Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:4530

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
19-10-2018
Datum publicatie
22-10-2018
Zaaknummer
05/018323-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, heeft een 23-jarige man uit Ede veroordeeld tot een werkstraf van 120 uur en een voorwaardelijke rijontzegging voor een jaar vanwege een aanmerkelijke verkeersfout. De man was twee jaar geleden in Wekerom met zijn personenauto zonder te remmen een voorangsweg opgereden waarbij hij tegen een auto aan botste. De bestuurder van die auto raakte daarbij gewond. Bij een blaastest bleek de man een ademalcoholgehalte van 180 te hebben, meer dan toegestaan omdat hij beginnend bestuurder was.

De rechtbank woog bij haar oordeel mee dat de man beroepschauffeur is en als geen ander de risico’s van alcoholgebruik in het verkeer en onvoorzichtig rijgedrag moet kennen, maar ook dat het ongeval al twee jaar geleden is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/018323-18

Datum uitspraak : 19 oktober 2018

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1994 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , [woonplaats] ,

raadsvrouw: mr. M. Nentjes advocaat te Rotterdam.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 oktober 2018.

1 De inhoud van de tenlastelegging

1.

primair

hij op of omstreeks 22 oktober 2016 te Wekerom, gemeente Ede, althans in de gemeente Ede, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk BMW), daarmede rijdende over de weg, de Roekelseweg, gaande in de richting van de Edeseweg en/of de kruising van de Edeseweg met de Roekelseweg en de Vijfsprongweg, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte terwijl hij onder invloed verkeerde van alcohol, althans na het gebruik van een hoeveelheid alcoholhoudende drank, en/of bij duisternis, bij het naderen van die kruising de snelheid van het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (personenauto, merk BMW), niet en/of niet voldoende heeft verminderd en/of in strijd met op het wegdek van de Roekelseweg aangebrachte haaietanden als bedoeld in artikel 80 van het Reglement verkeersregels en verkeersteken 1990 en/of een in zijn rijrichting geplaatst bord B6 bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeersteken 1990, en aldus in strijd met een in artikel 62 van het Reglement verkeersregels en verkeersteken 1990 gestelde gebod of verbod, geen voorrang heeft verleend aan een over de Edeseweg, zijnde een voorrangsweg, rijdende personenauto (Renault Laguna), en/of

in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto BMW) zodanig heeft geregeld, dat hij, verdachte in staat was dat motorrijtuig (personenauto BMW) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte die weg kon overzien en waarover deze vrij was, zonder te remmen die kruising is opgereden en/of vervolgens is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een over de Edeseweg, zijnde een voorrangsweg, rijdende personenauto (Renault Laguna), bestuurd door [slachtoffer] , komende vanuit de richting Wekerom en gaande in de richting van Ede,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor een ander (voornoemde [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, of zodanig lichamelijk letsel, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, derde lid aanhef en onder a, althans artikel eerste lid, van de

Wegenverkeerswet 1994, welk feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij, verdachte geen voorrang heeft verleend.

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

subsidiair

hij op of omstreeks 22 oktober 2016 te Wekerom, gemeente Ede, althans in de gemeente Ede, als bestuurder van een voertuig (personenauto, merk BMW), daarmede rijdende over de weg, de Roekelseweg, gaande in de richting van de Edeseweg en/of de kruising van de Edeseweg met de

Roekelseweg en de Vijfsprongweg, terwijl hij onder invloed verkeerde van alcohol, althans na het gebruik van een hoeveelheid alcoholhoudende drank, en/of bij duisternis, bij het naderen van die kruising de snelheid van het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (personenauto, merk BMW), niet en/of niet voldoende heeft verminderd en/of

in strijd met op het wegdek van de Roekelseweg aangebrachte haaietanden als bedoeld in artikel 80 van het Reglement verkeersregels en verkeersteken1990 en/of een in zijn rijrichting geplaatst bord B6 bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeersteken 1990, en aldus in strijd met een in artikel 62 van het Reglement verkeersregels en verkeersteken 1990 gestelde gebod of verbod, geen voorrang heeft verleend aan een over de Edeseweg, zijnde een voorrangsweg, rijdende personenauto (Renault Laguna), en/of

in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto BMW) zodanig heeft geregeld, dat hij, verdachte in staat was dat motorrijtuig (personenauto BMW) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte die weg kon overzien en

waarover deze vrij was, zonder te remmen die kruising is opgereden en/of vervolgens is gebotst

tegen, althans in aanrijding is gekomen met een over de Edeseweg, zijnde een voorrangsweg, rijdende personenauto (Renault Laguna), bestuurd door [slachtoffer] , komende vanuit de richting Wekerom en gaande in de richting van Ede, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg

werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

2.

