft verklaard dat verdachte op 21 november 2017 rond half 12, kwart voor 12 met zijn blauwe bus haar erf in [naam 6] op kwam rijden. Verdachte kwam overstuur de keuken binnen en riep ‘stom stom, ik ben hartstikke stom geweest. Sorry sorry [naam 2] , ik ben zo stom geweest. Ik weet het niet meer. Jij bent altijd goed voor mij geweest, bedankt, bedankt voor alles’. [getuige 2] heeft vervolgens aan verdachte
gevraagd of hij iemand had geslagen had en verdachte zei toen ‘ja’. Toen [getuige 2] vroeg wie hij dan had geslagen, zei verdachte ‘iemand in de kerk, een vrouw’.14

Getuige [getuige 3] (neef van verdachte) heeft verklaard dat verdachte rond 11.00 uur bij zijn woning kwam en zei ‘kom eens even, want het is foute boel, er iets gebeurd in de kerk, een ongeluk’. [getuige 3] zei dat hij daar dan niets aan kon doen als het een ongeluk was. Verdachte zei vervolgens ‘jawel, dat denk ik wel. Het is nu foute boel, mijn leven is voorbij’.

Tussenconclusie

De rechtbank stelt op basis van het voorgaande vast dat [benadeelde] een afspraak had met verdachte om 10.00 uur in de kerk in Rhenoy. Tussen 9.49 uur en 10.42 uur is een blauwe bus met witte belettering bij de kerk gezien. Getuige [getuige 1] heeft rond 9.50 uur een blauwe bus bij de kerk gezien met de woorden ‘pianostemmer’. Verdachte is volgens getuige [getuige 2] met deze blauwe bus naar haar woning gereden. In deze bus zijn de agenda van [benadeelde] en de rekening van € 75 aangetroffen. Op de mouw van de jas van verdachte is het DNA-profiel van het slachtoffer aangetroffen. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat verdachte degene is geweest die in de bus heeft gereden en in de kerk is geweest.

[benadeelde] heeft verklaard in de kerk door verdachte te zijn geslagen en dat er op dat moment niemand anders dan verdachte bij haar was. Daarnaast heeft verdachte zelf gezegd tegen zijn tante en neef – nog voordat [benadeelde] in de kerk was aangetroffen – dat hij in de kerk een vrouw had geslagen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het niet anders kan dan dat verdachte degene is die [benadeelde] op haar hoofd heeft geslagen. De rechtbank acht het onaannemelijk dat iemand anders in de kerk is geweest en [benadeelde] heeft geslagen, nu het dossier daarvoor geen enkel aanknopingspunt biedt.


Opzet

De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is of verdachte het opzet heeft gehad om [benadeelde] te doden.

Blijkens het microsporenonderzoek zijn in de beschadigingen in het schedeldakdeel deeltjes staal aangetroffen, die zich gedeeltelijk bevinden in het bot en in de beschadiging in het bot. Dit maakt het zeer aannemelijk dat de aangetroffen deeltjes afkomstig zijn van het voorwerp dat de beschadigingen heeft veroorzaakt. De conclusie is dat uit het microsporenonderzoek is af te leiden dat met een geheel of gedeeltelijk stalen voorwerp op het hoofd van [benadeelde] is geslagen.15

Uit het forensisch geneeskundig onderzoek blijkt dat de letsels aan het hoofd van [benadeelde] zijn ontstaan door inwerking van meervoudig mechanisch stomp, botsend geweld, zoals door meervoudig slaan met ten minste één hard voorwerp kan worden opgeleverd. Gezien de breuken van het schedeldak moet dit geweld hevig zijn geweest. Er zijn minimaal twee contacttraumata aan het hoofd geweest aangezien er twee, in ernst verschillende, schedelbreuken op enige afstand van elkaar aanwezig waren.
Verder blijkt uit dat onderzoek dat bij [benadeelde] onder andere bloed onder het harde hersenvlies en onder de zachte hersenvliezen aanwezig was en dat sprake was van een beschadiging van hersenweefsel rechts met omgevende bloeduitstorting en een zwelling van de gehele rechterhersenhelft. Het scheuren van bloedvaten tussen het harde hersenvlies en de hersenen veroorzaakt een bloedophoping onder het hersenvlies. Als een dergelijke bloedophoping acuut ontstaat – zoals ten gevolge van een trauma – veroorzaakt dit drukverhoging in de schedelholte. Hierdoor kunnen de hersenen gaan inklemmen, waardoor bloedvaten dichtgedrukt worden en/of functiestoornissen van de hersenstam optreden, met mogelijk de dood als gevolg. Deze schil bloed onder het harde hersenvlies, de bloeduitstorting in het hersenweefsel en de verwikkelingen daarvan, namelijk hersenzwelling, maakten operatief ingrijpen bij [benadeelde] noodzakelijk.
De conclusie is dat de letsels aan het hoofd zeer wel hadden kunnen leiden tot de dood.16

