Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:4866

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
12-11-2018
Datum publicatie
14-11-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 2062
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet omzetbelasting. Juridische dienstverlening door eiseres. Speciale formule voor de betaling met een vast bedrag vooraf (een hoger of een lager bedrag) en een bedrag achteraf bij positief resultaat (percentage bij winst, ook aangeduid als no cure no pay). Belastbaarheid voor de omzetbelasting van het extra bedrag dat de cliënten van eiseres moeten betalen als de procedure wordt gewonnen of als een schikking wordt bereikt? Rechtstreeks verband met de juridische dienstverlening? Ja, want er bestaat een koppeling tussen de twee bedragen. Eiseres neemt de zaak niet aan voor een vast bedrag als de cliënt niet akkoord gaat met het bedrag achteraf bij positief resultaat. Ook is het bedrag bij winst hoger als de cliënt kiest voor het lage vaste bedrag. Beroep op het Baštová-arrest baat eiseres niet, want daar was de situatie anders (geen vast bedrag).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 15-11-2018
V-N Vandaag 2018/2486
FutD 2018-3038
FutD 2018-3039
NTFR 2018/2827 met annotatie van Drs. C. Verweij
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummers: AWB 17/2062 en AWB 17/2063

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 12 november 2018

in de zaken tussen

[X] , te [Z] , eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Enschede, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 20.443, alsmede bij beschikking een boete van € 2.044. Tevens is bij beschikking € 3.101 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 3 maart 2017 de naheffingsaanslag gehandhaafd en hij heeft de beschikking heffingsrente en de boetebeschikking verminderd tot nihil.

Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 31 december 2014 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 45.254, alsmede bij beschikking een boete van € 4.525. Tevens is bij beschikking € 4.434 aan belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 14 april 2017 de naheffingsaanslag en de beschikking belastingrente gehandhaafd en de boetebeschikking verminderd tot nihil.

Eiseres heeft met betrekking tot beide naheffingsaanslagen beroep ingesteld bij brief van 14 april 2017, ontvangen door de rechtbank op dezelfde dag.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 september 2018.

Eiseres is verschenen, vergezeld door haar echtgenote, [Y] . Namens verweerder zijn verschenen mr. [gemachtigde] en mr. [A] .

Eiseres heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres drijft een onderneming in de vorm van een eenmanszaak onder de naam [B] . Zij verstrekt juridisch advies en verleent juridische diensten. Zij verricht met name werkzaamheden voor gedupeerden van aandelenlease-transacties.

2. Voor de betaling van die diensten kunnen de cliënten van eiseres kiezen tussen betaling van het gewone uurtarief of voor een speciale formule. Bij die speciale formule spreekt eiseres met de cliënten af dat zij vooraf aan eiseres een vast bedrag betalen voor een gesprek, de vaste kosten en kosten van de procedure (hierna: de vaste vergoeding) en dat zij achteraf aanvullend een bepaald percentage van het behaalde resultaat (de opbrengst) betalen, dus als sprake is van een positieve schikking of uitspraak (hierna: het bedrag bij winst).

3. De cliënten kunnen bij de speciale formule kiezen tussen twee hoogtes voor de vaste vergoeding: een laag en een hoog vast bedrag. Indien voor het lage vaste bedrag wordt gekozen, dan zijn de percentages voor het bedrag bij winst hoger dan als voor het hoge vaste bedrag wordt gekozen.

4. De opbrengst van een procedure wordt naar een bankrekening van Stichting Derdengelden [B] overgemaakt. [B] betaalt vervolgens de opbrengst minus het bedrag bij winst, dat in de algemene voorwaarden wordt aangeduid als “no cure, no pay” bedrag, door aan de cliënt.

5. Eiseres heeft alleen omzetbelasting voldaan over de vaste vergoeding die zij aan haar cliënten heeft gefactureerd. Over het bedrag bij winst, dat zij heeft ontvangen bij een gunstige afloop, heeft zij geen omzetbelasting voldaan. Zij heeft alle ontvangen bedragen, inclusief de “no cure no pay” bedragen, wel aangegeven bij haar aangifte inkomstenbelasting.

