Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:4954

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
28-09-2018
Datum publicatie
19-11-2018
Zaaknummer
17.10219
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschillen tussen buren. Geluidsoverlast; pesterijen; verspreiden van geruchten. Verwijderen van camera’s en vernietigen van camerabeelden. Aanpassingen aan twee-onder-een-kapwoningen. Blokkeren van goten (artikel 5:53 BW).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0970
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

_________________________________________________________________ _

RECHTBANK GELDERLAND

Civiel recht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer: NL17.10219 / 1362 / 560

Vonnis van 28 september 2018

in de zaak van

1 [eiser sub 1.] , 2. [eiser sub 2.] ,

beiden wonende te [woonplaats] ), eisers,

advocaat mr. K.O. de Jongh te Utrecht,

tegen

1 [verweerder sub 1.] ,

2. [verweerder sub 2.],

beiden wonende te [woonplaats] ), verweerders, advocaat mr. M. Blok te Ede.

Partijen worden hierna ook in enkelvoud aangeduid als [eisers] (eisers gezamenlijk) en

[verweerders] (gedaagden gezamenlijk). Eisers afzonderlijk zullen worden aangeduid als de heer [eisers] en [eiser sub 2.] , en gedaagden afzonderlijk zullen worden aangeduid als de heer [verweerder sub 1.] en [verweerder sub 2.] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de procesinleiding

  • -

    het verweerschrift

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling ter plaatse op 18 mei 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verweerders] woont sinds 1991 als eigenaar op het adres [adres A] . De heer [eisers] woont sinds 1992 als eigenaar in de woning ernaast op [adres B] . De twee woningen zijn gebouwd onder één kap. Het gezin van [verweerders] bestaat uit de heer [verweerders] , [verweerder sub 2.] en hun drie minderjarige kinderen. De heer [eisers] bewoont de woning na een echtscheiding en het vertrek van zijn eerste echtgenote en hun kinderen thans met zijn tweede echtgenote [eiser sub 2.] , die ten tijde van de comparitie zwanger was.

2.2.

[verweerders] heeft in de loop der jaren verschillende verbouwingen aan zijn woning uitgevoerd. In 1996 heeft hij een onderkelderde garage aan zijn woning gebouwd. Hij heeft de overloop aangepast en een vaste trap naar de zolder gebouwd. In 2006 heeft hij een uitbouw gerealiseerd, bestaande uit een vaste overkapping tussen de woning en de schuur. In 2013 heeft hij zijn badkamer gerenoveerd. Daarna heeft hij onderhoudswerkzaamheden uitgevoerd, waaronder het schilderen van kozijnen en dakgoten, het schoonmaken van dakgoten en het onderhouden van de schoorsteen. Thans is hij bezig een betonnen zitkuil in de tuin aan te leggen op een plek waar voorheen een speelhuisje stond.

2.3.

In de periode van 2012 tot 2016 heeft [eisers] bestuursrechtelijke procedures gevoerd tegen de gemeente Ede in verband met werkzaamheden van [verweerders] aan zijn woning. [eisers] heeft ook bestuursrechtelijk geprocedeerd in verband met werkzaamheden van andere buurtbewoners.

2.4.

[eisers] heeft ook verbouwingen aan zijn woning uitgevoerd. In 2006 heeft de heer [eisers] een aanbouw met kelder gerealiseerd en de badkamer vernieuwd. In 2008 heeft hij een nieuwe keuken laten plaatsen. Voorts heeft hij veluxramen aangebracht, het dak geïsoleerd en de gehele eerste verdieping voorzien van nieuwe plafonds. Thans is [eisers] bezig met werkzaamheden aan de WC en laat hij zonnepanelen op het dak plaatsen, waarvoor een sleuf in de gang moet worden gemaakt.

2.5.

In een brief van 4 oktober 2016 heeft de toenmalige rechtshelper van de heer [eisers] aan [verweerders] onder meer geschreven:

(...) Cliënt heeft helaas moeten constateren dat u al sinds 7 november 2008 – en tot op de dag van vandaag – bezig bent met het verbouwen en renoveren van uw woning. Naast de onophoudelijke (geluids)overlast die cliënt hiervan al jaren aaneengesloten ondervindt heeft hij tevens geconstateerd dat een en ander ten koste gaat van de authenticiteit van zijn woning.

De gemeenschappelijke schoorsteen.

Cliënt heeft geconstateerd dat u deze schoorsteen, inclusief de pijpen, zonder zijn toestemming en medeweten – en zonder dat hiertoe enige noodzaak bestaat – aan de bovenzijde oranje/rood heeft geschilderd. (...)

De gemeenschappelijke goot aan de voor- en achterzijde.

Al enige maanden bent u bezig met het renoveren van de gemeenschappelijke goten aan de voor- en achterzijde van uw woning. Naast de onophoudelijke geluidsoverlast die u ook met dit project veroorzaakt heeft cliënt geconstateerd dat u deze goten ingrijpend heeft gewijzigd. (...)

Geplaatste beveiligingscamera.

Begin augustus van dit jaar viel het cliënt op dat u aan de binnenzijde van uw dakkapel aan

de voorzijde van de woning een beveiligingscamera had geïnstalleerd welke tevens gericht was op de openbare weg en de voortuin en eigendommen van cliënt. (...) Cliënt wenst niet door u op afstand te worden bekeken en/of door uw camera te worden opgenomen (...)

Aansprakelijkstelling/ingebrekestelling

Gelet op het bovenstaande mag het u duidelijk zijn dat u verantwoordelijk en aansprakelijk bent voor de onderhavige situatie en dat u derhalve gehouden bent een en ander te (doen laten) herstellen, dan wel de herstelkosten c.q. de schade aan cliënt te vergoeden.

Namens cliënt verzoek ik u, en voor zoveel nodig sommeer ik u dan ook om mij uiterlijk

binnen twee weken na heden schriftelijk te bevestigen dat u zich zult onthouden van het geheel of gedeeltelijk renoveren en/of vervangen van de gemeenschappelijke schoorsteen, dat u de bovenzijde van deze schoorsteen en de gemeenschappelijke goten, conform hierboven reeds beschreven, voor uw rekening en risico weer zult terugbrengen in de originele staat en dat de beveiligingscamera, eveneens conform bovenstaand reeds aangegeven, wordt verplaatst.

(...)

2.6.

Bij brief van 19 oktober 2016 heeft [verweerders] geantwoord:

Wij hebben uw schrijven van 4 oktober 2016 in goede orde ontvangen (...).

Tot maart 2008 was onze verhouding prima te noemen. (...) In de periode maart 2002 tot en met december 2002 is uw cliënt zeer zwaar overspannen geweest, met opname in De Gelderse Roos tot gevolg begin 2003. Om een voor een ieder onverklaarbare reden was hij binnen 3 maanden weer thuis, maar naar ons idee nog totaal niet hersteld. Uw cliënt heeft jarenlang zijn vrouw en kinderen geestelijk en lichamelijk mishandeld; in maart 2008, tijdens de keukenverbouwing, is zij met gevaar voor eigen leven, en dat van haar kinderen, vertrokken.

Sinds dat moment is uw cliënt zich anders naar ons gaan gedragen; (...)

Geluidsoverlast

Het leven zoals wij dat leiden, laat niet toe om vanaf november 2008 tot en met de dag van vandaag aaneengesloten te verbouwen. (...) Uw cliënt ervaart al snel last van geluiden. (...)