De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat het geweld dat door verdachte is toegepast, dodelijk had kunnen zijn. De rechtbank is voorts van oordeel dat het meerdere keren, met kracht, met een hard (stalen) voorwerp op een hoofd slaan, een gedraging is die zozeer is gericht op het intreden van de dood, dat het niet anders kan dan dat verdachte heeft gewild [benadeelde] op die manier te doden. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte opzettelijk heeft geprobeerd [benadeelde] te doden.

Voorbedachten rade

De vraag die de rechtbank tot slot dient te beantwoorden is of verdachte met voorbedachten rade heeft geprobeerd [benadeelde] te doden.

Om te spreken van voorbedachten rade moet vast komen te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

[benadeelde] heeft verklaard dat verdachte langs is gekomen om de piano te stemmen en dat hij daar een half uur mee bezig is geweest. Verdachte heeft daarna gezegd dat de piano niet meer te stemmen was en een rekening uitgeschreven. Verdachte heeft vervolgens gevraagd of hij bij [benadeelde] mocht blijven omdat hij om 12.30 uur nog een afspraak had in Rhenoy. [benadeelde] heeft gezegd tegen verdachte dat hij niet bij haar kon blijven. Deze handelingen wijzen er naar het oordeel van de rechtbank op dat verdachte zijn normale werkzaamheden heeft verricht en van plan was vervolgens nog naar een andere afspraak te gaan.

Daarna heeft verdachte [benadeelde] op haar hoofd geslagen. Tussen het afsluiten van het gesprek en het slaan heeft volgens [benadeelde] 1 à 2 minuten gezeten. [benadeelde] heeft tevens verklaard dat verdachte haar uit het niets heeft geslagen en dat het leek alsof het een drift was, alsof hij psychotisch werd.

Gelet op het voorgaande valt - zoals ook bevestiging vindt in de hierna nog te bespreken deskundigenrapportages - niet uit te sluiten dat de gemoedstoestand van verdachte plotseling is omgeslagen toen [benadeelde] tegen hem zei dat hij niet bij haar thuis kon wachten en dat hij haar daarom, uit boosheid, heeft geslagen. De rechtbank is daarom van oordeel dat niet valt uit te sluiten dat verdachte in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling [benadeelde] heeft geslagen, hetgeen een contra-indicatie is voor het aannemen van voorbedachten rade. De rechtbank acht dan ook niet bewezen dat verdachte met voorbedachten rade heeft geprobeerd [benadeelde] te doden. Aan dit oordeel doet niet af dat verdachte in de weken voorafgaande aan het incident op zijn computer heeft gezocht naar termen als ‘moord met hamer’ en ‘kan je iemand met een hamer doden’. Ook doet daaraan niet af dat hij tegen zijn tante heeft gezegd dat als hij iemand zou neerslaan, hij in de gevangenis zou komen en dat dan voor hem gezorgd zou worden. Deze omstandigheden vormen een aanwijzing dat verdachte heeft nagedacht over het slaan en mogelijk doden van iemand. Dat betekent echter nog niet dat hij op 21 november 2017 naar zijn afspraak in de kerk is gegaan met het voornemen om [benadeelde] te doden.