6. Op 23 november 2015 is bij eiseres een boekenonderzoek ingesteld waarbij onder andere de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2011 tot en met 31 december 2014 is onderzocht. De bevindingen van het boekenonderzoek zijn vastgelegd in een rapport met dagtekening 23 mei 2016. De conclusie van het rapport is dat ook omzetbelasting moet worden voldaan over het bedrag bij winst. Voor de inkomstenbelasting is in zoverre een teruggaaf verleend, omdat de alsnog te betalen omzetbelasting in mindering is gebracht op de inkomsten.

7. Op 25 juni 2016 zijn de naheffingsaanslagen over 2011 en over 2012 tot en met 2014 opgelegd.

Geschil

8. In geschil is of eiseres omzetbelasting is verschuldigd over het bedrag bij winst.

9. Eiseres stelt (onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 november 2016, ECLI:EU:C:2016:855, Baštová) dat het gaat om winstdelingen en dat die winstdelingen geen vergoedingen zijn voor haar werkzaamheden. Volgens eiseres staan deze winstdelingen niet in een rechtstreeks verband met de door haar geleverde prestaties. Een gunstige uitspraak of schikking kan wel het gevolg zijn van de werkzaamheden van eiseres, maar dat wil niet zeggen dat de financiële vergoedingen tegenprestaties zijn voor de werkzaamheden. Voor haar werkzaamheden is al een tegenprestatie bedongen (het vaste bedrag) en voor dezelfde werkzaamheden wordt door haar niet nogmaals een vergoeding bedongen. Eiseres verwijst voor de uitleg van de met de cliënten gesloten overeenkomst en de betekenis daarvan naar de zogeheten Haviltex-norm, die is neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158.

10. Verweerder stelt dat ook het bedrag bij winst wel degelijk de vergoeding is voor een prestatie en dat een rechtstreeks verband bestaat met de juridische dienstverlening door eiseres. De totale vergoeding wordt in twee keer voldaan. Al wat eiseres bedingt en ontvangt, behoort tot de vergoeding voor de door haar geleverde prestatie. Volgens verweerder maakt het geen verschil dat een gedeelte van de vergoeding afhankelijk is van het resultaat en dat vooraf onzeker is of dat deel van de vergoeding wordt ontvangen.

Beoordeling van het geschil

11. Duidelijk is dat eiseres juridische diensten verricht voor haar cliënten. Ook staat vast dat zij bij de speciale formule met haar cliënten afspreekt dat zij van hen zowel een vaste vergoeding krijgt voor dat werk, als een percentage van de opbrengst indien zij een positief resultaat boekt. Zowel in de stukken als ter zitting heeft eiseres verklaard dat zij de zaak alleen aanneemt als de cliënt ook akkoord gaat met de afspraak over de winstdeling. Als een cliënt geen winstdeling wil betalen, moet hij voor haar werkzaamheden betalen volgens haar gewone uurtarief. De meeste cliënten willen echter het risico op verlies van de procedure niet nemen en kiezen daarom voor de formule met het vaste bedrag en de winstdeling. Verder heeft eiseres verklaard dat het klopt dat het percentage van de winstdeling hoger is als de cliënt kiest voor het lage vaste bedrag.

12. De conclusie hieruit is dat de hoogte van het vaste bedrag en de hoogte van het bedrag bij winst aan elkaar zijn gekoppeld en dat de formule met de vaste vergoeding alleen kan worden afgesproken als de cliënt ook akkoord gaat met betaling van een vooraf bepaald deel van de opbrengst (het bedrag bij winst). De rechtbank leidt hieruit af dat het bedrag bij winst behoort tot de vergoeding die eiseres voor haar werkzaamheden ontvangt, zoals bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Wet op de Omzetbelasting 1968 (Wet OB). Er bestaat dus een rechtstreeks verband tussen de werkzaamheden (de dienst van eiseres aan haar cliënten) en (de ontvangst van) het bedrag bij winst. Dat bedrag bij winst behoort ook tot de tegenprestatie voor die werkzaamheden, net als het vaste bedrag.