Gemeenschappelijke schoorsteen

(...) Vorig jaar hebben wij de grote hoeveelheid mos van de bovenzijde van de schoorsteen verwijderd, uit behoud van deze originele schoorsteen. Om te voorkomen dat er weer mosgroei zou ontstaan, en om de schoorsteen van de bovenzijde waterafstotend te maken, is deze met bruine betonverf behandeld. Het gaat hier dus alleen om de bovenzijde van de schoorsteen, (...)

De gemeenschappelijke goot aan voor- en achterzijde

Onze onderhouds- en herstelwerkzaamheden, alsmede schilderwerk aan de houten constructie onder de zinken dakgoot, hebben aan onze zijde, dus aan onze woning, plaatsgevonden. (...) Mocht uw cliënt lekkage hebben in zijn dakgoot, dan komt dat door zijn eigen handelen (...)

Beveiligingscamera

Onze 3 kinderen (...) ondervinden schade van onze geesteszieke buurman. Zij weten dat uw cliënt ons bespiedt en begluurt. (...)

Als klap op de vuurpijl zijn wij door onze overburen erop geattendeerd, dat uw cliënt het zeer jonge meisje van begin 20 jaar uit Lombok, wat hij naar Nederland heeft gehaald, foto’s laat maken van onze woning. Wij zijn van mening dat bovenstaande ernstige inbreuk is op onze privacy, en die van onze kinderen. (...) Op advies van de politie, wijkagent [naam wijkagent] , is deze beveiligingscamera geplaatst. Zij heeft enkel als doel om ons gezin, en onze eigendommen te beschermen, en is ook als zodanig ingesteld.

Zoals u begrijpt is de relatie tussen uw cliënt en ons ernstig verstoord. (...)

Gelet op bovenstaande mag het u duidelijk zijn dat uw cliënt degene is die verantwoordelijk is voor deze situatie, en dat hij degene is die aansprakelijk kan worden gesteld, en niet wij.

(...)

2.7.

De heer [naam aannemer] , die een aannemersbedrijf heeft (hierna: [naam aannemer] ), heeft op 29 maart 2017 op verzoek van [eisers] de goten bouwtechnisch bekeken. In zijn brief aan [eisers] van 31 maart 2017 is daarover onder meer het volgende aan bevindingen vermeld:

(…) Op 29 maart jongstleden heb ik de goten bouwtechnisch bekeken, zowel voor als achter. (…) Aan de voor- en achterkant is bij uw buren de gootlijst met ongeveer 1 cm opgedikt. Om daar de zinken krul weer op de gootlijst te kunnen laten aansluiten is het zink in de goot ook ongeveer 1 cm naar voren getrokken. Hierdoor is de zinken krul aan uw kant ontzet en sluit over een lengte van circa 10 centimeter niet meer aan op de gootlijst. Er is daar een vrij grote kier zichtbaar. Aan de achterkant is deze kier opgevuld met siliconenkit, aan de voorkant is die nog open. Hierdoor kunnen lekkages ontstaan.

Omdat het zink aan de kant van de buren naar voren is getrokken ligt dit nu scheef in de gemeenschappelijke goot en kan daardoor niet meer gelijkmatig werken. Hierdoor kunnen de dilatatie en de lasnaden scheuren en kunnen er ook daardoor lekkages ontstaan. Ook is bij de buren te zien dat aan hun kant het zink waarschijnlijk grotendeels losligt. Dit ligt niet meer overal strak aan tegen het houtwerk maar maakt op verschillende plekken een golvende beweging. Waarschijnlijk is de zinken krul aan de voor- en zijkant van de klangen afgeschoten. Ook dit komt de stabiliteit van het zink niet ten goede en ook hierdoor kunnen

lekkages ontstaan. (…)

3 Het geschil en de beoordeling

3.1.

[eisers] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

a. [verweerders] veroordeelt om binnen een week na betekening van dit vonnis een brief op te stellen gericht aan de bewoners van de vijf hierna te noemen straten rond de woning van [eisers] , waarin [verweerders] vermeldt dat zij in de afgelopen jaren [eisers] wegens het bestaan van een burenruzie onjuist hebben beschuldigd van pedoseksualiteit, het maken van foto’s van hun kinderen, geestelijk gestoord zijn en het mishandelen van zijn ex-echtgenote en kinderen, althans een brief met een door de rechtbank in goede justitie te bepalen inhoud en [verweerders] veroordeelt deze brief binnen een week na betekening van dit vonnis huis aan huis te bezorgen bij alle woningen aan de volgende vijf straten rond de woning van [eisers] te

[woonplaats] : [namen van 5 straten]

[verweerders] veroordeelt de aanpassingen aan de dakgoot en gootsteunen ongedaan te maken en deze zoveel als mogelijk terug te brengen in de originele staat, uit te voeren door een professionele aannemer, met vergoeding van de schade aan de woning van [eisers] die het gevolg is van de onoordeelkundige werkzaamheden door [verweerders] , nader op te maken bij staat, althans [verweerders] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 10.000,00 voor de waardedaling van de woning van [eisers] door de door [verweerders] verrichte werkzaamheden aan de dakgoten van zijn woning, met veroordeling van [verweerders] tot vergoeding van de huidige en toekomstige schade aan de woning van [eisers] die het gevolg is van de onoordeelkundige werkzaamheden van [verweerders] , nader op te maken bij staat;

[verweerders] veroordeelt binnen twee weken na betekening van dit vonnis de door [verweerders] op de gezamenlijke schoorsteen aangebrachte rode betonverf te laten verwijderden door een professionele aannemer en verwijderd te houden, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of deel daarvan dat [verweerders] dit nalaat, met een maximum van € 10.000,00 te betalen aan [eisers] ;

[verweerders] veroordeelt, bij wijze van ordemaatregel, om binnen 24 uur na het betekenen van dit vonnis:

  • -

    gedurende een periode van twee jaar geen verbouwingen/bouwwerkzaamheden aan de woning te (laten) verrichten, uitgezonderd noodzakelijke reparaties die door een professionele derde worden uitgevoerd, althans dat [verweerders] maximaal gedurende twee weken per jaar aaneengesloten van 8.00 uur ’s morgens tot 17.00 uur ’s middags bouw/verbouw/onderhoudswerkzaamheden aan de woning mag (laten) verrichten, uitgezonderd noodzakelijke reparaties die door een professionele derde worden uitgevoerd;

  • -

    geen geluidshinder meer voor [eisers] te veroorzaken, in welke vorm dan ook;

  • -

    het verspreiden van geruchten over [eisers] , van welke aard dan ook, te staken; - [eisers] niet meer te beledigen, uit te schelden, te intimideren of obscene gebaren naar [eisers] te maken;

  • -

    geen afval of andere zaken meer te deponeren of gooien in de tuin, op het dak of in de dakgoot van de woning en op de schuur of aanbouw van [eisers] ; - geen begroeiing uit de tuin van [eisers] terug te snoeien tot over de erfgrens;

  • -

    geen snoeiafval of andere materialen in de tuin van [eisers] te gooien; - geen onrechtmatige hinder of overlast te veroorzaken aan [eisers] , en bepaalt dat [verweerders] een boete verbeurt van € 5.000,00 per geconstateerde

overtreding van het vorenstaande, met een maximum van € 100.000,00, te betalen aan

