Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:4778

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
19-10-2018
Datum publicatie
07-11-2018
Zaaknummer
NL18.7123
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Burgerlijk procesrecht. Rechtsmacht. Herschikte EEX-verordening. Distributieovereenkomst. Forumkeuze. Litispendentie. Torpedo 2.0?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VOORBLAD

Rechtbank Gelderland

Zaaknummer: NL18.7123

Bresser en Timmer B.V. tegen Sociéte par Actions Simplifiée Unipersonnell, Cognac Ferrand SASU

Vonnis in incident van 19 oktober 2018

vonnis

_________________________________________________________________ _

RECHTBANK GELDERLAND

Civiel recht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer: NL18.7123

Vonnis in incident van 19 oktober 2018

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BRESSER EN TIMMER B.V.,
gevestigd te Wageningen,
eiseres in de hoofdzaak,
verweerster in het incident, hierna te noemen: B&T,
advocaat E.M. Uijttewaal,

tegen

de vennootschap naar Frans recht
SOCIÉTÉ PAR ACTIONS SIMPLIFIÉE UNIPERSONNELLE, COGNAC FERRAND SASU,
thans gevestigd te Parijs, Frankrijk,
verweerster in de hoofdzaak,
eiseres in het incident, hierna te noemen: SASU,
advocaat W.E. Boonk te Rotterdam.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de procesinleiding, ingediend op 11 april 2018

- de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring

- het verweerschrift in het incident.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De beoordeling in het incident

2.1.

B&T heeft blijkens haar verweerschrift erkend dat de correcte statutaire naam van SASU niet Maison Ferrand maar Cognac Ferrand is. Dit is de kop van dit vonnis verwerkt.

2.2.

SASU vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. B&T voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

2.3.

SASU produceert sterke drank. B&T is een groothandel in alcoholhoudende drank. B&T verkocht tot mei 2018 gedurende 15 jaar sterke drank van SASU in Nederland.

2.4.

B&T vordert in de hoofdzaak kort gezegd schadevergoeding omdat SASU niet een (redelijke) termijn in acht heeft genomen bij de opzegging van een tussen partijen bestaande mondeling overeengekomen distributieovereenkomst ter zake van sterke drank.

2.5.

Op de achterzijde van de facturen die SASU ter zake van geleverde drank aan B&T heeft verzonden stond, in ieder geval in de periode 2015 tot en met 2017, onder meer:

GENERAL TERMS AND CONDITIONS OF SALE

SALES IN THE EUROPEAN UNION

(…)

Article 2 – Jurisdiction – Governing law

For the avoidance of doubt, it is expressly agreed that:

- in the event of any dispute of any nature whatsoever, or any difficulty related to the construction of these general terms and conditions of sale and, more generally, any matter related to the relationships between the parties, the parties submit to the exclusive jurisdiction of the Versailles Commercial Court, unless the seller chooses to bring proceedings before any other court of competent jurisdiction,

- French law shall be exclusively applicable.

2.6.

SASU heeft B&T opgeroepen om op 12 september 2018 in kort geding te verschijnen voor de President van het Tribunal de Commerce de Versailles te Versailles, Frankrijk, zoals SASU stelt en B&T niet heeft betwist. SASU vordert onder meer dat de President zal vaststellen dat de handelsrelatie tussen SASU en B&T per 24 april 2018 is verbroken, zal vaststellen dat dit Tribunal op basis van het hiervoor geciteerde Article 2 exclusief bevoegd is kennis te nemen van geschillen tussen SASU en B&T, en voorts B&T zal gelasten facturen ter hoogte van in totaal een bedrag van € 43.986,84 aan SASU te voldoen, met verwijzing van de partijen naar het Tribunal voor de behandeling van het bodemgeschil.

2.7.

Of deze rechtbank rechtsmacht toekomt moet worden bepaald aan de hand van de bevoegdheidsregels in de Herschikte EEX-Verordening (nr. 1215/2012). De rechtbank gaat er met partijen vanuit dat met de hoofdzaak en de later ingestelde procedure in Versailles thans voor gerechten van verschillende lidstaten tussen dezelfde partijen vorderingen aanhangig zijn, die hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten. Dit uitgangspunt ligt in het standpunt van SASU besloten en B&T heeft het niet betwist. Conform de hoofdregel van art. 29 lid 1 van de Verordening dient het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht in een dergelijke situatie zijn uitspraak aan te houden totdat de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht vaststaat. Aldus worden tegenstrijdige uitspraken voorkomen. De Franse rechter dient derhalve in beginsel de beslissing in dit incident af te de wachten.

2.8.

