Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:454

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
24-01-2018
Datum publicatie
02-02-2018
Zaaknummer
321568
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Pensioen na scheiding. Partijen zijn al in 1993 gescheiden. Nu vordert de vrouw een deel van het pensioen van de man. De man zegt dat partijen de pensioenrechten al hebben verdeeld en dat er sprake is van rechtsverwerking. De rechtbank is het daarmee niet eens en beslist dat de vrouw recht heeft op een deel van het pensioen. De zaak wordt aangehouden zodat partijen kunnen bepalen of laten bepalen op hoeveel de vrouw recht heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2018-0039
PJ 2018/81
JPF 2018/86
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team familierecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/321568 / HA ZA 17-294

Vonnis van 24 januari 2018

in de zaak van

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. J.W. Boeijink te Arnhem,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. P. van Dolderen te Arnhem.

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 27 september 2017

  • -

    het proces-verbaal van de zitting van 14 december 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn met elkaar getrouwd geweest in gemeenschap van goederen. Het huwelijk is op [datum] 1993 geëindigd door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van [datum 2] 1993 in de registers van de burgerlijke stand.

2.2.

Voorafgaand aan de echtscheiding hebben de toenmalige advocaat van de vrouw (mr. P.C. Plochg) en de man brieven aan elkaar geschreven. Over het pensioen van de man is door mr. Plochg geschreven dat dit in de gemeenschap van goederen valt en dus verdeeld moet worden. Mr. Plochg heeft gevraagd aan de man of stukken mochten worden opgevraagd bij het ABP, de pensioenverzekeraar van de man. De man heeft dat geweigerd. Hij heeft geschreven dat de vrouw wat hem betreft alleen aanspraak zou krijgen op het nabestaandenpensioen.

2.3.

In de echtscheidingsprocedure is het pensioen van de man niet ter sprake gekomen. In de beschikking van [datum 2] 1993 heeft de rechtbank bevolen dat partijen de gemeenschap van goederen moesten verdelen na bemiddeling door een notaris die zij zelf zouden uitzoeken. Als dat niet zou lukken, is een notaris aangewezen en ook voor iedere partij een advocaat die deze partij zou vertegenwoordigen als niet werd meegewerkt. Dit heet een bevel verdeling. Partijen hebben geen gebruik gemaakt van dit bevel verdeling.

3 De vordering en het verweer

3.1.

De vrouw wil dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. Bepaalt dat de door de man tot [datum] 1993 bij het ABP opgebouwde pensioenrechten (ouderdomspensioen en [bijzonder] weduwenpensioen) conform het door de Hoge Raad op 27 november 1981, NJ 1982/503 gewezen arrest Boon/Van Loon worden verrekend;

  2. de man veroordeelt om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis de in deze procedure als productie 5 door de vrouw overgelegde en aan dit vonnis te hechten machtiging te ondertekenen, waarmee de vrouw de voor de verrekening benodigde relevante informatie bij het ABP kan opvragen;

  3. bij gebreke van tijdige medewerking van de man aan het voorgaande bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de benodigde handtekening van de man onder de machtiging;

  4. de man veroordeelt om maandelijks vanaf november 2016, zijnde de maand waarin hij de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, dan wel vanaf heden dan wel vanaf een door de rechtbank te bepalen datum, steeds tijdig, derhalve binnen twee dagen nadat hij zelf de pensioenuitkering van het ABP heeft ontvangen, aan de vrouw op een door haar nader aan te geven bankrekening haar deel van de door de man tot

[datum] 1993 (datum inschrijving echtscheiding) opgebouwde pensioenrechten (ouderdomspensioen en – indien van toepassing – (bijzonder) weduwenpensioen) over te maken, te vermeerderen met de indexeringen die nadien hebben plaatsgevonden, een en ander zoals zal moeten blijken uit de door het ABP te verstrekken informatie;

5. bij gebreke van stipte uitvoering/nakoming van het voorgaande door de man, hem veroordeelt om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis aan de vrouw een dwangsom te betalen van € 500 voor iedere dag dat hij in gebreke is aan de inhoud van dit vonnis te voldoen;

6. de man veroordeelt in de proceskosten.

3.2.

De vrouw vraagt dit omdat de pensioenrechten onverdeeld zijn gebleven. De verdeling daarvan moet dus nu nog plaatsvinden.

3.3.

De man vindt dat de vrouw niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vorderingen of dat deze moeten worden afgewezen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover ze belangrijk zijn voor de beoordeling, ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De vrouw heeft haar vordering na lange tijd ingesteld, maar omdat de pensioenrechten waar het hier om gaat gelden als een onderdeel van de huwelijksgemeenschap, is geen sprake van verjaring. Verdeling van een nog niet verdeeld goed uit een gemeenschap kan altijd worden gevorderd. Dat blijkt uit artikel 3:178 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek. Dit is ook niet in geschil tussen partijen.

4.2.

Wel in geschil is of er wel of niet verdeeld is. De man zegt hierover dat voor de echtscheidingsprocedure uitgebreid is geschreven over het pensioen. Toch heeft de vrouw er geen verzoek over gedaan in de echtscheidingsprocedure. Na de scheiding hebben partijen afgesproken dat de vrouw het meeste van de inboedel mocht houden en ook de auto. De man heeft toen volgens hem ook gezegd dat als de vrouw verder nog iets wilde, zij gebruik moest maken van het bevel verdeling. Dat heeft de vrouw ook niet gedaan. De man is daarom van mening dat de pensioenrechten niet vergeten zijn maar dat de vrouw heeft ingestemd met de verdeling; dus hij zijn pensioen en zij de inboedel en de auto.