[eisers] ;

[verweerders] veroordeelt tot het binnen 24 uur na betekening van dit vonnis verwijderen en verwijderd houden van camera’s in en bij de woning van [verweerders] aan de [adres A] , die gericht zijn op de achterzijde van de woning van [eisers] en zijn voortuin en de stoep en weg bij de woning van [eisers] aan de [adres B] , een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag indien niet aan de veroordeling wordt voldaan met een maximum van € 20.000,00, te betalen aan [eisers] ;

[verweerders] veroordeelt tot het vernietigen van de beelden welke zijn gemaakt met onder e beschreven camera's, en van deze vernietiging binnen 14 dagen bewijs over te leggen een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag indien niet aan de veroordeling wordt voldaan met een maximum van € 20.000,00, te betalen aan [eisers] ;

[verweerders] veroordeelt een bedrag aan immateriële schadevergoeding van € 25.000,00, te betalen aan [eisers] ;

althans een zodanige beslissingen neemt als de rechtbank in goede justitie meent te behoren;

[verweerders] veroordeelt in de nakosten, aan de zijde van [eisers] begroot op € 131,00 zonder dat betekening van het vonnis zal plaatshebben, vermeerderd met een bedrag van € 77,39 indien en voor zover [verweerders] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan de veroordeling zal voldoen en het vonnis om die reden betekend dient te worden, voorts vermeerderd met de wettelijke rente over de nakosten van € 131,00 vanaf de vijftiende dag na aanschrijving van [verweerders] , alsmede in geval van betekening van het vonnis te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten van € 77,39 vanaf de vijftiende dag na betekening van het vonnis, telkens tot de dag van volledige betaling; j) [verweerders] veroordeelt in de kosten van deze procedure.

vordering onder a en onder d: goede naam

3.2.

Ter toelichting op de vorderingen in verband met zijn goede naam stelt [eisers] het volgende (procesinleiding 29 - 31). Nadat [eisers] bestuursrechtelijk is gaan procederen in verband met de onderkelderde garage van [verweerders] , is [verweerders] ertoe overgegaan de naam van [eisers] ernstig te besmeuren door valse geruchten over hem te verspreiden. Vanaf 2012 gaat het gerucht dat de heer [eisers] zijn ex-vrouw zou hebben geslagen. Dat is kort na de start van de bestuursrechtelijke procedure en vijf jaar nadat de heer [eisers] van zijn ex-vrouw is gescheiden. Ook verspreidt [verweerders] het gerucht dat de heer [eisers] pedoseksueel zou zijn. [eisers] legt een schriftelijke getuigenverklaring over van de schilder [persoon X] en een filmpje waarop is vastgelegd dat [verweerders] hem (de heer [eisers] ) uitscheldt voor pedofiel. Voor [eisers] staat vast dat het gerucht dat de heer [eisers] pedoseksueel is door [verweerders] is verspreid gezien alle overige gebeurtenissen en omstandigheden die in de procesinleiding worden besproken. Ter zitting heeft [eisers] nader toegelicht dat mensen uit de buurt zeggen dat de geruchten afkomstig zijn van [verweerders] . Ook meent hij dat [verweerders] zijn naam bezoedelt door de heer [eisers] in de tuin ‘achterbakse pedofiel’ te noemen terwijl mensen in de buurt dat kunnen horen. [eisers] benadrukt dat deze verhalen ook grievend en diffamerend zijn voor [eiser sub 2.] , die als volwaardig partner van de heer [eisers] gerespecteerd wenst te worden.

3.3.

[verweerders] voert gemotiveerd verweer (verweerschrift 91 - 96). Hij betwist dat hij geruchten verspreidt en de naam van [eisers] besmeurt. [eisers] heeft in de buurt geen goede naam, maar dat ligt volgens [verweerders] aan hemzelf. [verweerders] erkent dat hij de heer [eisers] heeft uitgescholden zoals op het filmpje is vastgelegd. De verklaring die [verweerders] hiervoor geeft is dat hij flipte omdat hij zag dat [eisers] zijn kinderen (die van [verweerders] ) in de tuin filmde.

3.4.

De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Van onrechtmatig handelen is in elk geval sprake in geval van smaad, laster of (eenvoudige) belediging, zoals gedefinieerd in het Wetboek van Strafrecht. Uit de verwoording van het verwijt dat [eisers] aan [verweerders] maakt, te weten dat [verweerders] de naam en reputatie van [eisers] besmeurt door het verspreiden van valse geruchten, is af te leiden dat [verweerders] zich volgens [eisers] daaraan schuldig maakt door met een zekere mate van doelbewustheid en stelselmatigheid aan buurtgenoten verhalen over [eisers] te vertellen die niet waar zijn met de bedoeling [eisers] daardoor in een kwaad daglicht te stellen. Voor het oordeel dat [verweerders] dat doet, bieden de stellingen van [eisers] echter onvoldoende grond. De stelling van [eisers] dat er geruchten gaan over mishandeling en pedofilie en dat mensen zeggen dat de verhalen van [verweerders] afkomstig zijn, is daarvoor onvoldoende concreet. Dat er geruchten over mishandelingen van zijn vorige vrouw door de heer [eisers] zijn opgekomen jaren na zijn scheiding maar direct na aanvang van de bestuursrechtelijke procedure in verband met werkzaamheden van [verweerders] is, ook als het komt vast te staan, niet voldoende voor het oordeel dat [verweerders] deze geruchten heeft verspreid in de hiervoor bedoelde zin. Andere aanwijzingen dat geruchten over [eisers] door [verweerders] zijn verspreid, ontbreken. De gefilmde scheldpartij in de tuin kan niet worden beschouwd als het verspreiden van geruchten en ook niet als het bezoedelen van de naam van [eisers] . De enkele mogelijkheid dat een derde dit heeft gehoord is daarvoor onvoldoende. Omdat hetgeen [eisers] in deze procedure stelt aldus onvoldoende is voor het oordeel dat [verweerders] geruchten over hem verspreidt dan wel dat deze zijn naam bezoedelt, zal daarover ook geen bewijsopdracht worden gegeven. De conclusie is dat de vordering onder a zal worden afgewezen en dat het in dit verband gevorderde verbod onder d niet zal worden gegeven.

vordering onder b: dakgoot en gootsteunen

3.5.

Aan de vordering in verband met de dakgoot en de gootsteunen legt [eisers] het volgende ten grondslag (procesinleiding 16 - 22, 41). In de periode van mei tot oktober 2016 heeft [verweerders] gewerkt aan zijn dakgoot en gootsteunen. Hij heeft de gootlijst met ongeveer 1 cm opgedikt. Daardoor is de aansluiting met het zink (de zinken krul) aangetast. Verder heeft hij de gootsteunen tot aan de erfgrens opgehoogd. Daardoor sluiten zij niet meer aan op de gootsteunen van de woning van [eisers] . Ook heeft [verweerders] volgens [eisers] schotten in de dakgoot gelegd. Het opdikken van de gootlijst, het ophogen van de gootsteunen en het leggen van de schotten leidt volgens [eisers] tot lekkages bij hem. Ter onderbouwing van deze stellingen brengt [eisers] een brief van 24 maart 2017 in het geding waarin bouwtechnisch deskundige [persoon Y] , werkzaam bij [naam bedrijf] , onder meer verklaart dat in de goot aan de achterkant aan de zijde van [verweerders] vlak bij de dilatatie twee massieve schotten in de goot zijn geklemd, waardoor het zink niet meer gelijkmatig kan werken, waardoor scheuren in de soldeernaden kunnen ontstaan met lekkages tot gevolg. [eisers] wijst voorts op de brief van 31 maart 2017 van zijn aannemer [naam aannemer] die verklaart dat hij de goten voor en achter heeft bekeken en dat de werkzaamheden van [verweerders] volgens hem hebben geleid tot schade aan het zink in de goten van [eisers] , waardoor lekkages kunnen ontstaan. [eisers] betoogt dat het blokkeren van de dakgoot waardoor er schade aan zijn woning is ontstaan onrechtmatig is ingevolge artikel 6:162 BW.

