Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:4948

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
09-10-2018
Datum publicatie
19-11-2018
Zaaknummer
C/05/341756 / KG RK 18/759
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

‘Wrakingsverzoek afgewezen. Geen sprake van partijdigheid of (vrees voor) vooringenomenheid van de rechter.’

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK GELDERLAND

Wrakingskamer

zaaknummer: C/05/341756 / KG RK 18/759

Beslissing van 9 oktober 2018

van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van

[naam]

hierna te noemen: verzoeker,

strekkende tot de wraking van

mr. R.J. Jue

rechter in deze rechtbank,

hierna te noemen: de rechter.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 21 augustus 2018 in de zaak ARN AWB 16/6977 HUUR A T2 van verzoeker tegen de Belastingdienst/Toeslagen waarin het wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld;

- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek op 25 september 2018.

1.2

Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:

- verzoeker

- de rechter

2 Het wrakingsverzoek

2.1

Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer ARN AWB

16/6977 HUUR A T2 (de bodemzaak) tussen verzoeker en Belastingdienst/Toeslagen.

2.2

Verzoeker heeft blijkens het proces-verbaal van 21 augustus 2018 het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd:

“U zit op de lijn van de belastingdienst. Ik heb geen poot om de belastingdienst onderuit te halen.”

2.3

Verzoeker heeft tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek aangegeven dat hij met andere verwachtingen naar de zitting in de bodemzaak was gekomen. Verzoeker heeft meerdere geschillen met de Belastingdienst, onder andere over aanslagen vennootschapsbelasting en omzetbelasting. Hij heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling van 21 augustus 2018 ook stukken ten aanzien van het geschil over de vennootschapsbelasting ingediend. Deze stukken zijn door de rechtbank niet geretourneerd en daardoor is, volgens verzoeker, bij hem de indruk gewekt dat tijdens de mondelinge behandeling van 21 augustus 2018 alle geschillen met de Belastingdienst zouden worden behandeld. Ter zitting bleek dat de rechter alleen het geschil over de huurtoeslag wilde behandelen en niet de overige geschillen met de Belastingdienst. Daarom is sprake van partijdigheid van de rechter, aldus verzoeker.

2.4

De rechter heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek aan de griffie van de wrakingskamer laten weten niet in de wraking te berusten. Hij heeft tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek inhoudelijk op het verzoek gereageerd. In de bodemzaak ligt alleen het beroep van verzoeker tegen het bestreden besluit van Belastingdienst/Toeslagen over de huurtoeslag ter beoordeling voor. Het bestreden besluit bepaalt de omvang van het geding. Bovendien is de Belastingdienst/Toeslagen een ander bestuursorgaan dan de inspecteur van de Belastingdienst, die over de andere door verzoeker aangegeven geschillen gaat, waaronder die over de vennootschapsbelasting. De inspecteur van de Belastingdienst is dus geen partij in de bodemzaak. Reeds daarom konden die andere geschillen niet in de bodemzaak worden betrokken En anders dan verzoeker veronderstelt worden ingediende stukken niet altijd voorafgaand aan de zitting beoordeeld op hun relevantie voor de zaak. Feitelijk is dat ook niet altijd mogelijk; vaak wordt pas tijdens de mondelinge behandeling duidelijk of en in hoeverre door partijen toegezonden stukken van belang zijn. Het komt wel voor dat stukken vooraf worden teruggezonden als direct duidelijk is dat zij geen betrekking hebben op de zaak. Maar de rechter is daartoe niet verplicht.

3 De beoordeling

3.1

Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.

3.2

Als omstandigheid voert verzoeker aan dat de rechter tijdens de mondelinge behandeling van de bodemzaak niet bereid was andere door hem aangegeven geschillen te behandelen. Verzoeker had dat niet verwacht. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling had hij stukken met betrekking tot die geschillen toegezonden en de rechter heeft deze niet teruggezonden. Naar het oordeel van de rechtbank gaat verzoeker hiermee voorbij aan het juridische gegeven dat de een bestuursrechtelijke procedure wordt gevoerd naar aanleiding van een ingesteld beroep en dat de omvang van het geschil beperkt is tot het daarin bestreden besluit. Voorts gaat verzoeker voorbij aan het feit dat de rechter niet gehouden is voorafgaand aan een mondelinge behandeling te beoordelen of door partijen toegezonden stukken op de zaak betrekking hebben en deze, indien dit niet het geval is, aan de betreffende partij terug te zenden. Reeds daarom zal het verzoek tot wraking worden afgewezen. Los daarvan kunnen de door verzoeker gestelde omstandigheden op zichzelf niet leiden tot het oordeel van partijdigheid. Verzoeker mag het niet eens zijn met de gang van zaken – dat dan in weerwil van het hiervoor weergegeven kader – maar dat ook op zichzelf geeft geen partijdigheid. Concrete feiten en omstandigheden waaruit de rechtbank de vooringenomenheid van de rechter of de objectieve gerechtvaardigde vrees daarvoor kan afleiden, ontbreken. Daarom wordt het verzoek afgewezen.

4 De beslissing

De rechtbank wijst het verzoek tot wraking af.

Deze beslissing is gegeven door de mr. F.M.T. Quaadvliet (voorzitter), mr. J.R. Veerman en mr. J.M. Graat in tegenwoordigheid van de griffier mr. A. Wolsink-van Veldhuizen en in openbaar uitgesproken op 9 oktober 2018.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.