Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:460

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
06-02-2018
Datum publicatie
07-02-2018
Zaaknummer
AWB - 15 _ 6501
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onvoldoende betwist dat aanmaning voor het doen van aangifte niet is ontvangen. Vereiste aangifte niet gedaan; omkering van de bewijslast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/307
V-N 2018/24.18.3
Viditax (FutD), 08-02-2018
FutD 2018-0425
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummers: AWB 15/6501, 15/6502, 15/6504 en 15/6505

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 6 februari 2018

in de zaken tussen

[X] , te [Z] , eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Arnhem, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser de volgende aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV), inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet (hierna: ZVW), boetebeschikkingen en beschikkingen heffings- en belastingrente opgelegd:

  • -

    voor het jaar 2010, een aanslag IB/PVV (aanslagnummer [000] .H.06), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 150.000, alsmede bij beschikking een verzuimboete van € 984. Tevens is bij beschikking € 8.305 aan heffingsrente in rekening gebracht.

  • -

    voor het jaar 2010, een aanslag ZVW (aanslagnummer [000] .W.06), berekend naar een bijdrage-inkomen van € 33.189 waarbij bij beschikking € 201 aan heffingsrente in rekening is gebracht.

  • -

    voor het jaar 2012, een aanslag IB/PVV (aanslagnummer [000] .H.26.01), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 506.493, alsmede bij beschikking een verzuimboete van € 984. Tevens is bij beschikking € 14.534 aan belastingrente in rekening gebracht.

  • -

    voor het jaar 2012, een aanslag ZVW (aanslagnummer [000] .W.26.01), berekend naar een bijdrage-inkomen van € 50.064 waarbij bij beschikking € 143 aan belastingrente in rekening is gebracht.

Verweerder heeft bij afzonderlijke uitspraken op bezwaar van 18 september 2015 voor het jaar 2010 de aanslagen, de beschikking heffingsrente en de verzuimboete gehandhaafd en voor het jaar 2012 de aanslag IB/PVV verminderd tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 156.493, de beschikking belastingrente dienovereenkomstig verminderd en de aanslag ZVW en de verzuimboete gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brieven van 26 oktober 2015, ontvangen door de rechtbank op 27 oktober 2015, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en verweerschriften ingediend.

Het eerste onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2017. Omdat beide partijen daar niet zijn verschenen heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting geschorst (schorsingsbesluit van 13 februari 2017). Op 19 mei 2017 heeft een nadere zitting plaatsgevonden waar eiser en verweerder wel zijn verschenen. Nadat het onderzoek ter zitting is gesloten heeft de rechtbank het onderzoek heropend (heropeningsbesluit van 31 mei 2017).

Verweerder heeft op 21 juni 2017 nadere stukken ingediend. Hierop is door eiser bij brief van 12 juli 2017 gereageerd.

Vervolgens heeft op 11 januari 2018 wederom een zitting plaatsgevonden. Eiser is daar verschenen. Namens verweerder zijn verschenen [gemachtigde] , [A] en [B] .

Overwegingen

Feiten

1. Op [2006] heeft eiser de Stichting [C] (hierna: [C] ) opgericht. Op grond van artikel 13 van de akte is eiser benoemd tot voorzitter, secretaris en penningmeester van [C] .

2. Op [2008] heeft eiser de Stichting [D] (hierna: [D] ) opgericht. Op grond van artikel 13 van de akte is eiser benoemd tot voorzitter, secretaris en penningmeester van [D] .

3. Tot de gedingstukken behoort een overzicht van de bij- en afschrijvingen op de bankrekeningen van [D] en [C] in 2010 en 2012, alsmede een afschrift van de bankafschriften. Hieruit volgt dat in de onderhavige jaren de volgende bedragen zijn ontvangen op de bankrekeningen van [D] (bankrekeningnummer [001] ) en [C] (bankrekeningnummer [002] ):

2010

2012

[D]

€ 243.514

€ 40.214

[C]

€ 42.703

€ 108.808

Totaal

€ 286.217

€ 149.022

4. Eiser heeft voor de jaren 2010 en 2012 geen aangifte IB/PVV gedaan.


5. Uit de door verweerder op respectievelijk 19 en 20 juni 2017 opgemaakte rapporten blijkt dat de aanmaning over het jaar 2010 door verweerder op 31 augustus 2011 aan TNT-Post ter verzending is aangeboden en de aanmaning over het jaar 2012 op 9 juli 2013 voor verzending is aangeboden aan PostNL.