3.6.

[verweerders] voert gemotiveerd verweer (verweerschrift 55 - 67). Hij erkent dat hij circa anderhalf jaar geleden de houten constructie van zijn dakgoot heeft bekleed met hardhout met een dikte van 4 mm. Hij heeft dat vrij van het zink op de houten constructie geplaatst. Het aanzicht van de dakgoot is daardoor volgens hem niet gewijzigd. Het zink, dat in de houten constructie in een passing met klangen zit gefixeerd, kan hierdoor volgens hem niet verschuiven. [verweerders] betwist dat de aanpassing leidt tot een kans op lekkage. [verweerders] heeft ook de gootsteunen met circa 1 cm opgehoogd. Dat heeft volgens hem geen effect op de dakgoot of de werking ervan. De schotten heeft [verweerders] geplaatst omdat [eisers] zijn goten niet schoonhoudt, met het gevolg dat het hemelwater bij verstopping van de goten van [eisers] uitsluitend kan worden afgevoerd via de goten van [verweerders] . De goten zijn daar niet op berekend, zodat het leidt tot lekkages bij [verweerders] . Volgens [verweerders] is het niet onrechtmatig om de schotten te plaatsen, omdat water van het ene erf op grond van artikel 5:53 BW niet in de goot van het andere erf mag komen. [verweerders] stelt voorts dat de gemeenschappelijke dakgoot wordt gedeeld door een rubber (expansie)stuk. Dat stuk vangt uitzetting en krimp op en de dakgoten van de beide woningen kunnen hierdoor vrij van elkaar bewegen.

3.7.

Tijdens de comparitie ter plaatse heeft de rechter aan de achterkant van het huis vastgesteld dat de houten beugels die de goten ondersteunen bij [verweerders] iets hoger doorlopen dan bij [eisers] en dat de beugel op de eigendomsgrens aan de kant van [verweerders] iets hoger doorloopt dan aan de kant van [eisers] . Voorts heeft zij toen aan de voorkant van het huis vastgesteld dat de voorkant van de goot iets verder naar voren komt dan de voorkant van de goot van [eisers] . Verder heeft [eisers] de rechter bij die gelegenheid gewezen op een hoek van de goot aan de buitenkant van zijn huis aan de achterzijde, niet grenzend aan het huis van [verweerders] , waar een lekkage is geweest, en ook op een plek in zijn huis bij die goot waar een lekkage is geweest. Ondanks haar herhaalde verzoek daartoe heeft [eisers] de rechter niet in de gelegenheid gesteld vanuit de ramen aan voor- en achterzijde, die gelegen zijn op betrekkelijk korte afstand boven de dakgoot, te kijken in de goot aan de voor- of achterzijde, in het bijzonder het zinken deel daarvan, waarbij [eisers] ter toelichting daarop mededeelde dat van daaruit niets relevants is te zien.

3.8.

De rechtbank oordeelt over het geschil betreffende de goten als volgt. Het staat [verweerders] als eigenaar in beginsel vrij aanpassingen aan zijn woning door te voeren. Dat zou anders kunnen zijn als door die aanpassingen het aanzicht van de woning van [verweerders] en daarmee het aanzicht van de als een bouwkundig geheel te beschouwen twee-onder-eenkapwoningen van [verweerders] en [eisers] aanmerkelijk verandert. In het onderhavige geval heeft de rechter ter plaatse geconstateerd dat deze visuele verandering zeer beperkt is. Er is daarin dan ook geen grondslag voor een veroordeling van [verweerders] om de aanpassingen aan zijn dakgoot en gootsteunen ongedaan te maken. Als echter komt vast te staan dat de werkzaamheden van [verweerders] aan zijn goten hebben geleid tot schade aan de goten van [eisers] , dan kan de primaire vordering van [verweerders] om deze schade te vergoeden wel toewijsbaar zijn.

3.9.

[eisers] leidt uit de bevindingen van zijn aannemer [naam aannemer] af, zoals volgt uit zijn nadere toelichting ter comparitie, dat de zinken krul (met name aan de dakgoot aan de voorzijde van zijn woning) een lekkage kan veroorzaken.

3.10.

[verweerders] heeft er - op zichzelf onweersproken - op gewezen dat op de foto’s die [eisers] in het geding heeft gebracht (genomen van dicht bij de dakgoot, vanuit verschillende hoeken), de door [naam aannemer] beschreven gebreken niet zichtbaar zijn. [verweerders] heeft voorts een (nadere) toelichting gegeven op zijn verweer, dat er geen sprake kan zijn van vervorming, losraken of kieren van het zink ten gevolge van het opdikken van de dakgoot aan zijn zijde. Volgens [verweerders] is de opdikking gemaakt van een stukje hardhout van 4 mm dat tegen de krul, niet eronder, is geplaatst en waarbij het hardhout vrij ligt ten opzichte van de dakgoot. Van naar voren trekken van het zink is dan ook in het geheel geen sprake geweest, aldus [verweerders] .

3.11.

De rechtbank leidt uit de bevindingen van partijdeskundige [naam aannemer] af dat er sprake zou moeten zijn van zichtbare gebreken aan het zink in de dakgoot: [naam aannemer] beschrijft vrij grote kieren tussen zinken krul en gootlijst, al dan niet met siliconenkit gedicht, en scheef- en losliggend zink in de goot, waarbij het zink een golvende beweging maakt langs het houtwerk. In dat licht is onbegrijpelijk waarom [eisers] bij de comparitie ter plaatse geen gelegenheid heeft geboden om deze gebreken, die vanuit het raam boven de goot, tenminste deels waarneembaar zouden moeten zijn, te bekijken, omdat er volgens [eisers] niets relevants te zien zou zijn. Dit laatste vergt een uitleg, die niet is gegeven. In elk geval het niet mogelijk vanuit de voortuin de gestelde kieren of overige gebreken aan zink/krul waar te nemen, terwijl ook op de foto’s (ook die van bovenaf zicht geven op de goot) daarvan niets te zien is.

3.12.

In het licht van het gevoerde verweer, de overgelegde foto’s en hetgeen wel en niet ter plaatse is waargenomen, had het op de weg van [eisers] gelegen om de gestelde gebreken aan het zink van de dakgoot als gevolg van de opdikking aan de zijde van [verweerders] nader te verklaren, te tonen en/of overigens toe te lichten (onder meer waarom een en ander niet waarneembaar zou zijn). Met de enkele hernieuwde verwijzing naar de bevindingen van de partijdeskundige [naam aannemer] kon [eisers] dan ook niet volstaan. Gelet op dit alles komt de rechtbank tot het oordeel dat [eisers] zijn stellingen op dit punt onvoldoende heeft onderbouwd. Slotsom van al het voorgaande is dat het onder b gevorderde zal worden afgewezen.