hij op of omstreeks 22 oktober 2016 te Wekerom, gemeente Ede als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto BMW) voor het besturen waarvan een rijbewijs was vereist, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid,

aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 180 microgram, in elk geval hoger dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl nog geen zeven jaren waren verstreken sinds de eerste afgifte aan verdachte van een rijbewijs en verdachte op het ogenblik van die afgifte nog niet de leeftijd van achttien jaren had bereikt en de eerste afgifte van

het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op zaterdag 22 oktober 2016 rond 19.00 uur heeft in Wekerom in de gemeente Ede een verkeersongeval plaatsgevonden op de Edeseweg ter hoogte van de kruising met de Vijfsprongweg en Roekelseweg waarbij verdachte is betrokken. Verdachte reed op dat moment als bestuurder van een motorrijtuig, een personenauto BMW 3 serie met kenteken [kenteken] , over de Roekelseweg in de richting van de Edeseweg. Verdachte was voornemens rechtdoor de Vijfsprongweg in te rijden. Verdachte heeft daarbij geen voorrang verleend aan een van rechts komende personenauto, een Renault Laguna. De bestuurder van deze Renault Laguna, [slachtoffer] , reed over de Edeseweg. De Edeseweg is een voorrangsweg. [slachtoffer] kwam uit de richting van Wekerom en reed in de richting van Ede. Verdachte is tegen deze Renault Laguna gebotst. Ten tijde van het ongeval was het donker, het regende niet, en de weg was droog2. De bestuurder [slachtoffer] heeft letsel opgelopen3. Bij verdachte is een ademanalyse afgenomen waarbij een ademalcoholgehalte van 180 µg/l is geconstateerd4. Ten tijde van het ongeluk was verdachte een “beginnend bestuurder”, nu aan hem op 4 maart 2011 voor de eerste maal een (bromfiets)rijbewijs was afgegeven en verdachte op het moment van afgifte de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt5.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde feiten. Zij stelt zich op het standpunt dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld door met een hoge snelheid de kruising op te rijden. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van alcohol het reactievermogen doet afnemen. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het letsel voldoende duidelijk is en ook vastgesteld kan worden dat als gevolg van het ongeval een tijdelijke verhindering van de normale bezigheden is ontstaan bij het slachtoffer.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde feit bepleit en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Uit de bewijsmiddelen blijkt niet dat het slachtoffer zijn normale bezigheden niet heeft kunnen uitvoeren als gevolg van het ongeval. Uit de medische verklaring van de arts is af te leiden dat het slachtoffer al voor het ongeluk aan klachten leed. Niet automatisch kan aangenomen worden dat het beschreven letsel het type letsel is dat het slachtoffer belemmert in zijn dagelijks leven.

Ten aanzien van het onder feit 1 subsidiair en feit 2 tenlastegelegde is geen bewijsverweer gevoerd.

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van feit 1

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het rijgedrag van verdachte zodanig is geweest dat sprake is van schuld als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Hiervoor is vereist dat het gedrag van de verdachte aanmerkelijk of zeer onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam is geweest. Daarvoor moet beoordeeld worden of sprake was van ten minste een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Daarbij geldt dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende is voor de bewezenverklaring van schuld in bovenstaande zin. Gekeken moet worden naar het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en voorts naar de overige omstandigheden van het geval. Verder is van belang dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met een of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in bovenstaande zin.

Verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij op het moment van het ongeval iets vaart geminderd heeft door het loslaten van het gaspedaal, naar links en rechts gekeken heeft en dat hij de personenauto van het slachtoffer niet heeft zien aankomen. Verdachte heeft verklaard dat hij niet heeft stilgestaan voor de haaientanden. Verdachte geeft aan twee biertjes te hebben gedronken voorafgaand aan het ongeval6.

