Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:4640

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
29-10-2018
Datum publicatie
30-10-2018
Zaaknummer
C/05/340639/ZJ RK 18-711
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Dat de rechter verzoeker op enig moment tot stilte heeft gemaand, getuigt dan ook niet van (de schijn van) vooringenomenheid. Dit te meer nu de rechter heeft aangegeven dat verzoeker later tijdens de zitting de gelegenheid zou krijgen te reageren. Uit uitlatingen van de rechter blijkt evenmin van een schijn van vooringenomenheid. Het verzoek tot wraking is afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK GELDERLAND, locatie Zutphen

Wrakingskamer

Zaaknummer: C/05/340639/ZJ RK 18-711

Rechtbanknummer: C/05/343253/ KZ RK 18/165

Beslissing van 29 oktober 2018

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker tot wraking,

verder te noemen: verzoeker,

tegen

mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, in haar hoedanigheid van rechter,

verder te noemen: de rechter.

1 De procedure

1.1

Het verzoek tot wraking is gericht tegen de rechter in haar hoedanigheid van kinderrechter in de zaak met zaaknummer: 340639-ZJ RK 18-711 betreffende een schriftelijke aanwijzing in het kader van de ondertoezichtstelling van de kinderen van verzoeker. De zitting in die procedure heeft plaatsgevonden op 25 september 2018. Op die zitting heeft verzoeker de rechter gewraakt.

1.2

Op 15 oktober 2018 is het wrakingsverzoek ter zitting van de wrakingskamer behandeld. Verzoeker is aldaar verschenen, bijgestaan door mr. Zonnenberg. De rechter heeft de rechtbank vooraf van haar afwezigheid ter zitting in kennis gesteld. Zij heeft verweer gevoerd met een op 4 oktober 2018 binnengekomen verweerschrift.

2 Het wrakingsverzoek en het standpunt van de rechter

2.1

Verzoeker heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd, kort samengevat, dat de rechter vooringenomen was ”en haar oren liet hangen” naar hetgeen de Jeugdbescherming heeft gesteld. De rechter gaf er geen blijk van de omstandigheden rondom een omgangsmoment te kennen, terwijl verzoeker daaromtrent twaalf producties aan de rechtbank had opgestuurd. Verder concludeerde de rechter ten onrechte dat het de bedoeling was de omgang (van de moeder) met de kinderen uit te breiden, zonder daarbij gewag te maken van het (ook door het gerechtshof genoemde) benodigde onderzoek. Toen verzoeker de rechter dit wilde laten weten, werd hem het woord ontnomen. Ten onrechte heeft de rechter op dat moment niet naar verzoeker willen luisteren. Daarmee heeft zij blijk gegeven van vooringenomenheid, aldus verzoeker.

2.2

De rechter heeft niet in de wraking berust. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoeker geen feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht als bedoeld in artikel 36 en 37 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Op de zitting heeft de rechter verzoeker het woord ontnomen in het kader van regievoering op die zitting. Verzoeker had reeds eerder een spreekster onderbroken en onderbrak vervolgens de rechter tijdens haar vraagstelling op de zitting. Dat verzoeker aanneemt dat de rechter uitgaat van de juistheid van hetgeen de Jeugdbescherming zegt, is slechts een aanname van verzoeker. Wellicht dat hetgeen over een uitbreiding van de omgangsregeling is gezegd, niet bij verzoeker in goede aarde is gevallen. Dat betekent niet dat sprake is van vooringenomenheid, aldus de rechter.

3 De beoordeling

3.1

Wraking van een rechter is slechts mogelijk op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan kan sprake zijn indien de rechter jegens een partij vooringenomen is of indien de vrees van een partij daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Bij de beoordeling daarvan moet voorop staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (HR 24 oktober 1995 NJ 1996, 484). Uit artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en het vermoeden van onpartijdigheid volgt dat de verzoeker concrete feiten en omstandigheden moet aanvoeren waaruit objectief afgeleid moet worden dat de rechter jegens een partij vooringenomen is of de vrees van een partij dat dat zo is objectief gerechtvaardigd is. Met inachtneming hiervan overweegt de wrakingskamer het volgende.

3.2

In het proces-verbaal van de zitting van 25 september 2018 staat het volgende vermeld: “tijdens het relaas van [medewerkster jeugdbescherming] (Jeugdbescherming) probeert de vader (verzoeker) te onderbreken met kanttekeningen. De kinderrechter heeft de vader hierop verzocht [medewerkster jeugdbescherming] te laten uitpraten, aangezien ook de vader zijn verhaal zonder onderbrekingen heeft kunnen doen.” en
De kinderrechter:
(…) Ook gezien de beslissing bij de verlenging van de ondertoezichtstelling is het juist de bedoeling dat de omgang wordt uitgebreid en dat de begeleiding vermindert.
Vader onderbreekt de rechter.
De rechter geeft aan dat de vader nu even stil moet zijn, aangezien de rechter aan het woord is. De vader zal straks de gelegenheid krijgen te reageren.”

3.3

De wrakingskamer overweegt dat het aan de rechter is om regie te voeren tijdens een zitting, zodat iedere partij in voldoende mate de gelegenheid krijgt diens standpunten naar voren te brengen. Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat verzoeker deze gelegenheid heeft gekregen. Ook blijkt daaruit dat hij herhaaldelijk aanwezigen op die zitting heeft onderbroken. Dat de rechter verzoeker op enig moment tot stilte heeft gemaand, getuigt dan ook niet van (de schijn van) vooringenomenheid. Dit te meer nu de rechter heeft aangegeven dat verzoeker later tijdens de zitting de gelegenheid zou krijgen te reageren.

3.4

Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt niet dat de rechter reeds enige beslissing in de zaak had genomen. De wrakingskamer begrijpt dat verzoeker in een moeilijke situatie verkeert en dat de communicatie tussen hem en de Jeugdbescherming veel te wensen overlaat. De aanname dat de rechter zich in haar uitlating, dat het de bedoeling is dat de omgang wordt uitgebreid en dat de begeleiding wordt verminderd, heeft laten leiden door het standpunt van de Jeugdbescherming vindt geen steun in het dossier, noch in het proces-verbaal. Daarbij komt dat verzoeker nog de gelegenheid zou krijgen te reageren, zodat hij op dat moment zijn visie naar voren kon brengen. Door het ingediende wrakingsverzoek is het daarvan niet gekomen.

3.5

Gelet op het voorgaande is de wrakingskamer van oordeel dat geen sprake is van een schijn van vooringenomenheid van de rechter, zodat het verzoek tot wraking zal worden afgewezen.

4 De beslissing

De rechtbank wijst het verzoek tot wraking van mr. Steinebach-de Wit af.

Deze beslissing is gegeven door mr. S.A.M. Vrendenbarg-Elsbeek, voorzitter,
mr. Y.M.J.I. Baauw en mr. A.M.P.T. Blokhuis, rechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. R. Fransen, griffier, op 29 oktober 2018.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.