3.13.

[eisers] stelt niet alleen dat zijn goten door de werkzaamheden van [verweerders] zijn beschadigd, maar ook dat [verweerders] onrechtmatig jegens hem handelt door zijn goten te blokkeren (procesinleiding 41). [verweerders] brengt daartegen in dat [eisers] dient te voorkomen dat water uit zijn goten (die van [eisers] ) terechtkomt in die van hem ( [verweerders] ). Hij beroept zich daartoe op artikel 5:53 BW (verweer 62). Volgens [eisers] geldt die bepaling niet voor de onderhavige situatie, omdat in het oorspronkelijke ontwerp van de woningen aan beide kanten moet kunnen worden afgewaterd (standpunt ingenomen ter comparitie).

3.14.

De rechtbank oordeelt hierover als volgt. In beginsel is [eisers] op grond van artikel 5:53 BW verplicht ervoor te zorgen dat geen water uit zijn goten terechtkomt in de goten van [verweerders] . Dat kan anders zijn als moet worden aangenomen dat tussen [eisers] en [verweerders] (stilzwijgend) een overeenkomst tot stand is gekomen die inhoudt dat zij over en weer gehouden zijn water van de ander in zijn goten te dulden. Het is mogelijk dat een dergelijke overeenkomst ontstaat op grond van de wijze waarop de woningen en de goten zijn gebouwd en de bestaande praktijk. Als daarvan in dit geval al kan worden gesproken, kan een dergelijke overeenkomst echter slechts worden nagekomen als de beide buren een goede verstandhouding met elkaar hebben, zodat zij allebei zorgdragen voor onderhoud en daarmee voor een zo evenwichtig mogelijke verdeling van de afwatering over beide goten en elkaar kunnen aanspreken op de staat van de goten van de ander. De verhouding tussen [eisers] en [verweerders] is echter ernstig verstoord, zodat fatsoenlijke nakoming van een dergelijke overeenkomst niet mogelijk is. Daarbij komt dat [verweerders] onweersproken heeft gesteld dat de goot aan de zijde van [verweerders] steeds wordt schoongehouden, terwijl dat in veel mindere mate geldt voor de goot aan de zijde van [eisers] , die in elk geval gedurende lange periodes van afwezigheid van [eisers] verstopt is geweest. Gehoudenheid van [verweerders] om afvoer van hemelwater van de zijde van [eisers] via de goot van [verweerders] te dulden is onder die omstandigheden, als al van bedoelde overeenkomst wordt uitgegaan, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. De conclusie is dat de verplichting van artikel 5:53 BW onverkort voor [eisers] geldt, zodat [verweerders] afwatering vanuit de goten van [eisers] langs zijn goten niet behoeft te dulden. De vordering van [eisers] is daarom niet toewijsbaar voor zover die ertoe strekt dat [verweerders] wordt veroordeeld door hem geplaatste schotten in de goten weg te halen op de grondslag dat [verweerders] onrechtmatig jegens hem handelt door de goten te blokkeren.

3.15.

Voor zover [eisers] beoogt ook het plaatsen van schotten tussen de dakgoten te betrekken in het onder b gevorderde is dit evenmin toewijsbaar, nu van ontsiering geen sprake is en voorts onvoldoende is weersproken dat [eisers] door het schoonhouden van de eigen goot schade lekkages kan voorkomen.

vordering onder c: schoorsteen

3.16.

Aan de vordering in verband met de schoorsteen legt [eisers] het volgende ten grondslag (procesinleiding 23, 41). In het najaar van 2016 heeft [verweerders] zonder overleg met [eisers] de gemeenschappelijke schoorsteen aan de bovenzijde beschilderd met rode betonverf. Deze verf is daar volgens [eisers] niet geschikt voor. Het kan daarom leiden tot schade aan de schoorsteen en lekkages. Ter onderbouwing van deze stellingen wijst [eisers] op de eerder genoemde brief van 24 maart 2017 van bouwtechnisch deskundige [persoon Y] , die in die brief de stellingen van [eisers] bevestigt. Het zonder overleg aantasten van de gezamenlijke schoorsteen is volgens [eisers] onrechtmatig ingevolge artikel 6:162 BW. [eisers] heeft ter comparitie desgevraagd verklaard dat er tot op heden nog geen problemen met de schoorsteen zijn geweest.

3.17.

[verweerders] voert gemotiveerd verweer (verweerschrift 68, 72, 105, 114). Hij erkent dat hij de bovenzijde van de schoorsteen heeft behandeld met betonverf, maar hij wijst erop dat hij de zijkanten niet heeft bewerkt. Volgens [verweerders] kan de schoorsteen daardoor nog wel ademen en functioneren. Ter zitting heeft [verweerders] verklaard dat de verf er nu drie jaar op zit. Hij betoogt dat de schoorsteen mandelig is en dat hij daarom als mede-eigenaar bevoegd is handelingen aan de schoorsteen te verrichten die bijdragen aan het onderhoud of behoud ervan. Dat stelt hij te hebben gedaan.

3.18.

De rechtbank oordeelt hierover als volgt. [verweerders] heeft onweersproken toegelicht dat de rode betonverf niet op de zijkanten van de schoorsteen is aangebracht, hetgeen bij gelegenheid van de comparitie ter plaatse ook is waargenomen. [eisers] heeft evenmin betwist dat de verf er al drie jaar op zit terwijl hij desgevraagd ter zitting heeft verklaard dat er tot op heden nog geen problemen met de schoorsteen zijn geweest. Bij die stand van zaken moet het verweer van [verweerders] , dat erop neerkomt dat de behandeling van de bovenkant van de schoorsteen met rode betonverf niet tot schade leidt, slagen. Daarom zal de vordering onder c worden afgewezen.

vorderingen onder d: gedragsaanwijzingen met betrekking tot geluidsoverlast

3.19.