Getuige [getuige] reed op zaterdag 22 oktober 2016 omstreeks 18:55 uur met zijn gezin in de auto op weg naar huis. Getuige reed vanaf Ede over de Edeseweg richting Wekerom. Hij zag rechts ter hoogte van twee fietsers, door het weiland en het gewas heen, op de Roekelseweg een personenauto met een behoorlijke snelheid naderen. Hij schatte de snelheid op zeker 80 kilometer per uur. De Roekelseweg komt uit op de Edeseweg alwaar getuige reed. Getuige zag dat de personenauto geen snelheid minderde toen deze dichter bij de kruising kwam. Vlak voordat getuige met zijn auto de kruising bereikt had, zag hij dat de personenauto een BMW betrof. Getuige zag dat dit voertuig nog steeds niet remde. Hij zag dat vanuit Wekerom een andere personenauto hem tegemoet kwam rijden. De BMW reed dit voertuig op de kruising met volle vaart links aan7.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte zijn auto is gaan besturen terwijl hij meer had gedronken dan toegestaan volgens artikel 8 lid 3 van de Wegenverkeerswet 1994. Verdachte heeft bij het naderen van de voorrangsweg bij de haaientanden niet of nauwelijks vaart verminderd. Verdachte is dus zonder te remmen de voorrangsweg opgereden. Hierdoor is verdachte tegen de van rechts komende personenauto van [slachtoffer] gebotst. Naar het oordeel van de rechtbank is verdachtes handelen te kwalificeren als aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam rijgedrag in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Letsel

De geneeskundige verklaring van de arts van het ziekenhuis Gelderse Vallei8 houdt in dat [slachtoffer] gekneusde ribben en een gekneusde nier aan het ongeluk heeft overgehouden en dat de door de arts geschatte duur van de genezing 6 tot 8 weken is. Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op dit letsel en de geschatte genezingsduur, in voldoende mate vast te stellen dat het slachtoffer [slachtoffer] als gevolg van het ongeval zodanig lichamelijk letsel heeft opgelopen dat hij tijdelijk in de uitoefening van zijn normale bezigheden is verhinderd.

De rechtbank acht dan ook het onder 1 primair ten laste gelegde feit bewezen.

Ten aanzien van feit 2

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, te weten:

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 5 oktober 2018;

- het proces-verbaal ter zake van artikel 8 WVW 1994.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 (primair) en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

primair

hij op of omstreeks 22 oktober 2016 te Wekerom, gemeente Ede, althans in de gemeente Ede, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk BMW), daarmede rijdende over de weg, de Roekelseweg, gaande in de richting van de Edeseweg en/of de kruising van de Edeseweg met de Roekelseweg en de Vijfsprongweg, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, en/of onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte terwijl hij onder invloed verkeerde van alcohol, althans na het gebruik van een hoeveelheid alcoholhoudende drank, en/of bij duisternis, bij het naderen van die kruising de snelheid van het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (personenauto, merk BMW), niet en/of niet voldoende heeft verminderd en/of in strijd met op het wegdek van de Roekelseweg aangebrachte haaientanden als bedoeld in artikel 80 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en/of een in zijn rijrichting geplaatst bord B6 bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, en aldus in strijd met een in artikel 62 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 gestelde gebod of verbod, geen voorrang heeft verleend aan een over de Edeseweg, zijnde een voorrangsweg, rijdende personenauto (Renault Laguna), en/of

in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto BMW) zodanig heeft geregeld, dat hij, verdachte in staat was dat motorrijtuig (personenauto BMW) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte die weg kon overzien en waarover deze vrij was, zonder te remmen die kruising is opgereden en/of vervolgens is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een over de Edeseweg, zijnde een voorrangsweg, rijdende personenauto (Renault Laguna), bestuurd door [slachtoffer] , komende vanuit de richting Wekerom en gaande in de richting van Ede,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor een ander (voornoemde [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, of zodanig lichamelijk letsel, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, derde lid aanhef en onder a, althans artikel eerste lid, van de

Wegenverkeerswet 1994, welk feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij, verdachte geen voorrang heeft verleend.