De rechtbank zal de verdachte dan ook van dat deel van het tenlastegelegde vrijspreken. De rechtbank acht wel bewezen dat verdachte heeft geprobeerd [benadeelde] de doden, hetgeen primair is ten laste gelegd.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

Primair

hij op of omstreeks 21 november 2017 te Rhenoy, althans in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde]

opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk van het leven te beroven,

met dat opzet die [benadeelde] meermalen, althans eenmaal, met kracht,

met een hamer, althans een ander hard en/of zwaar en/of stomp (stalen)

voorwerp op/tegen het hoofd en/of de slaap heeft geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van primair:

poging tot doodslag

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde (poging tot moord) zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd de maatregel van terbeschikkingstelling, met verpleging van overheidswege, op te leggen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om aan verdachte een straf op te leggen gelijk aan de duur van de voorlopige hechtenis en een voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarde de opname in een instelling. Ten aanzien van de door de officier van justitie geëiste tbs-maatregel heeft de raadsman aangevoerd dat niet duidelijk is of daadwerkelijk kan worden vastgesteld dat sprake is van een stoornis in het autismespectrum. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat onvoldoende is onderbouwd dat sprake is van gevaar, zoals is vereist voor de oplegging van een tbs-maatregel.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 28 september 2018;

- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 23 oktober 2018;

- rapporten van drs. [naam 3] , psycholoog, gedateerd 16 oktober 2018, dr. [naam 4] , psychiater, gedateerd 9 oktober 2018, en [naam 5] , forensisch milieuonderzoeker, gedateerd 27 september 2018

- het observatieverslag betreffende de opname in FPA [naam instelling] van 22 mei 2018 tot 9 juli 2018.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.


Verdachte heeft geprobeerd [benadeelde] te doden door haar met een hard voorwerp op haar hoofd te slaan. [benadeelde] is hierdoor op de grond gevallen en is buiten bewustzijn geraakt. [benadeelde] is pas na een uur door haar huisgenoot gevonden. Zij heeft het geweld overleefd, maar is hierdoor linkszijdig verlamd geraakt en heeft 24 uur per dag zorg nodig. Daarnaast kan [benadeelde] haar ambt van predikant niet meer uitoefenen. Dit heeft een diepe impact gehad op het leven van [benadeelde] , zo is gebleken uit de op de zitting door haar voorgelezen slachtofferverklaring.

Het pogen om een ander te doden is een zo ernstig strafbaar feit dat dit in beginsel de oplegging van een langdurige gevangenisstraf rechtvaardigt.

De rechtbank houdt echter ook rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Kort na het geweld heeft verdachte een hartstilstand gekregen waarna hij een maand in coma heeft gelegen. Verdachte heeft hierdoor hersenletsel opgelopen waardoor hij ernstig is beperkt op het gebied van geheugen en taal en daarnaast lichamelijk is beperkt. Verdachte heeft verklaard zich niets meer te herinneren van de dag van het incident. De psycholoog en psychiater hebben vastgesteld dat sprake is van amnesie (geheugenverlies) en dat er geen aanwijzingen zijn dat verdachte dit voorwendt. De rechtbank merkt dan ook op dat zij de ontkenning van verdachte – hoe moeilijk en onbegrijpelijk dit ook moet zijn voor het slachtoffer en haar omgeving – niet ziet als een weigering om verantwoordelijkheid te nemen voor zijn daad maar als ongeloof over zijn eigen gedrag.

De psychiater en psycholoog hebben een rapport over verdachte opgesteld.
De psychiater heeft gerapporteerd dat bij verdachte – al voor zijn hartstilstand – sprake is van een autismespectrumstoornis en een psychotische kwetsbaarheid met ten tijde van het onderzoek een kortdurende psychotische stoornis. Ten tijde van het tenlastegelegde waren de autismespectrumstoornis en de psychotische kwetsbaarheid aanwezig. Ter terechtzitting heeft de psychiater toegelicht dat zij de vaststelling van een autismespectrumstoornis heeft gebaseerd op in het milieuonderzoek van familie van verdachte verkregen informatie over het gedrag van verdachte en op de waarnemingen tijdens de observatie van verdachte in [naam instelling] , waarbij overeenkomstig gedrag is waargenomen.

De psycholoog heeft gerapporteerd dat er ten tijde van het tenlastegelegde aanwijzingen zijn dat sprake is van een autismespectrumstoornis (waarschijnlijkheidsdiagnose) en daarnaast een psychotische kwetsbaarheid in de vorm een kortdurende psychotische stoornis.