Ter toelichting op de vorderingen in verband met geluidsoverlast stelt [eisers] het volgende (procesinleiding 5 - 10 en 38 - 40). [eisers] ondervindt al jarenlang niet aflatende geluidsoverlast door het onafgebroken verbouwen van de woning door [verweerders] . Volgens [eisers] is [verweerders] zo’n 25 jaar lang vrijwel continu aan het verbouwen en renoveren, vaak van ’s morgens vroeg (8:00 uur) tot ’s avonds laat (23:00/24:00 uur), wat gepaard gaat met ernstige geluidsoverlast als gevolg van breken, timmeren, boren, zagen, hakken en slijpen. Over de overlast die [eisers] hierdoor in de periode van 1992 tot 2008 heeft ondervonden, heeft hij toen niet geklaagd. Op 7 november 2008 heeft [verweerders] aan [eisers] meegedeeld dat hij zijn woning ging verbouwen. Ook nadien heeft [eisers] voortdurend overlast ondervonden door verbouwingen van [verweerders] . Hij heeft [verweerders] daar toen herhaaldelijk op aangesproken, maar [verweerders] heeft daar onfatsoenlijk op gereageerd. Ook heeft [eisers] zonder resultaat contact gezocht met buurtbemiddeling en heeft hij de politie ingeschakeld. [eisers] is in die jaren ‘wegens verbouwingsherrie en –terreur’ een paar keer voor langere tijd zijn woning ontvlucht. Begin 2010 heeft [eisers] zijn woning te koop gezet omdat hij er niet normaal kon wonen. Nadat [eisers] in juni 2013 een advocaat had ingeschakeld, is het gedurende drie maanden relatief rustig geweest. Daarna is [eisers] opnieuw zijn woning een paar keer voor langere tijd ontvlucht. Medio december 2016 heeft de advocaat van [eisers] [verweerders] weer gesommeerd de overlast te staken. Na een paar maanden van relatieve rust heeft [verweerders] zijn werkzaamheden sinds juli 2017 hervat met opnieuw geluidsoverlast tot gevolg. Ter onderbouwing van zijn stellingen brengt [eisers] getuigenverklaring in het geding van 26 juni 2013 ( [naam aannemer] ), 1 juli 2013 ( [persoon X] ) en een niet genoemde datum in 2013 [personen V en W] . Deze getuigen verklaren dat zij zelf hebben gehoord dat er vanaf 2008 vrijwel altijd verbouwingslawaai in de woning van [eisers] was. [eisers] betoogt dat buren overlast door verbouwingen gedurende zekere tijd van elkaar moeten accepteren, maar dat de overlast die [verweerders] veroorzaakt onrechtmatig is doordat deze inmiddels jaren duurt en doordat deze gepaard gaat met pesterijen. Hij beroept zich op artikel 5:37 in verband met artikel 6:162 BW en vordert het opleggen van verboden in de vorm van een gedragsaanwijzing op grond van artikel 3:296 BW.

3.20.

[verweerders] voert gemotiveerd verweer (verweerschrift 28 – 54). Hij betwist niet dat hij verbouwingen als weergegeven onder de feiten aan zijn woning heeft uitgevoerd. Hij betwist wel dat hij jarenlang onophoudelijk tot laat in de avond verbouwingen heeft verricht met onrechtmatige hinder als gevolg. Hij licht deze betwisting onder meer toe met de stelling dat zijn gezin een druk leven leidt: de ouders werken, de minderjarige kinderen gaan naar school, alle gezinsleden sporten en ondernemen sociale activiteiten, het gezin gaat regelmatig met vakantie. Daardoor is het volgens [verweerders] helemaal niet mogelijk gedurende zo lange tijd zo veel geluidsoverlast te veroorzaken als [eisers] stelt.

3.21.

De rechtbank overweegt hierover als volgt. Op grond van artikel 5:37 in verband met 6:162 BW mag [verweerders] niet onrechtmatig hinder aan [eisers] toebrengen door hem bloot te stellen aan buitensporig verbouwingslawaai. De stellingen van [eisers] dat [verweerders] dat doet, zijn naar het oordeel van de rechtbank evenwel ongeloofwaardig. [eisers] heeft niet betwist dat [verweerders] een gezin heeft met twee werkende ouders en drie minderjarige schoolgaande kinderen die allemaal sporten en een sociaal leven leiden. Het is onder die omstandigheden onvoorstelbaar dat [verweerders] vanaf 1992 tot op heden vrijwel continu en vaak van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat zijn eengezinswoning aan het verbouwen en renoveren is. Daar komt bij dat de getuigenverklaringen die [eisers] overlegt dateren van 2013, derhalve van vijf jaar geleden. Als al zou kunnen worden vastgesteld dat [eisers] in de periode van 2008 tot 2013 buitensporig verbouwingslawaai van Bouw heeft moeten verdragen, dan rechtvaardigt dat niet dat de rechtbank thans verboden aan [verweerders] oplegt. De rechtbank gaat ervan uit dat de verbouwingen waarvan vaststaat dat [verweerders] ze heeft uitgevoerd, hebben geleid tot geluidsoverlast voor [eisers] , maar oordeelt dat deze overlast niet onrechtmatig was. Ten eerste hebben de verbouwingen plaatsgevonden over een lange periode. In die periode heeft [eisers] zelf ook verbouwingen laten uitvoeren en hij doet dat ook thans nog. Bovendien zal degene die een twee-onder-een-kapwoning betrekt die is gebouwd in de jaren 1950 moeten aanvaarden dat werkzaamheden in de aangrenzende tweeonder-een-kapwoning tot overlast kunnen leiden. De conclusie is dat de rechtbank zonder bewijsopdracht oordeelt dat niet komt vast te staan dat [verweerders] aan [eisers] onrechtmatige hinder heeft toegebracht en toebrengt door buitensporig verbouwingslawaai. De onder d ingestelde vordering tot het opleggen van verboden in verband met onrechtmatige hinder zal daarom worden afgewezen.

vordering onder d: gedragsaanwijzingen met betrekking tot pesterijen

3.22.

Ter toelichting op de vorderingen in verband met de pesterijen stelt [eisers] het volgende (procesinleiding 32 – 37 en 47, 48). In de periode dat [eiser sub 2.] op een toeristenvisum korte periodes in Nederland op bezoek was, is er anoniem aangifte gedaan bij de omgevingsdienst van de gemeente Ede, waarvan de strekking was dat er meer mensen bij de heer [eisers] zouden wonen dan er waren ingeschreven. In de zomer van 2016 zijn er varkensbotten in de tuin van [eisers] gegooid. Dat is in het bijzonder voor [eiser sub 2.] , die moslima is, een grote belediging en [eisers] beschouwt het als een bewuste provocatie en intimidatie. De vijandige houding jegens [eiser sub 2.] wordt bevestigd door de gestelde melding bij de omgevingsdienst en doordat [verweerders] per aangetekende brief van 29 augustus 2016 bij [eisers] heeft geklaagd over de kooklucht. Verder kijkt [verweerders] [eiser sub 2.] soms dreigend en intimiderend na, waardoor zij het huis niet meer uit durft zonder toezicht van de heer [eisers] . Vanaf het moment dat [eisers] de bestuursrechtelijke procedure is gestart, wordt er bij hem belletje getrokken, worden er kastanjes, ijs- en sneeuwballen en kluiten grond en gras tegen de ramen en deur gegooid en is er over het dak van de auto van [eisers] gelopen met schade als gevolg. Verder is bij zijn afwezigheid de beplanting van zijn voorgevel losgetrokken of losgeknipt (klimrozen en vuurdoorn), zijn de struiken in zijn tuin tot ver over de erfgrens afgeknipt en is het snoeiafval bij hem in de tuin gegooid en zijn er grote hoeveelheden vuurwerk afgestoken in zijn voortuin en bij het voorraam. In februari 2017 is tijdens afwezigheid van [eisers] de vijver in de voortuin vernield. [eisers] beseft dat het bewijs van deze pesterijen lastig te leveren is, maar hij weet dat een deel ervan afkomstig is van de oudste zoon van [verweerders] en zijn vrienden omdat hij een van die vrienden in augustus 2016 heeft horen zeggen dat hij een aantal jaar daarvoor de auto van [eisers] had vernield, onder meer door op het dak te staan. [eisers] beroept zich voorts op een getuigenverklaring van [persoon X] . [eisers] vordert een algemeen verbod dat [verweerders] zich onrechtmatig jegens hem zal gedragen omdat hij niet kan voorspellen welke methoden van treiteren [verweerders] in de toekomst zal bedenken. Daarnaast vordert hij specifieke verboden op de hiervoor beschreven gedragingen. Hij beroept zich (kennelijk) op artikel 6:162 BW en op artikel 3:296 BW.