4.3.

De rechtbank is het hiermee niet eens. Er kan niet zomaar gezegd worden dat partijen het ergens over eens zijn geworden, dat er met andere woorden wilsovereenstemming is. Daarvoor is namelijk nodig dat iemand een aanbod heeft gedaan en de ander dit aanbod heeft aanvaard. De rechtbank vindt het onvoldoende duidelijk dat er echt een aanbod van de man is geweest aan de vrouw om te verdelen zoals dat volgens hem is gebeurd. In het bijzonder staat voor de rechtbank niet vast dat toen ook uitdrukkelijk over pensioen afspraken zijn gemaakt. Dat de vrouw heeft meegewerkt aan het feitelijk verdelen van de inboedel en de auto heeft aangenomen, betekent daarom nog niet dat zij het ermee eens was dat zij geen pensioen van de man zou krijgen. Omdat de pensioenrechten niet verdeeld zijn, kan dat nu alsnog gebeuren.

4.4.

Op basis van dezelfde feiten stelt de man ook dat sprake is van rechtsverwerking. Dit betekent dat hij zegt dat hij dacht, en er ook op mocht vertrouwen, dat de vrouw geen aanspraak meer zou maken op het pensioen. Ook vindt hij het onredelijk dat hij nog pensioen aan de vrouw moet betalen.

4.5.

De rechtbank oordeelt als volgt. Voor het aannemen van rechtsverwerking is stilzitten door iemand die een vordering op een ander heeft of wil instellen niet voldoende. Er moeten bijkomende omstandigheden zijn op grond waarvan bij degene tegen wie de vordering uiteindelijk wordt ingesteld het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de schuldeiser de aanspraak niet meer geldend zal maken. In deze zaak zijn er die bijkomende omstandigheden op zichzelf wel. De pensioenrechten zijn ter sprake gekomen voor de echtscheiding en in de procedure is er vervolgens niets meer over gezegd. Ook na die procedure heeft de vrouw er geen aanspraak op gemaakt, terwijl de inboedel en de auto zijn verdeeld en er een bevel verdeling was gegeven.

4.6.

Toch vindt de rechtbank dit allemaal samen niet genoeg om rechtsverwerking aan te nemen. Voor de echtscheidingsprocedure is er niet inhoudelijk gesproken over de pensioenrechten. De advocaat van de vrouw heeft gevraagd om gegevens en de man heeft deze niet willen geven. In de procedure is er niets meer over gezegd. Na de procedure wist de man blijkbaar wel dat dit punt nog openstond omdat hij zelf zegt dat hij het toen heeft geregeld of in ieder geval heeft willen regelen met de vrouw. Daarna is er hoogstens nog gezegd door de man dat als de vrouw nog iets wilde, zij het bevel verdeling moest gebruiken. De vrouw weet niet meer of de man dit heeft gezegd. Maar als dat zo zou zijn, dan is dat onvoldoende om de man het vertrouwen te geven dat de vrouw op de pensioenrechten niet meer zou terugkomen. In ieder geval heeft de vrouw zelf niets gezegd of gedaan waaruit de man kon opmaken dat zij geen aanspraak op pensioen zou maken. Dat er niet inhoudelijk was geschreven over het pensioen en dat de man blijkbaar na de echtscheidingsprocedure ook zelf dacht dat dit punt nog openstond, is anders dan in de uitspraak van de hogere rechter die de man heeft genoemd (ECLI:NL:GHDHA:2014:1873). Daarom is het oordeel van de rechtbank in deze zaak anders dan in dat geval.

4.7.

De rechtbank vindt het ook niet onredelijk dat de vrouw later wel weer over het pensioen is begonnen. De rechtbank begrijpt wel dat het voor de man misschien een onaangename verrassing is geweest. Maar de vrouw heeft er naar de mening van de rechtbank niet te lang mee gewacht. Al voordat de man met pensioen ging, is de vrouw bij de man langs geweest met een papier van het ABP dat ging over de pensioenaanspraak van de vrouw. De vrouw heeft namelijk tijdens de zitting gezegd dat zij dat rond de zomer van 2016 heeft gedaan en de man heeft dat niet ontkend. De man is in november 2016 met pensioen gegaan. De man wist dus al voor zijn pensionering dat de vrouw een deel van het pensioen wilde hebben. Dat de vrouw dat toen deed en niet eerder is begrijpelijk omdat het pensioenrecht toen pas concreet werd.

4.8.

Van de rechtbank mag de vrouw dus nog aanspraak maken op een deel van de pensioenrechten van de man. Tijdens de zitting is besproken dat partijen allebei willen dat de rechtbank na dit oordeel de zaak zal aanhouden zodat partijen kunnen proberen samen de hoogte van het deel van de vrouw vast te stellen of dat door een deskundige kunnen laten doen. Dat is dan een deskundige die zij samen of ieder voor zich uitzoeken. De rechtbank gaat mee met deze wens van partijen en zal hieronder de datum noemen waarop de advocaten moeten laten weten of het partijen gelukt is het eens te worden. Ook moeten zij het laten weten als er meer tijd nodig is, of als er eerder dan op de genoemde datum dingen zijn die de rechtbank moet weten.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verwijst de zaak naar de rol van 18 april 2018 voor akte uitlating aan de zijde van beide partijen, als hiervoor bedoeld onder 4.8,

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2018.