2.

hij op of omstreeks 22 oktober 2016 te Wekerom, gemeente Ede als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto BMW) voor het besturen waarvan een rijbewijs was vereist, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid,

aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 180 microgram, in elk geval hoger dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl nog geen zeven jaren waren verstreken sinds de eerste afgifte aan verdachte van een rijbewijs en verdachte op het ogenblik van die afgifte nog niet de leeftijd van achttien jaren had bereikt en de eerste afgifte van

het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 primair:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zodanig lichamelijk letsel wordt toegebracht dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan en terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994.

Ten aanzien van feit 2:

Overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994.

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder feit 1 primair en feit 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot het verrichten van 120 uren werkstraf, te vervangen door 60 dagen hechtenis. Daarnaast heeft de officier van justitie oplegging van een ontzegging van de rijbevoegdheid geëist voor de duur van 12 maanden geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De officier van justitie gaat bij zijn eis uit van de LOVS‑oriëntatiepunten voor straftoemeting waarbij voor dit strafbare feit met strafverzwarende omstandigheid een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid als richtlijn is opgenomen. De officier van justitie eist in plaats van een onvoorwaardelijke ontzegging een geldboete van €3000,- euro (in 6 termijnen van €500,- euro).

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht in geval van strafoplegging aan verdachte geen onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen. De verdediging heeft verzocht een geldboete op te leggen. Mocht dat niet toereikend zijn dan is het verzoek van de verdediging een voorwaardelijke taakstraf op te leggen. De verdediging heeft daarnaast verzocht de geldboete te matigen.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 7 september 2018.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte de verkeersveiligheid ernstig in gevaar heeft gebracht door onder invloed van alcohol zijn auto te gaan besturen, onvoldoende vaart te minderen bij een voorrangsweg en zonder te remmen een kruising op te rijden. Hierdoor heeft hij een ongeval veroorzaakt waarbij het slachtoffer lichamelijk letsel heeft opgelopen. Het ongeval heeft een behoorlijke impact op het slachtoffer gehad. Hij heeft als gevolg van het ongeval veel pijn en ongemak ondervonden. Dat is tot uiting gebracht door het slachtoffer in het kader van zijn spreekrecht. De rechtbank weegt in het nadeel van verdachte mee dat hij in het dagelijks leven als beroepschauffeur werkzaam is, zodat mag worden verwacht dat hij als geen ander bekend is van de grote risico’s van alcoholgebruik en onvoorzichtig rijgedrag voor de verkeersveiligheid. In het voordeel van de verdachte houdt de rechtbank bij de strafoplegging rekening met het tijdsverloop sinds het ongeval en de omstandigheid dat zich nadien geen nieuwe verkeersincidenten hebben voorgedaan. Ook weegt in het voordeel van betrokkene dat hij ter zitting verantwoordelijkheid voor zijn gedrag heeft getoond, en dat hij spijt heeft betuigd richting het slachtoffer. Het onvoorwaardelijk ontzeggen van de rijbevoegdheid zou ertoe leiden dat verdachte zijn werk niet meer kan uitoefenen en het is het niet onwaarschijnlijk dat hij daardoor zijn baan zal verliezen. Alles in aanmerking genomen acht de rechtbank een werkstraf en een voorwaardelijke rijontzegging op zijn plaats, zoals door de officier is geëist. Anders dan de officier ziet de rechtbank geen aanleiding om verdachte daarnaast een boete op te leggen.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en artikelen 6, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

 het verrichten van een werkstraf gedurende 120 (honderdtwintig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 (zestig) dagen;

 Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

 bepaalt, dat deze bijkomende straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.W.B. Heijmans (voorzitter), mr. W.L.F. Prisse en mr. G.J.M. van Wijk, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.T.P.M. van Aarssen en mr. K.M. Rokette, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 oktober 2018.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PLO600-2016521787, gesloten op 22 oktober 2016 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal aanrijding misdrijf p. 18-20, proces-verbaal verhoor slachtoffer [slachtoffer] p. 3-4 en proces-verbaal verhoor verdachte p. 26.

3 Proces-verbaal aanrijding misdrijf p. 18-20 en geneeskundige verklaring arts Gelderse Vallei ziekenhuis p. 29-31.

4 Proces-verbaal rijden onder invloed, p. 10-14.

5 Verklaring van verdachte afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting.

6 Verklaring van verdachte afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting.

7 Proces-verbaal van getuigenverhoor p. 7 en 8.

8 Geneeskundige verklaring d.d. 27 oktober 2016 p. 31.