Deze hoofdregel lijdt uitzondering indien partijen een bevoegd gerecht hebben aangewezen in de zin van art. 25 van de Verordening en een zaak aanhangig wordt gemaakt voor deze aangewezen rechter. De eerder aangezochte rechter dient in een dergelijk geval zijn uitspraak aan te houden totdat de aangewezen rechter verklaart geen bevoegdheid te ontlenen aan de overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegd gerecht, zo volgt uit art. 31 lid 2 van de Verordening. Article 2 strekt tot een dergelijke forumkeuze. Voor de daar aangewezen rechter is inmiddels een procedure aanhangig. In geschil is echter dat partijen een overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegd gerecht hebben gesloten, in de zin van art. 25 van de Verordening, zoals SASU stelt en B&T betwist. De vraag rijst dan of de geldigheid van de forumkeuze uitsluitend ter beoordeling staat van het beweerdelijk aangewezen gerecht. In dat verband is het volgende van belang.

2.9.

De verplichting tot aanhouding ex art. 31 lid 2 van de Verordening ontstaat volgens de tekst van deze bepaling (pas) als een ander gerecht op grond van een in artikel 25 bedoelde overeenkomst bij uitsluiting bevoegd is. Dit kan erop duiden dat voor aanhouding sprake moet zijn van een geldige forumkeuze en niet slechts van het inroepen van een forumkeuze. Uit de tekst van lid 3 van art. 31 volgt echter dat het aan het aangewezen gerecht is om vast te stellen dat sprake is van een geldige forumkeuze. Pas dan dient het andere gerecht zich onbevoegd te verklaren.

2.10.

Blijkens alinea 22 van de considerans van de Verordening dient aanhouding ex art. 31 lid 2 van de Verordening om ervoor te zorgen dat het aangewezen gerecht in een dergelijke situatie voorrang krijgt om te beslissen over de geldigheid van het forumkeuzebeding en de mate waarin het beding geldt voor het voor hem dienende geschil. In de rede ligt deze voorrang zo te begrijpen dat in beginsel uitsluitend het beweerdelijk aangewezen gerecht de geldigheid van de forumkeuze heeft te beoordelen. Volgens de considerans moet op de hoofdregel van art. 29 worden teruggegrepen in gevallen waarin partijen tegenstrijdige forumkeuzebedingen zijn overeengekomen. Van deze situatie is in dit geval geen sprake. De tussenconclusie is dat in dit incident de geldigheid van de forumkeuze in beginsel niet ter beoordeling staat van deze rechtbank, maar van de rechter in Versailles.

2.11.

De aanhoudingsregel van art. 31 lid 2 van de Verordening is ingevoerd om misbruik van de hoofdregel van art. 29 van de Verordening te voorkomen. De nieuwe aanhoudingsregel verhindert dat een partij een geding voor de aangewezen rechter kan ophouden door tevoren hetzelfde geding voor de rechter van een andere lidstaat aanhangig te maken. Hoewel deze vorm van misbruik van procesrecht met de nieuwe aanhoudingsregel effectief wordt bestreden biedt zij een partij tegelijkertijd een nieuwe gelegenheid voor misbruik, namelijk de mogelijkheid het geding voor de aangezochte rechter op te houden door nadien eenzelfde geding aanhangig te maken voor een beweerdelijk door partijen aangewezen gerecht in een andere lidstaat. Niet ondenkbaar is dat in een evident geval van misbruik van de nieuwe aanhoudingsregel op de hoofdregel moet worden teruggevallen.

2.12.

Volgens B&T maakt SASU misbruik van de nieuwe aanhoudingsregel, omdat SASU zich beroept op een overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegd gerecht, terwijl die overeenkomst duidelijk ongeldig is.

Voor zover B&T die standpunt erop baseert dat de forumkeuze hooguit de koopovereenkomsten betreft die partijen ter uitvoering van de distributieovereenkomst hebben gesloten en niet de distributieovereenkomst, kan dat standpunt niet worden gevolgd. Anders dan in het door B&T aangehaalde arrest (ECLI:NL:GHDHA:2017:1492) is de forumkeuze in Article 2 zo ruim omschreven dat deze de gehele rechtsverhouding tussen partijen omvat en niet slechts toepasselijk is op geschillen die uit de koopovereenkomsten zelf voortkomen.

In geschil is voorts of, zoals SASU stelt en B&T betwist, in dit geval forumkeuze is overeengekomen zoals dat tussen partijen gebruikelijk was geworden of zoals dat in de internationale handel pleegt te gebeuren (art. 25 lid 1 aanhef en onder b en c van de Verordening). Wat hiervan zij, het partijdebat biedt onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de stellingen van SASU in dit verband zo onhoudbaar zijn dat evident is dat zij deze stellingen tegen beter weten in inneemt, enkel ter vertraging van het geding voor de Nederlandse rechter. Misbruik van procesrecht kan derhalve niet worden vastgesteld.