13. Aan dit oordeel doet niet af dat eiseres meent dat uit de overeenkomst met haar cliënten kan worden afgeleid dat de winstdeling als een losstaande betaling moet worden gezien, die niet samenhangt met haar werkzaamheden. Zoals hiervoor is geoordeeld, acht de rechtbank een koppeling tussen het vaste bedrag en de vergoeding bij winst (en tussen deze bedragen en de werkzaamheden) op basis van de omstandigheden van dit geval juist wel aanwezig. De uitleg van de overeenkomsten met toepassing van het Haviltex-arrest leidt niet tot een andere uitkomst, omdat het voor de beoordeling van de omzetbelastingvraag niet uitmaakt hoe een en ander is opgeschreven of bedoeld. Het gaat om de feitelijke gang van zaken. Daarbij komt dat uit de tekst van de offerte die als bijlage 12 bij het verweerschrift is overgelegd, ook blijkt dat beide bedragen gekoppeld zijn. En tijdens de zitting heeft eiseres verklaard dat als ze twee aparte overeenkomsten zou hebben gemaakt (één voor de vaste vergoeding en één voor de winstdeling), ze dan wel ervoor zou zorgen dat de cliënt beide overeenkomsten zou tekenen bij het eerste gesprek. Ook dan is er dus een koppeling aanwezig.

14. Het beroep van eiseres op het Baštová-arrest baat eiseres ook niet. In die zaak was namelijk een heel andere situatie aan de orde. Met name was in dat arrest geen sprake van een situatie waarin naast een onzekere vergoeding ook een vaste vergoeding werd betaald. De beslissingen van het Hof van Justitie kunnen daarom niet op de zaak van eiseres worden toegepast. Doordat bij eiseres wel sprake is van een vaste vergoeding, is in ieder geval sprake van een prestatie tegen een vergoeding en dus van een handeling die belastbaar is voor de omzetbelasting. Dat was in de zaak van het Baštová-arrest niet zo. Het Hof van Justitie heeft in die zaak bovendien niets beslist over de vraag of een winstdeling tot de vergoeding moet worden gerekend in een geval zoals dat van eiseres.

15. Verder merkt de rechtbank op dat ook vanuit de cliënten van eiseres bezien sprake is van een koppeling tussen de vaste vergoeding en het bedrag bij winst, waarbij beide bedragen zullen worden ervaren als de vergoeding voor de werkzaamheden van eiseres. De cliënten weten immers dat als zij voor een vaste vergoeding kiezen, zij ook een aanvullend bedrag moeten betalen aan eiseres als de procedure wordt gewonnen of als een schikking wordt bereikt. Voor hen hangt de betaling van dat bedrag bij winst dus rechtstreeks samen met de werkzaamheden die eiseres voor hen doet. Er is overigens ook geen andere reden waarom cliënten bereid zijn eiseres te laten delen in de winst dan als beloning voor (het resultaat van) haar werkzaamheden.

16. Eiseres heeft tijdens de zitting nog aangevoerd dat de naheffingsaanslag veel te laat is opgelegd (pas in juni 2016 is nageheven over de jaren vanaf 2011 tot en met 2014), terwijl uit de aangiften inkomstenbelasting had kunnen worden afgeleid hoe het zat. Deze stelling kan niet tot een voor haar gunstiger oordeel leiden. Verweerder heeft vijf jaar de tijd om na te heffen en de aanslag is binnen die vijfjaarstermijn opgelegd (artikel 20, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR)). Verder is voor naheffing van omzetbelasting geen nieuw feit nodig (een regeling zoals die voor de inkomstenbelasting is opgenomen in artikel 16 van de AWR). Ook is geen sprake van strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, omdat er ook andere verklaringen mogelijk waren voor de omstandigheid dat wel inkomstenbelasting maar geen omzetbelasting was voldaan over een deel van de ontvangen bedragen. Zo had sprake kunnen zijn geweest van prestaties die waren vrijgesteld voor de omzetbelasting. Zonder een nader onderzoek kon verweerder dat niet vaststellen.

17. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de beroepen ongegrond zijn.

18. Omdat eiseres geen afzonderlijke beroepsgronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente heeft aangevoerd, dient ook het beroep inzake de beschikking belastingrente ongegrond te worden verklaard.

19. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Smit, voorzitter, mr. R.A. Eskes en mr. P.J. Tikken, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M.A. Arts, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 12 november 2018

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.