3.23.

[verweerders] voert gemotiveerd verweer (verweerschrift 75 – 84). Hij heeft geen melding gedaan bij de omgevingsdienst over [eiser sub 2.] en hij provoceert haar ook niet. Hij betwist dat hij botten in de tuin van [eisers] heeft gegooid. Hij oppert de mogelijkheid dat eksters deze botten oppakken en weer laten vallen. Ook betwist hij dat zijn kinderen bij [eisers] belletje hebben getrokken. Verder betwist hij dat hij of zijn kinderen kastanjes, ijs- of sneeuwballen of kluiten grond of gras naar het huis van [eisers] hebben gegooid, of over zijn auto hebben gelopen. De planten en struiken van [eisers] laten zij met rust, zij gooien geen vuurwerk in zijn tuin en zij hebben ook de vijver niet vernield. [verweerders] bevestigt dat er kinderen uit de buurt bij [eisers] belletje trekken, maar hij betoogt dat hij niet verantwoordelijk is voor het gedrag van kinderen in de buurt die niet zijn eigen kinderen zijn. Als [eisers] door kinderen in de buurt wordt gepest, komt dat volgens [verweerders] doordat [eisers] zich door zijn eigen optreden in de buurt niet geliefd heeft gemaakt.

3.24.

De rechtbank oordeelt hierover als volgt. De stellingen van [eisers] bevatten geen concrete aanwijzingen dat de gestelde pesterijen afkomstig zijn van [verweerders] dan wel van zijn kinderen. [eisers] stelt dat hij inmiddels weet dat een deel van de gestelde pesterijen afkomstig is van de oudste zoon van [verweerders] . De enkele in augustus 2016 door [eisers] opgevangen mededeling van een vriend van die oudste zoon als hiervoor weergegeven is als toelichting op die stelling echter onvoldoende, zeker nu niet duidelijk wordt of het die vriend of die zoon is die op dat dak heeft gestaan (procesinleiding 36). Bovendien volgt uit de stelling van [eisers] dat hij ten eerste niet weet welk deel van de pesterijen afkomstig is van de oudste zoon en ten tweede niet weet van wie het andere deel van de pesterijen afkomstig is. Uit de verzending op 29 augustus 2016 van een aangetekende brief met een klacht over kooklucht kan op geen enkele wijze worden afgeleid dat [verweerders] en zijn gezin betrokken zijn bij de gestelde pesterijen. Hoe de getuige [persoon X] weet wat hij heeft verklaard, wordt uit zijn verklaring niet duidelijk. De conclusie is dat aan [eisers] geen bewijsopdracht zal worden gegeven en dat in deze procedure niet komt vast te staan dat [verweerders] of zijn gezin zich hebben schuldig gemaakt aan de door [eisers] gestelde pesterijen.

3.25.

Dit geldt niet voor het uitschelden. Uit de in het geding gebrachte opname blijkt dat [verweerders] [eisers] in zijn gezicht heeft uitgescholden voor pedofiel en [verweerders] betwist dat ook niet. Dat incident, door [verweerders] verklaard doordat hij boos was geworden omdat hij meende dat [eisers] de kinderen van [verweerders] filmde, is evenwel onvoldoende voor het uitspreken van een algemeen verbod op het beledigen, uitschelden, intimideren of obscene gebaren maken op straffe van een dwangsom, mede omdat te verwachten valt dat een dergelijk verbod de verhoudingen tussen de buren niet ten goede zal kunnen komen.

3.26.

De conclusie is dat de vorderingen onder d met betrekking tot pesterijen zullen worden afgewezen.

vordering onder e: camera’s verwijderen en verwijderd houden

3.27.

Aan de vordering tot het verwijderen en verwijderd houden van camera’s legt [eisers] het volgende ten grondslag (procesinleiding 25 – 28, 42). [verweerders] heeft zowel aan de voorkant van zijn woning als in zijn achtertuin camera’s geplaatst. De camera aan de voorkant bestrijkt een deel van de voortuin van [eisers] alsmede de stoep en de openbare weg voor beide woningen. De camera aan de achterkant is geplaatst bij de schuur (productie 23). Deze is gericht op de achtergevel en de badkamerramen van de woning van [eisers] .

De camera’s hebben een groot bereik en er kan door infrarood ook in het donker mee worden opgenomen. Met deze camera’s kan elke beweging 24 uur per dag worden opgenomen. Met het continu maken van video-opnamen van de voortuin en de achterkant van de woning van [eisers] maakt [verweerders] volgens [eisers] inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer, wat onrechtmatig is. Dat geldt ook voor het maken van opnames van de stoep voor de beide huizen. Bovendien heeft [eisers] een executive search & recruitment bedrijf. Omdat de aard van zijn werkzaamheden absolute discretie vereist, ontvangt hij de klanten van zijn onderneming aan huis. De aanwezigheid van de camera’s werkt daarbij belemmerend.

3.28.

[verweerders] voert gemotiveerd verweer (verweerschrift 85 – 88). Hij erkent dat hij onder de overkapping van de garage aan de rechterzijde van de voorkant van zijn woning een camera heeft bevestigd. Ook plaatst hij in de garage aan de achterkant wel eens een losse camera als hij weg is, bijvoorbeeld op vakantie. Hij heeft de camera’s gemonteerd omdat hij van buurtbewoners had gehoord dat [eisers] foto’s maakte van zijn woning. Hij heeft dat gedaan na overleg met de politie en hij heeft de camera’s ook bij de politie gemeld. Hij is op de hoogte van de regels over het plaatsen van camera’s en hij neemt deze regels in acht. De camera’s zijn gericht op de eigendommen van [verweerders] en dienen ter bescherming van die eigendommen en van de veiligheid van [verweerders] en zijn gezin. Zij zijn vastgezet, kunnen dus niet zwenken of draaien en nemen geen geluid op. Door de wijze van plaatsing van de camera aan de voorkant kan deze geen opnames maken van het pad naar de voordeur van [eisers] . Ook de eigendommen van [eisers] worden niet in beeld gebracht. Tijdens de comparitie ter plaatse heeft [verweerders] de rechter op een beeldscherm laten zien dat de camera in de voortuin zijn eigen voortuin bestrijkt en een stukje van het afscheidende groen aan de voorkant van de tuin van [eisers] , maar niet de ingang van de tuin van [eisers] . Hij heeft voorts erkend dat de camera die hij in de achtertuin plaatst als hij er niet is, een klein stukje van de achterzijde van de woning van [eisers] opneemt, maar geen (badkamer)raam. [verweerders] betoogt dat hij met de camera’s geen inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van [eisers] , en dus niet onrechtmatig jegens hem handelt.

3.29.

Ter zitting heeft [eisers] verklaard dat hij geen bezwaar heeft tegen de camera aan de voorkant van de woning van [verweerders] als deze niets kan opnemen van de ingang van de tuin van [eisers] . Nu de rechter met de raadsman van [eisers] heeft vastgesteld dat er met de camera aan de voorzijde alleen wat afscheidend groen aan de voorkant van de tuin van [eisers] te zien is, gaat zij ervan uit dat [eisers] zijn vordering niet handhaaft voor zover die ziet op die camera.

3.30.