2.13.

De slotsom is dat geen aanleiding bestaat de uitspraak in de hoofdzaak niet aan te houden op de voet van art. 31 lid 2 van de Verordening.

2.14.

In het geval de Franse rechter zal verklaren geen bevoegdheid te ontlenen aan art. 25 van de Verordening, geldt in dit incident het volgende.

2.15.

B&T heeft rechtsmacht van deze rechtbank op art. 7 aanhef en lid 1 aanhef en onder b van de Herschikte EEX-Verordening gebaseerd. Tussen partijen bestaat een exclusieve distributieovereenkomst ter zake van het verhandelen van sterke drank van SASU in Nederland. Deze overeenkomst is te beschouwen als een overeenkomst tot het verstrekken van diensten, zoals in deze bepaling is bedoeld. De diensten worden verricht in Wageningen, dat is gelegen in het rechtsgebied van deze rechtbank, aldus B&T.

2.16.

SASU heeft het bestaan van een distributieovereenkomst tussen partijen betwist. Tegenover de stellingen van B&T in de procesinleiding onder C, in het bijzonder de volgens B&T overeengekomen aanspraak op vergoeding van kosten ter zake van advertising and promotion en het e-mailbericht (productie 5) en brief (productie 6) waarin SASU zelf eraan refereert dat zij heeft besloten haar distributie in Nederland te veranderen en een ander heeft verkozen tot exclusieve distributeur van haar producten in Nederland, kon zij echter niet met deze blote ontkenning volstaan. Zij had moeten toelichten waarom partijen ook in het licht van deze feiten en omstandigheden (naar Frans recht) geen distributieovereenkomst zijn aangegaan. Nu deze toelichting ontbreekt stelt de rechtbank in dit incident als onvoldoende weersproken vast dat partijen een mondeling overeengekomen exclusieve distributieovereenkomst hebben gesloten.

2.17.

SASU heeft niet betwist dat deze exclusieve distributieovereenkomst een overeenkomst tot verstrekking van diensten is in de zin van de in 2.15 genoemde bepaling en evenmin dat de diensten hoofdzakelijk in Wageningen werden verricht. Daarvan wordt uitgegaan. Deze rechtbank is dan ook in beginsel op de gestelde grondslag bevoegd, mede gelet op HvJ EU 8 maart 2018, ECLI:EU:C:2018:173, NJ 2018/191.

2.18.

SASU stelt echter dat partijen voor de plaats van uitvoering van de dienst de bedrijfslocatie van SASU in Frankrijk zijn overeengekomen. Dit leidt zij af uit de leveringsconditie ‘EXW’ (dat Ex Works of ‘af fabriek’ betekent) op de facturen van SASU te zake van geleverde sterke drank. Zonder toelichting, die ontbreekt, valt echter niet in te zien dat die conditie behalve op te leveren drank ook ziet op de op B&T rustende verbintenissen uit de distributieovereenkomst, zoals B&T betwist. Daarom kan als onvoldoende gemotiveerd gesteld in dit incident niet worden vastgesteld dat partijen zijn overeengekomen dat die verbintenissen op de bedrijfslocatie van SASU in Frankrijk zouden worden uitgevoerd. Het verweer wordt verworpen.

2.19.

Indien de Franse rechter zal verklaren geen bevoegdheid te ontlenen aan art. 25 van de Verordening komt deze rechtbank derhalve rechtsmacht toe op grond van art. 7 aanhef en lid 1 aanhef en onder b van de Herschikte EEX-Verordening.

2.20.

Indien de Franse rechter zijn bevoegdheid in overeenstemming met de door SASU gestelde overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegd gerecht zal vaststellen, zal de rechtbank zich op de voet van art. 31 lid 3 van de Verordending onbevoegd verklaren.

2.21.

Partijen dienen de rechtbank uiterlijk op 3 april 2019 in te lichten over de stand van de procedure in Frankrijk.

2.22.

De rechtbank zal de beslissing omtrent de kosten van het incident aanhouden.

3 De beslissing

De rechtbank

in het incident

3.1.

houdt iedere verdere beslissing in de hoofdzaak aan totdat het Tribunal de Commerce de Versailles te Versailles, Frankrijk, verklaart geen bevoegdheid aan art. 25 van de Herschikte EEX-Verordening te ontlenen,

3.2.

bepaalt dat partijen zich uiterlijk op 3 april 2019 kunnen uitlaten over voortzetting van de procedure,

3.3.

houdt de beslissing omtrent de kosten van het incident aan,

in de hoofdzaak

3.4.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. K. Mans en in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2018.