Volgens de psycholoog en psychiater is na het plotselinge overlijden van de moeder van verdachte in april 2017, zijn beschermde en beperkte wereld in elkaar gestort. Verdachte was niet in staat om zijn emoties te hanteren en voor zichzelf te zorgen. Er was sprake van toenemende somberheid, suïcidale uitspraken en toenemend claimend gedrag naar zijn familie. Verdachte is in de ban geraakt van de gedachte om geheel verzorgd te moeten worden. Meermalen heeft hij aangegeven geweld te willen gebruiken om zo in de gevangenis te komen en verzorgd te worden. Vanuit zijn autistische stoornis had verdachte geen aandacht voor de gevolgen van dit mogelijke gedrag. De familie van verdachte wilde hem niet helemaal verzorgen en begrensde hem in zijn gedrag. Dit was een begrenzing waar verdachte niet mee om wist te gaan, waardoor de spanning opliep. Op basis van zijn autismespectrumstoornis weet verdachte zijn eigen emoties niet te hanteren en evenmin kan verdachte emoties delen of bespreekbaar maken om tot vermindering van de spanning te komen. Zowel de psycholoog als psychiater merken op dat de slechte toestand van de te stemmen piano voor verdachte waarschijnlijk een onverwachte en spanning en agressie verhogende gebeurtenis zal zijn geweest. Kort daarna weigerde het slachtoffer verdachte om bij haar thuis te wachten. Deze begrenzing zou voor verdachte de trigger kunnen zijn geweest om het slachtoffer te slaan. De rechtbank merkt op dat dit overeenkomt met haar bevindingen over de mogelijke oorzaak van het toepassen van het geweld. De deskundigen adviseren verdachte het tenlastegelegde in verminderde mate toe te rekenen. Ter terechtzitting heeft de psychiater aangegeven dat, indien de “vijf puntschaal” zou zijn toegepast, zij tot sterk verminderd toerekeningsvatbaar zou hebben geconcludeerd. De rechtbank neemt deze conclusie van de deskundigen over.

De deskundigen schatten het risico op herhaling van een geweldsdelict als hoog in. Dit komt door de combinatie van het onvermogen zichzelf staande te houden en de eigen emoties te reguleren, de rigiditeit in het denken en gedrag, het snel oplopen van de spanning, de psychotische kwetsbaarheid en het niet tegen begrenzing kunnen, in combinatie met het ontbreken van empathie en gewetensvorming. Het risico neemt toe bij begrenzingen en veranderingen van de dagelijkse gang van zaken. De deskundigen achten dan ook een langdurige behandeling noodzakelijk binnen een setting met een hoog beveiligings- en behandelingsniveau. Plaatsing in een Forensisch Psychiatrisch Centrum gespecialiseerd in mensen met een verstandelijke beperking is aangewezen. De behandeling dient zich daarbij te richten op het leren herkennen van spanning en het aanleren van vaardigheden om hulp te vragen bij het hanteren van spanning. Het is van belang dat langzaam toegewerkt wordt naar het vergroten van de zelfstandigheid en het leren hanteren van begrenzing. Bij de behandeling zal ook aandacht moeten zijn voor de cognitieve schade. Het uiteindelijke doel van de behandeling zal zijn het gevaar dusdanig terug te brengen dat verdachte geplaatst kan worden in een 24-uurs woonvoorziening. Deze behandeling dient volgens de deskundigen plaats te vinden in het kader van een terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

De rechtbank stelt vast dat het bewezenverklaarde een misdrijf als bedoeld in artikel 37a, eerste lid onder 1, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) betreft waarvoor terbeschikkingstelling mogelijk is en voorts ook een misdrijf betreft dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een ander als bedoeld in artikel 38e Sr. De rechtbank is voorts van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging eist. Nu het gaat om een misdrijf dat een krenking vormt van de lichamelijke integriteit van een of meer personen zal de duur van de maatregel niet beperkt zijn.

De rechtbank is van oordeel dat het noodzakelijk is dat verdachte behandeld wordt en dat deze behandeling niet anders kan plaatsvinden dan in het kader van een terbeschikkingstelling met dwangverpleging. Verdachte is niet in staat om zichzelf staande te houden. De spanningen lopen bij verdachte snel op en hij kan niet tegen begrenzing. Een behandeling in het kader van bijzondere voorwaarden vereist een vrijwillige medewerking van verdachte en de rechtbank acht hem daartoe niet in staat. Dit is dan ook niet haalbaar. Daarbij komt nog dat dit onvoldoende bescherming biedt aan de maatschappij.