Aan de achterkant van het huis was ten tijde van de comparitie geen camera aanwezig. Het speelhuisje, waarop de vaste camera was gemonteerd, was inmiddels afgebroken. Op die plaats in de tuin was ten tijde van de comparitie ter plaatse een zitkuil in aanbouw. [verweerders] heeft daarbij wel aangekondigd een camera te zullen monteren bij de betonnen zitkuil als die klaar is, op ongeveer dezelfde plaats waar voorheen de camera aan het speelhuisje was bevestigd, maar [verweerders] heeft verklaard dat die niet zal worden gericht op de woning van [eisers] . Ook in de garage aan de achterzijde van de woning, grenzend aan de tuin, was ten tijde van de comparitie geen camera aanwezig. [verweerders] verklaart dat hij gewoonlijk tijdens vakanties of periodes van langere afwezigheid van [verweerders] ook aan deze binnenzijde van de garage een camera plaatst, gericht op de hoek van de achterdeur van zijn woning en de erfafscheiding met [eisers] , en dat deze camera geen zicht geeft op de woning of het erf van [eisers] .

3.31.

Omdat er thans (althans ten tijde van de comparitie) in de achtertuin geen camera’s aanwezig zijn terwijl het speelhuisje waar een camera aan vast heeft gezeten is afgebroken en de zitkuil nog in aanleg is, is een vordering tot het verwijderen van camera’s met betrekking tot de achtertuin niet toewijsbaar.

3.32.

[eisers] verzoekt desondanks uitdrukkelijk om toewijzing van de vordering met betrekking tot het verwijderd houden van camera’s aan de achterzijde van de woning van [verweerders] . Volgens hem geeft de opstelling van de camera’s, zoals die is geweest in het verleden, en het uitgesproken voornemen van [verweerders] om weer camera’s te plaatsen daartoe voldoende grond en aanleiding, omdat de camera’s in die opstelling volgens [eisers] zicht hebben op de achterzijde van zijn woning en daarmee op zijn badkamerraam, hetgeen een schending is van zijn privacy.

[verweerders] weerspreekt dat er ooit opnamen zijn gemaakt van de woning of het erf van [eisers] en voert aan dat bij herplaatsing van de camera’s er opnieuw voor zal worden gezorgd dat er geen regels worden overtreden, waarbij de camera’s bovendien steeds, zoals ook in het verleden, bij de politie zullen worden gemeld.

3.33.

Bij deze stand van zaken, waarbij enerzijds van enige actuele schending van de privacy van [eisers] aan de achterzijde van de woning van [verweerders] geen sprake is omdat er thans geen camera’s zijn, terwijl de cameraopstelling aan de voorzijde zodanig is dat er geen inbreuk wordt gemaakt en de plaatsing van camera’s steeds door [verweerders] zelf bij de politie wordt gemeld, en anderzijds de vrees van [eisers] voor toekomstige schendingen slechts is gebaseerd op zijn vermoedens ten aanzien van de cameraplaatsing in het verleden, die hij evenwel niet concreet kan onderbouwen, ziet de rechtbank grond noch aanleiding voor toewijzing van het onder e gevorderde.

vordering onder f: camerabeelden vernietigen

3.34.

[eisers] heeft de vordering tot het vernietigen van met de camera opgenomen beelden in de procesinleiding niet afzonderlijk toegelicht (procesinleiding 25 – 28, 50). Wel heeft hij ter comparitie gesteld dat hij niet kan verifiëren dat er geen beelden van de badkamer meer zijn.

3.35.

[verweerders] heeft evenmin afzonderlijk gemotiveerd verweer gevoerd. Wel stelt hij dat de camera’s niet zijn gericht op [eisers] , zijn woning of zijn tuin en voorts dat hij ze heeft aangemeld bij de politie, die op deze wijze een overzicht onderhoudt van camera’s waarvan de beelden op enig moment opgevraagd kunnen worden in verband met de oplossing van een specifiek misdrijf (verweerschrift 86, 88). Ter zitting heeft hij voorts gesteld dat de beelden worden opgenomen, dat de bestandscapaciteit twee gigabyte is, dat alle beelden in een map staan en dat oude beelden worden overschreven zodra de maximale capaciteit is bereikt. Volgens [verweerders] zijn alle beelden die zijn gemaakt met de camera’s in de achtertuin overschreven door latere beelden van de camera aan de voorkant.

3.36.

De rechtbank overweegt hierover als volgt. Allereerst is onvoldoende onderbouwd dat de camera-opstelling in het verleden zodanig was, dat er beelden zijn opgenomen op een wijze die inbreuk maakt op de privacy van [eisers] (zie ook rechtsoverweging 3.33). Voor zover [eisers] heeft willen betogen dat het zonder meer onrechtmatig is de beschikking te hebben over beelden die zijn opgenomen met een beveiligingscamera, welke beelden na zekere tijd worden overschreven door nieuwe beelden, en welke beelden zijn bedoeld om op verzoek aan de politie ter beschikking te stellen, kan hij daarin niet worden gevolgd. Mocht [eisers] zijn vordering hebben willen baseren op een andere juridische grondslag, dan heeft hij deze vordering niet voldoende toegelicht doordat hij deze grondslag niet heeft genoemd en geen feiten heeft gesteld die op die grondslag zijn toegespitst. De vordering zal daarom worden afgewezen.

vordering onder g: immateriële schadevergoeding

3.37.

Aan de vordering tot het betalen van immateriële schadevergoeding legt [eisers] het volgende ten grondslag (procesinleiding 44 - 46 en 51). Hij stelt dat [verweerders] het oogmerk had hem immateriële schade toe te brengen. [eisers] acht zich aangetast in zijn eer of goede naam doordat [verweerders] onjuiste en uiterst beschadigende beschuldigingen jegens hem heeft geuit, waarbij een verzwarende omstandigheid is dat hij deze beschuldigingen eerst langdurig achter de rug van [eisers] heeft verspreid in de wijk/leefomgeving van [eisers] . [eisers] is op andere wijze in de persoon aangetast doordat hij lang en ernstig hinder van [verweerders] heeft ondervonden, bestaande uit de aantasting van het woongenot door de continue geluidsoverlast en de terreur/intimidaties en het besmeuren van de goede naam van [eisers] . De vordering van [eisers] is gebaseerd op artikel 6:106 BW.

3.38.

Zoals hiervoor geoordeeld in verband met de vorderingen onder a en d komt in deze procedure niet vast te staan dat [verweerders] geruchten over [eisers] heeft verspreid, dat hij hem onrechtmatige hinder heeft toegebracht en toebrengt door buitensporig verbouwingslawaai en ook niet dat [verweerders] of zijn gezin zich hebben schuldig gemaakt aan de door [eisers] gestelde pesterijen. Aldus zijn de feiten waarop [eisers] zijn vordering tot immateriële schadevergoeding baseert, niet komen vast te staan. Die vordering zal daarom worden afgewezen.

Conclusie

3.39.

De vorderingen zullen, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, worden afgewezen. [eisers] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten als hierna te bepalen.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1.

wijst de vorderingen af,

4.2.

veroordeelt [eisers] in de proceskosten, tot aan dit vonnis aan de zijde van [verweerders] begroot op € 287,00 aan vast recht en € 1.390,00 (2 punten × tarief € 695,00) aan salaris voor de advocaat.

Dit vonnis is gewezen door mr. K. Mans en in het openbaar uitgesproken op 28 september 2018.