6.
Verweerder heeft het resultaat uit overige werkzaamheden van eiser voor de jaren 2010 en 2012 vastgesteld op € 150.000.

Geschil

7. In geschil is allereerst of de bezwaarschriften van eiser voldoende zijn gemotiveerd. Bij bevestigende beantwoording van deze vraag houdt partijen verdeeld of:

- eiser de vereiste aangifte heeft gedaan;

- sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast;

- verweerder de hoogte van de aanslagen IB/PVV en ZVW juist heeft vastgesteld;

- verweerder terecht bij beschikking verzuimboetes heeft opgelegd.

8. Eiser stelt zich op het standpunt dat de bezwaarschriften voldoende zijn gemotiveerd, van omkering en verzwaring van de bewijslast geen sprake kan zijn omdat hij de aanmaningen tot het doen van aangifte over de jaren 2010 en 2012 niet heeft ontvangen en dat het in de uitspraken op bezwaar in aanmerking genomen resultaat uit overige werkzaamheden te hoog is. Verweerder bestrijdt het standpunt van eiser ten aanzien van de motivering van de bezwaarschriften niet. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de aanmaningen zijn verzonden en dat eiser dus de vereiste aangiften niet heeft gedaan met als gevolg omkering en verzwaring van de bewijslast. De aanslagen zijn volgens verweerder niet te hoog vastgesteld en de verzuimboetes zijn terecht opgelegd.

Beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid van de bezwaren

9. In de bezwaarschriften die eiser op respectievelijk 11 februari 2015 (2010) en

16 maart 2015 (2012) heeft ingediend is onder meer het volgende opgenomen:


“(…).

Namens de heer [X] , maken wij hierbij – ter behoud van rechten – integraal bezwaar tegen de bovengenoemde aanslag.

Ook maken wij integraal bezwaar tegen de (eventuele) boetebeschikking en beschikking belastingrente.

(…).”

10. Op grond van artikel 6:5, eerste lid, onderdeel d, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) dient een bezwaarschrift ten minste de gronden van het bezwaar te bevatten. De rechtbank leidt uit de verklaring van eiser ter zitting van 11 januari 2018 dat

belastingheffing uitsluitend bij voornoemde stichtingen dient plaats te vinden en dat hij met het gebruik van het woord “integraal” in de bezwaarschriften tot uitdrukking heeft willen brengen dat in het geheel geen aanslagen aan hem opgelegd hadden kunnen worden. In dat licht acht de rechtbank de bezwaarschriften gemotiveerd.

Vereiste aangifte en omkering van de bewijslast
11. Eiser heeft op 19 mei 2017 ter zitting verklaard dat hij over de jaren 2010 en 2012 als gevolg van een discussie met verweerder over voorgaande jaren bewust geen aangifte IB/PVV heeft ingediend. Op dezelfde zitting heeft hij verklaard dat hij de aanmaningen tot het doen van deze aangiftes niet heeft ontvangen. De uitnodigingen tot het doen van aangifte, de herinneringen en de aanslagen hebben hem wel bereikt.

12.
Het niet doen van de vereiste aangifte leidt op grond van artikel 27e, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) tot omkering en verzwaring van de bewijslast. De vereiste aangifte is onder meer niet gedaan als de belastingplichtige die is uitgenodigd tot het doen van aangifte, de daarbij gestelde termijn ongebruikt heeft laten verstrijken en tevens geen gebruik heeft gemaakt van de hem op de voet van artikel 9, derde lid, van de AWR geboden gelegenheid om aangifte te doen binnen een door verweerder bij aanmaning gestelde termijn (vergelijk Hoge Raad 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:675).

13. Eiser betwist niet dat verweerder de aanmaningen heeft verzonden. Hij stelt echter dat hij beide aanmaningen nooit heeft ontvangen. Omdat eiser de verzending van de aanmaningen niet betwist – en door verweerder voldoende aannemelijk is gemaakt dat verzending ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden – is het aan eiser om het daarmee gewekte vermoeden van ontvangst van die stukken te ontzenuwen. Eiser heeft daartoe – afgezien van zijn ontkenning van ontvangst – gesteld dat uit stukken van de Consument Autoriteit en Markt volgt dat 96% van de verzonden post ook daadwerkelijk aankomt. Uit gegevens van PostNL volgt een percentage van 95. Ook heeft eiser aangegeven dat hij regelmatig post ontvangt die niet voor hem is bestemd. Hieruit concludeert eiser dat het zeer goed mogelijk is dat de aanmaningen hem niet hebben bereikt.

