Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:4716

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
02-11-2018
Datum publicatie
02-11-2018
Zaaknummer
05/840318-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vechtpartij op boot, geldboete, noodweer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/840318-17

Datum uitspraak : 2 november 2018

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte 1]

geboren op [geboortedatum] 1946 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , [woonplaats]

raadsman: mr. J.W. Schouten, advocaat te Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 31 oktober 2017 en 19 oktober 2018.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

Primair

hij op of omstreeks 28 juli 2016 op een passagiersschip (van Smyrilline) en/of op de vaarroute van IJsland naar Denemarken, te IJsland en/of Denemarken, althans de Noord-Atlantische Oceaan en/of Noordzee openlijk, te weten op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten de lounge/het café van passagiersschip Smyrilline, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] , welk geweld bestond uit het - duwen in/op/tegen het lichaam en/of - (met kracht) vastpakken van een/de arm(en) en/of - (meermalen) (met kracht) trekken aan de haren en/of - (meermalen) (met kracht) stompen/slaan in/op/tegen het oog en/of de wenkbrauw en/of de lip en/of het (rechter)oor, althans het gezicht/hoofd;

Subsidiair

hij op of omstreeks 28 juli 2016 te op een passagiersschip (van Smyrilline)

en/of op de vaarroute van IJsland naar Denemarken, te IJsland en/of Denemarken, althans de Noord-Atlantische Oceaan en/of Noordzee tezamen en in vereniging

met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer] heeft mishandeld door die

[slachtoffer] (met kracht) bij de (boven)armen/polsen vast te pakken;

2 Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit vrijspraak en voert daartoe aan dat het pakken bij de polsen van [slachtoffer] door verdachte was gericht op het afweren van [slachtoffer] en verdachte geen opzet had op het plegen van geweld.

Beoordeling door de rechtbank

Verdachte heeft verklaard dat hij de polsen van [slachtoffer] heeft vastgepakt en heeft gezegd “als je het maar laat”.

De getuigen die niet als verdachten zijn aangemerkt hebben bij de rechter-commissaris verklaard over de vechtpartij en de rol van verdachte daarin.

Getuige [getuige 1] heeft als volgt verklaard:

“ [verdachte 1] probeerde dit op zijn manier te kalmeren. Dat deed hij door, denk ik, de dames uit elkaar te halen. (…) Voor zover ik mij herinner probeerde hij met zijn armen de dames van elkaar te scheiden.

[getuige 2] heeft niet gezien of verdachte iets heeft gedaan.

[getuige 3] heeft verklaard dat hij niet precies weet hoe verdachte [slachtoffer] vasthield en dat hij verdachte verder niets heeft zien doen.

[getuige 4] heeft verklaard dat zij niet weet hoe verdachte [slachtoffer] heeft vastgehouden.

Uit de verklaring van [getuige 1] volgt dat verdachtes handelen naar uiterlijke verschijningsvorm niet gericht was op enige vorm van geweld. Die verklaring wordt niet weerlegd door de andere drie getuigen. Geen van allen verklaart dat verdachte kennelijk [slachtoffer] vasthield om zijn dochter [naam] de gelegenheid te geven haar te slaan. Dat [naam] dat wel deed is verdachte, in het licht van de verklaring van [getuige 1] , niet aan te rekenen.

Naar het oordeel van de rechtbank bevinden zich in het dossier dan ook te weinig aanwijzingen dat verdachtes opzet op het gebruik van geweld tegen [slachtoffer] was gericht, ook niet in voorwaardelijke zin. De rechtbank acht daarom de primair en subsidiair ten laste gelegde feiten niet bewezen en zal verdachte daarvan vrijspreken.

Nu verdachte wordt vrijgesproken zal de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

4 De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde feit.

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.L.F. Prisse (voorzitter), mr. J.M. Hamaker en mr. S. Boot, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.T.P.M. van Aarssen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 november 2018.