De rechtbank is tevens van oordeel dat naast de maatregel van terbeschikkingstelling een gevangenisstraf passend is. Verdachte heeft een hartstilstand gehad waardoor hij ernstige geestelijke en lichamelijke beperkingen heeft. Hij kan hierdoor niet meer voor zichzelf zorgen en zal 24 uur per dag geholpen moeten worden. Daarnaast heeft hij behandeling nodig. Gelet op de slechte gezondheidstoestand waarin verdachte verkeert, is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van een jaar passend is. Dit is lager dan doorgaans voor een dergelijke poging tot doodslag wordt opgelegd. De rechtbank wil op geen enkele manier iets afdoen aan de ernst van het feit en de impact en de gevolgen die het heeft gehad voor het slachtoffer. De rechtbank is echter van oordeel dat in dit geval een langere gevangenisstraf geen enkel redelijk doel dient. Hierbij heeft de rechtbank nog meegenomen dat het niet zo is dat verdachte het feit ontkent terwijl hij weet dat hij het gepleegd heeft. Het is dus niet zo dat hij weigert zijn verantwoordelijkheid te nemen. Zoals hiervóór al is overwogen, is zijn geheugenverlies echt en heeft hij daadwerkelijk geen herinnering aan wat zich op
21 november 2017 heeft afgespeeld. Tot slot heeft de rechtbank meegenomen dat verdachte niet eerder een strafbaar feit heeft gepleegd.

Alles afwegend zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar opleggen. Tevens zal de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege worden opgelegd.

7a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde [benadeelde] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het primair bewezen verklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 320.970,08.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij tot betaling van het bedrag van € 320.970,08 toe te wijzen, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van de gederfde inkomsten ‘verlies extra preekbeurten’ aangevoerd dat deze kosten onvoldoende onderbouwd zijn. Ten aanzien van de kosten van rechtsbijstand heeft de verdediging aangevoerd dat deze kosten zeer hoog zijn en dat het aan het slachtoffer is om deze kosten te beperken door gebruik te maken van gefinancierde rechtsbijstand. De verdediging heeft ten aanzien van de overige kostenposten geen verweer gevoerd.

Beoordeling door de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en wat verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden. Dit zal hieronder per schadepost worden toegelicht, waarbij een onderscheid is gemaakt tussen de schadeposten waartegen verweer is gevoerd en waartegen geen verweer is gevoerd door de verdediging. Voor deze schade is verdachte op grond van het voorgaande naar burgerlijk recht aansprakelijk.

1. Materiële schade (niet betwist)

De benadeelde partij heeft onder andere een vergoeding verzocht ten aanzien van de volgende posten:

huishoudelijke hulp en verlies zelfredzaamheid

verleden € 7.025,50

toekomst € 119.225,-

reiskosten € 612,87

ziektekosten € 2.699,28

verlies arbeidsvermogen:

verlies inkomen en gevolgen pensioen € 6.599,05

aanschaf hulpmiddelen € 6.845,88

materiële schade € 1.365,-

verlies zelfwerkzaamheid € 370,50 +

totaal € 144.743,08

De verdediging heeft ten aanzien van deze kostenposten geen verweer gevoerd. Nu deze schadeposten naar het oordeel van de rechtbank verder voldoende zijn onderbouwd en redelijk voorkomen, kunnen deze worden toegewezen tot het gevorderde bedrag van

€ 144.743,08.

2. Verlies arbeidsvermogen ‘preekbeurten’

De benadeelde partij heeft een vergoeding verzocht voor het verlies van arbeidsvermogen ten aanzien van ‘de extra preekbeurten’. Dit betreft toekomstige schade. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende onderbouwd waarop de berekening van het aantal preekbeurten is gebaseerd, temeer nu het gaat om in de toekomst gelegen en onzekere werkzaamheden. Een nadere onderbouwing van deze schadepost zou een onevenredige belasting van het strafproces opleveren. De rechtbank zal dan ook de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering.

