Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:4564

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
18-09-2018
Datum publicatie
24-10-2018
Zaaknummer
C/05/342134 / JE RK 18-1146
Formele relaties
Hersteluitspraak: ECLI:NL:RBGEL:2018:4569
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Op grond van artikel 20 van de Verordening Brussel II Bis is de Nederlandse rechter bevoegd om spoedmaatregelen te treffen. Ten tijde van het uitspreken van de VOTS en de spoeduithuisplaatsing verbleven de kinderen in Nederland en dus was de Nederlandse rechter bevoegd. Deze rechter is nog steeds bevoegd, ook al zijn er inmiddels enkele weken verstreken zijn, omdat het nog steeds gaat om dezelfde procedure. Voor de onderhavige procedure is het dan ook niet relevant of de minderjarigen gewoonlijk in Nederland of in Groot-Brittannië verblijven.

Het vermoeden is nog steeds gerechtvaardigd dat de minderjarigen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. VOTS nog nodig. Indien de minderjarigen gewoonlijk in

Groot-Brittannië verblijven, moeten de minderjarigen overgedragen worden aan de Britse autoriteiten. Het is dan vervolgens aan die autoriteiten om te onderzoeken of (een voortzetting van) kinderbeschermingsmaatregelen noodzakelijk is.

Een VOTS volstaat niet, er is ook een uithuisplaatsing voor de duur van de VOTS nodig. Het risico bestaat dat moeder met de minderjarigen zal vluchten, waardoor de minderjarigen (weer) buiten het zicht geraken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Team Jeugdrecht

Zittingsplaats: Arnhem

zaakgegevens : C/05/342134 / JE RK 18-1146

datum uitspraak: 18 september 2018

beschikking uithuisplaatsing

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming, hierna: de Raad,

gevestigd te Zwolle, locatie Arnhem,

betreffende

[naam] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige 1] ,

[naam] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige 2] ,

[naam] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige 3] ,

[naam] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige 4] ,

tezamen ook te noemen de minderjarigen.

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam] , hierna: de moeder,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

[naam] , hierna: de vader,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

Het verdere procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- de beschikking van deze rechtbank van 30 augustus 2018;

- de ter zitting overgelegde verleningsbeslissingen voor de minderjarigen van 3 september 2018;

- de ter zitting door de ouders overgelegde stukken;

- de brief van de Raad van 11 september 2018, ter griffie ingekomen op 12 september 2018;

- de e-mails van mr. C.T.B.J. Libosan-Besjes van 17 september 2018, ter griffie ingekomen op 17 september 2018, met als bijlage een brief van mr. Libosan-Besjes en foto’s.

Op 4 september 2018 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- [minderjarige 1] , die apart is gehoord,

- de moeder en de vader, bijgestaan door mr. C.T.B.J. Libosan-Besjes,
- een vertegenwoordigster van de Raad,

- een vertegenwoordigster van de GI.

Bij beschikking van 30 augustus 2018 zijn [de minderjarigen] voorlopig onder toezicht gesteld tot 30 november 2018. Tevens is bij deze beschikking een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] in een voorziening voor pleegzorg verleend, met ingang van 30 augustus 2018 voor de duur van vier weken (tot uiterlijk 27 september 2018) en is de beslissing voor het overige aangehouden. Ook is bij deze beschikking een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder verleend, met ingang van 30 augustus 2018 voor de duur van vier weken (tot uiterlijk 27 september 2018) en is de beslissing voor het overige aangehouden

De feiten

De ouders leven sinds 2015 gescheiden van elkaar. De minderjarigen verblijven bij hun moeder. De vader verblijft voornamelijk in Nederland.

De moeder en [minderjarige 1] , die in verzekering waren gesteld, zijn op 31 augustus 2018 heengezonden door de politie.

Het standpunt van de Raad

De Raad heeft verzocht tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder en van [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] in een voorziening voor pleegzorg, voor de duur van drie maanden.

De Raad heeft ter zitting het verzoek nader toegelicht. Er zijn diverse meldingen door politie,

jeugdzorg en Veilig Thuis, dat de kinderen jaren op plekken in Nederland wonen. Er is

sprake van vele strafbare feiten. De ouders en kinderen zijn ongrijpbaar. Afgelopen week

zijn de minderjarigen aangetroffen in een hotelkamer. Daar was het een chaos en moeder was

niet aanspreekbaar. Er is sprake geweest van huiselijk geweld. [minderjarige 1] heeft bij de

raadsonderzoeker aangegeven dat het vaker gebeurde. De Raad maakt zich heel veel zorgen.

Het is belangrijk om zicht te krijgen op de situatie. De tandartsafspraak is geen garantie dat

kinderen weer gaan terugkeren naar Groot-Brittannië.