14. De rechtbank acht eiser er niet in geslaagd het voornoemde ontvangstvermoeden te ontzenuwen. Uit vaste jurisprudentie volgt dat de enkele betwisting van de ontvangst onvoldoende is. De verklaring van eiser over het niet ontvangen van beide aanmaningen acht de rechtbank ongeloofwaardig. Vooropgesteld dient te worden dat uit de door eiser genoemde percentages juist blijkt dat het overgrote deel van verzonden post ook daadwerkelijk de geadresseerde bereikt. Daarnaast heeft eiser – met uitzondering van de beide aanmaningen – alle relevante stukken met betrekking tot de jaren 2010 en 2012 ontvangen. Ten slotte heeft eiser de stelling dat hij de aanmaningen niet heeft ontvangen pas ter zitting van 19 mei 2017 – vlak na het voornoemde arrest van de Hoge Raad van 14 april 2017 – voor het eerst ingenomen.

15. Gelet hierop is eiser op juiste wijze uitgenodigd, herinnerd en aangemaand tot het doen van aangifte voor het onderhavige jaren. Aangezien hij dit niet heeft gedaan, wordt de bewijslast omgekeerd en verzwaard. Eiser moet derhalve overtuigend aantonen dat en in hoeverre de (uitspraken op bezwaar betreffende de) onderhavige belastingaanslagen onjuist zijn (zie artikel 27e van de AWR).

16. De omkering en verzwaring van de bewijslast neemt niet weg dat verweerder de aanslagen moet baseren op een redelijke schatting. Dit vereiste strekt, in de context van de omkering en verzwaring van de bewijslast, ertoe te voorkomen dat een belastingaanslag naar willekeur wordt vastgesteld (zie Hoge Raad 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184). Het voorgaande betekent dat verweerder de schatting zodanig met feitelijke stellingen dient te onderbouwen dat deze de redelijkheidstoets kan doorstaan. Naar het oordeel van de rechtbank is dat het geval. Verweerder heeft als uitgangspunt genomen de geldstromen die op de bankrekeningen van [D] en [C] zijn binnengekomen en zich op het standpunt gesteld dat eiser zonder enige beperking over de inkomsten en vermogens van [D] en [C] kon beschikken zodat deze dienen te worden behandeld als inkomsten en vermogen van eiser zelf. Voorts heeft verweerder in aanmerking genomen dat over het jaar 2009 het resultaat uit overige werkzaamheden – op basis van hetzelfde uitgangspunt – is vastgesteld op € 150.000 en dat eiser hiertegen geen bezwaar heeft gemaakt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de schatting van verweerder niet onredelijk is.

17. De vraag die vervolgens dient te worden beantwoord, is of eiser het op hem rustende tegenbewijs heeft geleverd. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser daarin niet geslaagd. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Eiser heeft gesteld dat hij in beide jaren om en nabij € 50.000 aan resultaat uit overige werkzaamheden heeft genoten. Volgens eiser kon hij niet vrij beschikken over de inkomsten en het vermogen van [D] en [C] . Eiser heeft deze stellingen echter op geen enkele wijze nader onderbouwd. Hij heeft dus niet doen blijken dat de betreffende uitspraken op bezwaar onjuist zijn.

Verzuimboetes

18. Zoals hiervoor is geoordeeld heeft eiser niet voldaan aan de uitnodiging tot het doen van aangifte. De aan eiser opgelegde verzuimboetes zijn in overeenstemming met artikel 67ca van de AWR en het ten tijde van het opleggen van de verzuimboete geldende beleid, zoals vastgesteld in paragraaf 24b van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998. In de blote stelling van eiser dat de verzuimboetes tot nihil moeten worden verminderd, ziet de rechtbank geen aanleiding om de boetes te verminderen. Gelet op de omstandigheden van het geval, acht de rechtbank de opgelegde boetes van € 984 per jaar passend en geboden.

Premie ZVW

19. Omdat de rechtbank van oordeel is dat de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2010 en 2012 terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd, zijn de aanslagen premie ZVW over deze jaren eveneens terecht en naar de juiste bedragen opgelegd.

Heffings- en belastingrente

20. Eiser heeft geen afzonderlijke beroepsgronden tegen de in rekening gebrachte heffings- en belastingrente aangevoerd, zodat ook de beroepen inzake de beschikkingen heffings- en belastingrente ongegrond dienen te worden verklaard.

Slotoverweging

21. Gelet op het voorgaande dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.F. Geerling, voorzitter, mr. R.A. Eskes en mr. P.J. Tikken, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G. van den Berg-Schokker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 6 februari 2018

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.