3. Kosten rechtsbijstand.

De benadeelde partij heeft een vergoeding gevorderd van de rechtsbijstandskosten die zij heeft gemaakt ter verkrijging van schadevergoeding in de onderhavige strafprocedure. Bij de beoordeling van deze kostenpost maakt de rechtbank onderscheid tussen de kosten van rechtsbijstand en de onderzoekskosten.

Kosten rechtsbijstand

De hoogte van de vergoeding van rechtsbijstand wordt bepaald aan de hand van het "Liquidatietarief rechtbanken en hoven". De hoofdsom van de toegewezen vordering, vermeerderd met de wettelijke rente, betreft een bedrag tussen € 195.000 en € 390.000,- waardoor een tarief van € 2.402,- per punt geldt. Gezien de verrichte werkzaamheden, te weten het indienen van de vordering (1 punt) en de mondelinge toelichting ter terechtzitting (1 punt), komt daarmee de hoogte van de vergoeding van de kosten van rechtsbijstand op een bedrag van € 4.804,-.


Onderzoekskosten

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de stukken is vast komen te staan dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het opvragen van medische stukken en het laten opstellen van rapportages. De rechtbank acht deze kostenpost voldoende onderbouwd en redelijk. Het bedrag van € 1.315,26 wordt dan ook toegewezen.

Immateriële schade

Aan de benadeelde partij is door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks nadeel toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Door het geweld is de benadeelde partij linkszijdig verlamd geraakt en heeft zij 24 uur per dag zorg nodig. Daarnaast is de benadeelde partij arbeidsongeschikt geraakt. Dit is aan verdachte toe te rekenen. Aan de wettelijke vereisten, waaronder die genoemd in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. Het door de benadeelde partij gevorderde bedrag van € 150.000,- acht de rechtbank, gelet op de aard en de ernst van de feiten en de ernstige blijvende gevolgen daarvan, en gezien de bedragen die Nederlandse rechter in vergelijkbare gevallen pleegt toe te wijzen, billijk.

Ter meerdere zekerheid voor daadwerkelijke betaling aan de benadeelde partij, zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zal de rechtbank de vervangende hechtenis vaststellen op
1 (één) dag.

De vergoeding voor proceskosten is daar niet bij inbegrepen.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 1 mei 2018. Gelet op het feit dat de schade op verschillende tijdstippen is ontstaan, is wat betreft de wettelijke rente een ingangsdatum bepaald die in het midden ligt van de periode waarin die schadeposten zijn ontstaan.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) jaar.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast dat veroordeelde ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

  • -

    Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [benadeelde] , te betalen
    € 294.743,08 (tweehonderdvierennegentigduizend zevenhonderd drieënveertig euro en acht cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

  • -

    Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op € 6.119,26, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

  • -

    Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Maatregel van schadevergoeding

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde] , te betalen € 294.743,08 (tweehonderdvierennegentigduizend zevenhonderd drieënveertig euro en acht cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van de hoofdsom te vervangen door hechtenis voor de duur van één dag, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.A.M. van Hoof (voorzitter), mr. I.D. Jacobs en mr. C. van Linschoten, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.G.A. Luijckx, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 november 2018.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, ON5R017052 Dwerguil (BHV 2017538091), gesloten op
7 augustus 2018, en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van aangifte [benadeelde] , p. 99; NFI rapport microsporenonderzoek, p. 360 (achtste pagina van het rapport); NFI rapport forensisch geneeskundig onderzoek, p. 350.

3 Brief UMC Utrecht, p. 114.

4 Proces-verbaal van aangifte [benadeelde] , p. 98-99.

5 Proces-verbaal van bevindingen, p. 70.

6 Proces-verbaal van aangifte [benadeelde] , p. 99.

7 Verklaring van aangeefster [benadeelde] bij de rechter-commissaris, tweede, derde pagina en vierde pagina.

8 Proces-verbaal bevindingen agenda verdachte, p. 503

9 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 197.

10 Proces-verbaal analyse camerabeelden, p. 82

11 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 684, 697.

12 Proces-verbaal van bevindingen [naam 6] , p. 30.

13 Proces-verbaal biologisch vooronderzoek, p. 283; NFI rapport vergelijkend DNA-onderzoek, p. 392-394.

14 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 129-130.

15 NFI rapport microsporenonderzoek, p. 359-360 (zevende en achtste pagina van het rapport).

16 NFI rapport forensisch geneeskundig onderzoek, p. 350-351.