De Raad denkt dat niet volstaan kan worden met een voorlopige ondertoezichtstelling. Als de

minderjarigen teruggaan naar de moeder, is er geen zicht meer op hen. Spoedeisende zorg en

politie geven aan dat elke keer als men hulpverlening wil inzetten, de ouders weg zijn. De

ouders en de minderjarigen kunnen altijd terug naar Groot-Brittannië als er meer

duidelijkheid is. Er kan dan contact opgenomen worden met de jeugdbescherming aldaar en

de minderjarigen kunnen dan mogelijk onder begeleiding terug. Op dat moment zou een

voorlopige ondertoezichtstelling wel voldoende zijn.

Bij brief van 12 september 2018 heeft de Raad laten weten dat de Raad contact heeft gelegd

met het Britse consulaat en met de sociale diensten van de bekende woonplaats van de

minderjarigen maar dat dit geen concrete informatie heeft opgeleverd. Verder staat er recente

informatie over het wel en wee van de minderjarigen in.

Het standpunt van belanghebbenden

De ouders hebben naar voren gebracht dat de moeder met de minderjarigen in Groot-

Brittannië woont op [adres] . Zij zijn voor vakantie in Nederland en de moeder heeft de intentie om met hen terug te keren naar Groot-Brittannië. Het een en ander blijkt uit de door hen overgelegde stukken. De ouders stellen zich primair op het standpunt dat de Nederlandse rechter op grond daarvan niet (meer) bevoegd is om de verzochte spoedmaatregelen te treffen. Van een spoedeisende situatie is geen sprake (meer).

Subsidiair verzoeken de ouders de getroffen voorzieningen niet te handhaven en de uithuisplaatsing te beëindigen. De ouders zijn van mening dat de minderjarigen niet ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Zij betwisten de informatie uit het verzoek. De moeder en [minderjarige 1] hebben zich niet schuldig gemaakt aan winkeldiefstal. De moeder zorgt goed voor de minderjarigen. Hoewel zij ‘Ierse travellers’ zijn, reizen zij niet rond. Zij wonen in een huis en gaan in de schoolvakanties soms op vakantie. Vanwege de cultuur van ouders, willen zij niet dat hun dochters naar school gaan. Zij krijgen wel thuisonderwijs. De moeder betwist dat zij de politie heeft gebeld; zij heeft hen gebeld omdat zij onderdak nodig had. Het klopt ook niet dat zij letsel in haar gezicht had. Als er al zorgen zijn, dan moeten die worden opgelost in Groot-Brittannië.

Meer subsidiair wordt aangevoerd dat een voorlopige ondertoezichtstelling voldoende is om zicht te verkrijgen op de situatie. De minderjarigen moeten zo spoedig mogelijk teruggeplaatst worden en de moeder wil dan met hen terugkeren naar huis. De moeder is evenwel bereid in Nederland te blijven zo lang dat door de Nederlandse autoriteiten nodig wordt geacht. De ouders zijn bereid hun paspoorten en die van de minderjarigen af te geven aan de GI, ter zekerheidsstelling dat zij zich niet zullen onttrekken aan het toezicht.

Namens de ouders is ook gewezen op de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (hierna: IVRK), waaronder welke staan genoemd in de artikelen 3, 9, 10, 12 en 18 van het Verdrag.

In een reactie op de brief van de Raad van 11 september 2018 is namens de ouders (samengevat) aangegeven dat de ouders hun standpunt handhaven. De Raad heeft nog geen concrete informatie uit Groot-Brittannië, mogelijk omdat de ouders aldaar nooit contact hebben gehad met de Raad voor de Kinderbescherming of andere sociale diensten aldaar. Er is ook geen nadere informatie van de politie aangeleverd, die de door de Raad geuite zorgen kunnen rechtvaardigen. Nergens uit blijkt dat de “vele meldingen, die in het politiesysteem staan” betrekking hebben op dit gezin. De naam ‘ [geslachtsnaam minderjarigen en ouders] ’ is onder travellers ook een veelvoorkomende naam. [minderjarige 2] is ook nooit met de politie in aanraking geweest. Ten aanzien van de informatie over de minderjarigen, geven de ouders onder meer aan dat moeder het door de pleegmoeder van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] gesignaleerde gedrag niet herkent. [minderjarige 2] heeft van kleins af aan een slecht gebit en is daarvoor ook onder behandeling van een tandarts. Het bezoek van de ouders met de minderjarigen was zeer emotioneel en traumatisch. De scheiding heeft op hen een grote impact en wordt ook door de GI ‘traumatisch’ genoemd. De kinderen spreken geen Nederlands. De uithuisplaatsing dient onmiddellijk te worden beëindigd. De moeder kan met de kinderen bij een vriend van de ouders in [plaats in Nederland] verblijven en zij is bereid zich, desgewenst onder afgifte van haar paspoort en dat van de kinderen, te melden bij de GI tot het moment dat de Britse autoriteiten hun begeleiding over nemen. De ouders kunnen zich voorstellen dat de zaak (in dat geval) wordt overgedragen aan het Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering omdat die instelling landelijk werkt.

De GI heeft aangegeven dat het goed gaat met de minderjarigen. De GI is van mening dat indien de ondertoezichtstelling voor langere duur nodig is, het advies is om de zaak over te dragen aan het Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering, omdat die organisatie landelijk werkt.

De verdere beoordeling

bevoegdheid

Gezien het bepaalde in artikel 20, eerste lid, van de Verordening EG nr 2201/2003 betreffende de bevoegdheid en erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (Verordening Brussel II Bis), is de Nederlandse rechter bevoegd om spoedmaatregelen te treffen. De minderjarigen verbleven op 30 augustus 2018 in Nederland en het treffen van spoedmaatregelen was noodzakelijk – hetgeen ook niet wordt betwist. De Nederlandse rechter was toen bevoegd om kennis te nemen van het verzoek betreffende de voorlopige ondertoezichtstelling en de spoeduithuisplaatsing. Dat er sinds het geven van de beslissing van 30 augustus 2018 reeds enkele weken verstreken zijn, maakt dit niet anders aangezien het nog steeds gaat om dezelfde procedure en – zoals hierna zal blijken – er nog steeds sprake is van de noodzaak tot het treffen van de spoedmaatregelen. Voor de onderhavige procedure is het dan ook niet relevant of gewoonlijk de minderjarigen in Nederland of in Groot-Brittannië verblijven.

het gezag

Ten tijde van het geven van de beslissing van 30 augustus 2018 stond niet vast wie de vader van de minderjarigen is en of de moeder ook [minderjarige 1] ’s moeder is. Op grond van de ter zitting overgelegde stukken staat nu vast dat de vader en de moeder met elkaar gehuwd zijn op 21 mei 2001. Alle bovengenoemde minderjarigen zijn uit het huwelijk van partijen geboren. Op grond van de door mr. Libosan-Besjes gegeven informatie, gaat de kinderrechter er vanuit dat de vader en de moeder het gezamenlijk gezag uitoefenen over de minderjarigen. Naast de in deze procedure genoemde minderjarigen, hebben de ouders ook nog een zoon, genaamd [naam] , geboren op [geboortedatum] .

ten aanzien van de voorlopige ondertoezichtstelling

Vaststaat dat de moeder en [minderjarige 1] zijn aangehouden op verdenking van winkeldiefstal. Ondanks hetgeen hieromtrent ter zitting naar voren is gebracht, valt zeker niet uit te sluiten dat deze verdenking terecht is. De Raad heeft aangegeven dat er sinds 2012 vanuit verschillende regio’s in Nederland vele politiemeldingen zijn over het gezin. Dit betreft intimidatie, bedreiging, oplichting en drankmisbruik. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zouden ingezet worden door hun ouders bij het plegen van de strafbare feiten. Deze politiemeldingen bevinden zich niet bij het verzoek en zijn ook na de zitting niet door de Raad overgelegd. In die zin is deze informatie niet verifieerbaar. Echter, aangezien de naam van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] concreet wordt genoemd, is het aannemelijk dat in ieder geval een deel van de melding wel degelijk betrekking hebben op dit gezin. Bovendien is na de zitting van de Raad informatie ontvangen over het gedrag van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] , die maken dat er op zijn minst vermoedens zijn de moeder de minderjarigen betrekt bij strafbare feiten. Volgens de pleegmoeder van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] heeft één van de kinderen, toen zij op bezoek waren bij mensen, bij het weggaan een tas van die mensen gepakt en is er ongestoord mee naar buiten gelopen. En toen zij in een winkel even wat mochten vasthouden, werden de prijskaartjes eraf gehaald en verstopt achter de rug en waren de kinderen het plasticdraadje aan het doorbijten toen pleegmoeder nog even verder aan het kijken was. De kinderrechter hecht geen waarde aan de mededeling dat de moeder dit gedrag niet herkent. De pleegmoeder van [minderjarige 2] is opgevallen dat [minderjarige 2] direct zag dat er een dure computer van Apple bij het pleeggezin staat.

Verder zijn er aanwijzingen dat de minderjarigen getuigen zijn van huiselijk geweld. De politie heeft aangegeven dat de moeder de politie in het weekend van 25 augustus 2018 heeft gebeld omdat zij werd bedreigd en mishandeld door de vader – waarvan de minderjarigen getuigen zijn geweest – en waarbij ook letsel bij haar is geconstateerd. Dit wordt betwist maar er bestaat geen enkele reden om te twijfelen aan de juistheid van deze informatie. Volgens de Raad heeft [minderjarige 1] bij de Raad verklaard dat er vaker sprake is geweest van huiselijk geweld.

Tot slot bestaat er gegronde reden om aan te nemen dat de minderjarigen niet naar school gaan. Hierover is namelijk tegenstrijdige informatie gegeven. Zo heeft [minderjarige 1] ter zitting aangegeven dat zij – anders dan gebruikelijk in haar cultuur – naar school gaat, terwijl de ouders hebben aangegeven dat alle kinderen thuisonderwijs krijgen. Het is echter onduidelijk wat dit onderwijs inhoudt. Opgevallen is dat [minderjarige 2] , ondanks dat zij al 9 is, nog niet haar naam kan schrijven en letters niet kan lezen.

Gezien het voorgaande is het vermoeden gerechtvaardigd dat de minderjarigen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd en dat de voorlopige ondertoezichtstelling (nog steeds) noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarigen weg te nemen. Hoewel door de ouders veel informatie in het geding is gebracht, geeft die informatie onvoldoende helderheid en dient de juistheid daarvan nader onderzocht te worden.

De kinderrechter deelt (wel) het standpunt van de raadsvrouwe van de ouders dat als de minderjarigen gewoonlijk in Groot-Brittannië verblijven, de minderjarigen overgedragen moeten worden aan de Britse autoriteiten en dat het vervolgens aan die autoriteiten is om te (onderzoeken en) bepalen of aldaar (een voortzetting van) kinderbeschermingsmaatregelen noodzakelijk zijn.

Het is daarom van groot belang dat de GI de komende tijd met spoed nader onderzoek doet naar de vraag in welk land de minderjarigen gewoonlijk verblijven en, als dat in Groot-Brittannië is, om de zaak zo spoedig mogelijk over te dragen aan de Britse autoriteiten.

Indien uit het onderzoek naar voren komt dat de minderjarigen veelvuldig in Nederland verblijven, zal onderzocht moeten worden hoe de opvoedsituatie daadwerkelijk is en of een (voortzetting van de voorlopige) ondertoezichtstelling noodzakelijk is.

de uithuisplaatsing

Naar het oordeel van de kinderrechter kan in het onderhavige geval niet met een voorlopige ondertoezichtstelling worden volstaan om de acute en ernstige bedreiging voor de minderjarigen weg te nemen. De reden daarvoor is dat, gelet op de informatie dat de moeder veelvuldig met hen reist, het risico bestaat dat zij met hen zal vluchten binnen of buiten Nederland, waardoor de minderjarigen (weer) buiten het zicht geraken alvorens de situatie helder is of een overdracht aan de Britse autoriteiten mogelijk is.

De kinderrechter is van oordeel dat zij niet bevoegd is om te bepalen dat terugplaatsing mogelijk is indien of onder de voorwaarde dat de paspoorten worden afgegeven. Wel dient de GI serieus na te gaan of terugplaatsing van de minderjarigen mogelijk is als de reisdocumenten worden afgegeven, eventueel aangevuld met andere voorwaarden. Het spreekt voor zich dat indien terugplaatsing mogelijk is, die terugplaatsing ook dient plaats te vinden. Dit geldt in zijn algemeenheid maar helemaal met deze kinderen die geen Nederlands verstaan en uit een geheel andere cultuur komen.

Hieruit volgt dat de uithuisplaatsing van [de minderjarigen] voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling noodzakelijk is in het belang van hun verzorging en de opvoeding.

De kinderrechter is van oordeel dat de onderhavige beslissing niet in strijd is de bepalingen in het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (hierna: “IVRK”) en juist in lijn is met artikel 19 van het IVRK, waarin staat vermeld dat de staten die partij zijn bij het Verdrag, alle passende wettelijke en bestuurlijke maatregelen en maatregelen op sociaal en opvoedkundig gebied moete nemen om het kind te beschermen tegen alle vormen van (onder meer) geweld, misbruik en exploitatie.

overdracht van de zaak aan het Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering

Er bestaat geen aanleiding om de zaak over te dragen aan het Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering omdat daartoe geen formeel verzoek is gedaan. Bovendien ligt een dergelijke overdracht meer voor de hand indien er een ondertoezichtstelling komt, en het staat niet vast dat daartoe een verzoek zal worden gedaan.

De beslissing

De kinderrechter:

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] in een voorziening voor pleegzorg, met ingang van 27 september 2018 tot uiterlijk 27 december 2018;

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder, met ingang van 27 september 2018 tot uiterlijk 27 december 2018;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

Deze beschikking is gegeven door mr. A.S.W. Kroon, kinderrechter, in tegenwoordigheid van N.H.M.M. Janssen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2018.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden