Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:4473

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
17-10-2018
Datum publicatie
17-10-2018
Zaaknummer
05/982750-14 (ontneming)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Op 4 december 2017 zijn twee bedrijven veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. De rechtbank heeft nu geoordeeld over een vordering van het officier van justitie tot ontneming van geldelijk voordeel dat door dat strafbare handelen is verkregen.

De rechtbank stelt vast dat het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel van Enorgha moet worden geschat € 1.015.536,50 is. Dat bedrag moet Enorgha aan de Staat betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2018/154 met annotatie van S. Pieters
JAF 2018/828
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/982750-14 (ontneming)

Datum zitting : 26 september 2018

Datum uitspraak: 17 oktober 2018

Tegenspraak

Uitspraak van de meervoudige economische kamer

op de ontnemingsvordering van

de officier van justitie van het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[veroordeelde] ,

gevestigd [adres 1]

,

vertegenwoordigd door [naam 1],

geboren op [geboortedag] 1969 in [geboorteplaats] ,

wonende [adres 2] .

Raadsman: mr. R. Hörchner, advocaat te Breda.

1 De inhoud van de vordering

De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde wordt geschat en dat de rechtbank veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel. Het Openbaar Ministerie schat het voordeel op € 1.513.422,-.

2 De procedure

Ter terechtzitting van 6 november 2017 heeft de officier van justitie de ontnemingsvordering formeel aanhangig gemaakt. In aanloop naar deze zitting is op 31 oktober 2017 een conclusie van eis ingediend.

Het onderzoek is geschorst voor een schriftelijke conclusiewisseling.

Op 5 maart 2018 is een conclusie van antwoord van de raadsman ontvangen. Op 31 maart 2018 is een conclusie van repliek van de officier van justitie ontvangen en op 9 mei 2018 een conclusie van dupliek van de raadsman.

Op 26 september 2018 is de vordering ter zitting behandeld.

3 Verzoek om aanhouding van de verdediging

Ter zitting heeft de raadsman een (herhaald) verzoek om aanhouding gedaan en daarbij het volgende aangevoerd.

Op 12 juni 2018 is een aantal stukken door het Openbaar Ministerie toegestuurd. De rechtbank heeft de verdediging geen termijn gegund om hierop te reageren. Een onlangs gedaan verzoek om aanhouding is door de rechtbank afgewezen. De raadsman heeft bij eerste lezing reeds enkele fouten in de stukken ontdekt, zodat om een goede verdediging te kunnen voeren een reactietermijn wel nodig is. Zo heeft hij geconstateerd dat de factuur van [naam 2] (hierna: [naam 2] ) van 29 oktober 2012 met factuurnummer 11060 voor

€ 10.000,- op de lijst staat, terwijl het gaat om een bedrag van € 1.000,-. Ook staat een factuur van [naam 3] (hierna: [naam 3] ) van 18 juni 2012 met factuurnummer 10255 ten onrechte voor een bedrag van € 6.000,- op de lijst, terwijl deze factuur in werkelijkheid ziet op een bedrag van € 600,-.

Voorts heeft het Openbaar Ministerie pas ter zitting stukken met betrekking tot de nieuwe omgevingsvergunning ingebracht, waarbij bovendien niet de volledige vergunning is overgelegd. De verdediging wil de volledige vergunning kunnen bekijken en daarop kunnen reageren.

De officier van justitie heeft zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat voor aanhouding geen aanleiding bestaat.

De rechtbank overweegt het volgende.

Op 12 juni 2018 zijn enkele stukken door het Openbaar Ministerie verstuurd, op verzoek van de raadsman. Dit betreffen prints van afzonderlijke pagina’s van grootboekkaarten die al digitaal (namelijk op een cd-rom) tot het dossier behoorden. Daarmee zijn het naar het oordeel van de rechtbank geen nieuwe stukken. Datzelfde geldt voor het overzicht van volgens het Openbaar Ministerie relevante afvalstromen. Dit overzicht behoorde al tot het procesdossier (pagina 5001386 e.v.). De facturen zijn in dit overzicht in chronologische volgorde vermeld. Dat nadien, op verzoek van de verdediging, een overzicht is gemaakt waarbij de stromen per ontdoener/afnemer zijn vermeld, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat het nieuwe informatie betreft. De gegevens waren al beschikbaar en daarmee voor de verdediging controleerbaar.

Verder heeft de rechtbank gekeken naar de twee door de raadsman genoemde onjuistheden.

De factuur aan [naam 2] met nummer 11060 (gedateerd 5 november 2012 en niet 29 oktober 2012, pagina 5001175), met een totaalbedrag van € 4.552,38, is vermeld op pagina 55 van de grootboekmutaties van [veroordeelde] over 2012 (pagina 5000165 van het dossier). In het overzicht van volgens het Openbaar Ministerie relevante afvalstromen is deze factuur eveneens opgenomen, voor zover het gaat om proceswater (pagina 5001401). Er zijn bedragen vermeld van € 1.049,40, € 1.046,40 en € 1.012,20. Die bedragen komen overeen met de op de factuur vermelde bedragen voor het proceswater.

De factuur aan [naam 3] met nummer 10255 van 18 juni 2012 (pagina 5001082), waarop een totaalbedrag van € 3.736,96 staat, is vermeld op pagina 42 van de grootboekmutaties van [veroordeelde] (pagina 5000161 van het dossier). De in het overzicht van relevante afvalstromen (pagina 5001400) vermelde bedragen van € 1.040,36, € 1.058,34 en € 1.041,60 komen overeen met de in de factuur vermelde bedragen voor het halen van proceswater.

De rechtbank kan de door de raadsman genoemde bedragen niet plaatsen en ook anderszins blijkt niet van een onregelmatigheid. Daarom ziet de rechtbank geen aanleiding het onderzoek te heropenen om de verdediging in de gelegenheid te stellen nader te reageren op de stukken die op 12 juni 2018 door het Openbaar Ministerie zijn toegestuurd.

Met betrekking tot het verzoek tot bestudering van de gehele omgevingsvergunning van 12 april 2018 van de nieuwe inrichting van [naam 4] , waarvan een gedeelte ter zitting door de officier van justitie is overgelegd, overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank heeft te beslissen op de door het Openbaar Ministerie ingediende ontnemingsvordering, waarbij het Openbaar Ministerie uitgaat van een periode van 1 januari 2010 tot en met 25 juni 2014. De rechtbank zal dus moeten beoordelen of veroordeelde in die periode wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Naar het oordeel van de rechtbank is een omgevingsvergunning die is aangevraagd op 29 april 2016 en is afgegeven op 12 april 2018 voor die beoordeling niet relevant. Zelfs al zou het bedrijf dat de inrichting heeft overgenomen dezelfde processen hanteren en zouden de relevante euralcodes nu alsnog zijn vergund, zoals de raadsman stelt, dan doet dit geen afbreuk aan de eerder bewezen verklaarde strafbare gedragingen van veroordeelde.

De rechtbank wijst het verzoek om aanhouding dan ook af en zal het onderzoek niet heropenen.

4 De beoordeling van de vordering

Het strafrechtelijk onderzoek en het vonnis van 4 december 2017

Uit het strafrechtelijk onderzoek (‘WORK’) volgt dat veroordeelde tussen 1 januari 2012 en 25 juni 2014 afval ontving van [naam 3] , [naam 5] (hierna: [naam 5] ) en [naam 2] , met afvalstroomnummers eindigend op 210, 240 en 230, en afval leverde aan [naam 6] , [naam 7] en [naam 8]

In het vonnis van 4 december 2017 is door de rechtbank overwogen dat veroordeelde structureel afval heeft ontvangen van [naam 3] , [naam 5] en [naam 2] dat niet vergund was en dat veroordeelde dat afval vervolgens, ook in strijd met vergunningvoorschriften, heeft gemengd. Daarnaast heeft veroordeelde zich schuldig gemaakt aan het afvoeren van grote hoeveelheden afvalstoffen, die alleen door verbranding verwerkt hadden mogen worden, als een afvalstof die geschikt zou zijn voor gebruik in een biovergister. Dit betreft leveringen aan onder andere [naam 6] , [naam 7] en [naam 8] Ten slotte heeft veroordeelde zich veelvuldig schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift. Deze feiten zijn gepleegd in de periode tussen 4 februari 2012 en 25 juni 2014. Voor de periode na 1 juli 2013 geldt dat sprake is van medeplegen met [medeverdachte] voor zover het gaat om het afvoeren van afvalstoffen en de valsheid in geschrift.

Bij de beoordeling van een ontnemingsvordering geldt als uitgangspunt dat de rechter die daarover moet oordelen, is gebonden aan het oordeel van de rechter in de hoofdzaak. Dit laat onverlet dat aan de rechter die oordeelt over de ontnemingsvordering een zelfstandig oordeel toekomt met betrekking tot alle verweren die betrekking hebben op de vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat (HR 2 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3424).

Veroordeelde heeft naar voren gebracht zich niet te kunnen verenigen met het veroordelend vonnis van de rechtbank. Er zijn ten onrechte verwijten gemaakt omtrent de toepassing van euralcodes. Veroordeelde mocht er op vertrouwen dat er juist werd gehandeld. Bovendien is het milieu niet in gevaar geweest en zijn de ontdoeners en afnemers niet strafrechtelijk vervolgd. Het ging om correcte handel, die gepaard zou zijn gegaan met een onregelmatigheid, aldus de verdediging.

Naar het oordeel van de rechtbank zien deze bezwaren niet op de vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat, zoals bedoeld door de Hoge Raad. De rechtbank heeft zich in het vonnis van 4 december 2017 uitgesproken over het strafbare karakter van het handelen en nalaten van veroordeelde en in hoger beroep zal daar een oordeel over worden gegeven, waarbij zal worden ingegaan op hetgeen in die procedure door de verdediging naar voren wordt gebracht. Voor een verdere bespreking van dit onderdeel van het verweer in de onderhavige procedure ziet de rechtbank dan ook geen reden.

Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel

Op 22 maart 2017 is een rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel1 (hierna: rapport) opgesteld.

In het rapport is vermeld dat de opbrengsten van veroordeelde bestonden uit de vergoeding die werd ontvangen voor de inname van de afvalstromen en de vergoeding die werd ontvangen voor de afgifte van de afvalstromen.

Is sprake van andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door veroordeelde zijn begaan?

De berekening in het rapport ziet op de strafrechtelijk onderzochte afvalstromen. Daarnaast is gekeken naar de overige afvalstromen van deze ontdoeners (met dezelfde afvalstroomnummers) en afnemers in de strafrechtelijke onderzoeksperiode en naar afvalstromen van deze ontdoeners (met dezelfde afvalstroomnummers) en afnemers buiten de strafrechtelijke onderzoeksperiode, namelijk vanaf 1 januari 2010. Het Openbaar Ministerie vindt aannemelijk dat met deze afvalstromen eveneens voordeel is behaald.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat deze conclusie niet inzichtelijk is. Niet alle leveringen van de in de strafzaak relevante leveranciers en afnemers kunnen gelijk worden gesteld met de leveringen waarop de bewezenverklaring in de strafzaak ziet. De verdediging concludeert dat de opbrengsten uit de periode 1 januari 2010-31 december 2011 niet wederrechtelijk zijn. Ook binnen de onderzochte periode zijn er tal van transacties die niet in het strafrechtelijk onderzoek zijn betrokken en ook niet door de rechtbank zijn beoordeeld.

Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door veroordeelde zijn begaan. Uit facturen2 en de meldingen bij het Landelijk Meldpunt Afvalstoffen3 volgt dat er al in 2010 en 2011 afval van [naam 3] , [naam 5] en [naam 2] werd ontvangen met eerdervermelde afvalstroomnummers. In het veroordelend vonnis is geoordeeld dat veroordeelde het afval met deze afvalstroomnummers niet mocht ontvangen. De processen bij deze bedrijven zijn niet veranderd.4 Daarom vindt de rechtbank aannemelijk dat veroordeelde deze afvalstromen ook in 2010 en 2011 niet mocht ontvangen, waarbij nog van belang is dat de vergunning van veroordeelde niet relevant is gewijzigd in de periode voorafgaand aan de aanvangsdatum van de bewezenverklaarde periode (6 februari 2012).5

In 2010 en 2011 hebben ook leveringen aan [naam 8] en [naam 7] plaatsgevonden.6 De rechtbank overweegt dat de door veroordeelde gebruikte benaming ‘emulsie van plantaardig vet en water’ als gevolg van de vervanging van de ‘positieve lijst’ door Bijlage Aa, is veranderd in ‘c.1.12 waterig lecithine-oliemengsel’.7 In het vonnis van 4 december 2017 is geoordeeld dat veroordeelde deze benaming ten onrechte heeft gebruikt en dat in werkelijkheid een afvalstof werd geleverd die deze bedrijven niet mochten ontvangen. De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is dat [naam 8] en [naam 7] tot 6 februari 2012 wel bevoegd waren de door veroordeelde geleverde stof te ontvangen. Dat is door veroordeelde ook niet gesteld.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn er daarom voldoende aanwijzingen om aan te nemen dat veroordeelde ook in 2010 en 2011 strafbare feiten heeft begaan.

Over de transacties die binnen de bewezenverklaarde periode hebben plaatsgevonden, maar niet zijn beoordeeld in het vonnis van 4 december 2017, overweegt de rechtbank het volgende. In het strafrechtelijk onderzoek is een selectie gemaakt van nader te onderzoeken afvalstromen. Er zijn inkomende stromen geselecteerd waarvan de indruk bestond dat deze niet mochten worden ontvangen door veroordeelde, onder de verkeerde euralcode werden geaccepteerd, onder de verkeerde benaming en euralcode werden afgezet, vrij omvangrijk waren en schade aan de co-vergister dan wel het milieu opleverden.

Ook zijn uitgaande stromen geselecteerd waarvan de indruk bestond dat deze niet door veroordeelde geproduceerd konden worden, onder de verkeerde euralcode werden afgezet, onder de verkeerde benaming werden afgezet, vrij omvangrijk waren, mogelijk schade aan het milieu zouden opleveren en waarvan er geen EVOA-melding was gedaan.8

Uiteindelijk is nader onderzoek verricht naar inkomende stromen van [naam 3] , [naam 5] en [naam 2] en naar afvalstromen die door veroordeelde zijn geleverd aan [naam 6] , [naam 7] en [naam 8] .

In het strafrechtelijk onderzoek zijn per ontdoener per jaar (2012, 2013 en 2014 tot en met 25 juni 2014) drie stromen volledig uitgewerkt.9 Die stromen zijn door de rechtbank ook beschreven in het vonnis van 4 december 2017.

In het kader van de ontnemingsvordering is enkel gekeken naar de afvalstromen van de in het strafrechtelijk onderzoek geselecteerde bedrijven; stromen van en naar andere bedrijven zijn buiten beschouwing gebleven. Naar het oordeel van de rechtbank betekent de enkele omstandigheid dat er in het strafrechtelijk onderzoek voor is gekozen om niet alle inkomende en uitgaande afvalstromen van deze bedrijven te onderzoeken, niet dat deze niet relevant zijn bij de beoordeling van de ontnemingsvordering. Door veroordeelde is niet (gemotiveerd) betoogd dat, anders dan bij de strafrechtelijk onderzochte afvalstromen, bij de niet onderzochte stromen wél aan geldende wet- en regelgeving werd voldaan. Het is de rechtbank ook niet gebleken dat de onderzochte stromen de uitzonderingen op de regel waren. Dit betekent dat er naar het oordeel van de rechtbank voldoende aanwijzingen zijn om aan te nemen dat er in 2012, 2013 en 2014 meer strafbare feiten zijn begaan dan er in het vonnis van 4 december 2017 zijn beoordeeld en bewezen zijn verklaard.

De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat ook de transacties uit 2010 en 2011 en de transacties uit de periode tussen 1 januari 2012 en 25 juni 2014 die niet expliciet zijn beoordeeld in het veroordelend vonnis, relevant zijn bij de beoordeling van de ontnemingsvordering als zij op gelijke wijze werden uitgevoerd.

Daarbij is wel van belang dat onder andere de financiële en administratieve activiteiten en het transport op 1 juli 2013 zijn overgegaan van veroordeelde naar [medeverdachte] .10 In de berekening van het Openbaar Ministerie is daarom gekeken naar de opbrengsten en kosten van veroordeelde in de periode van 1 januari 2010 tot en met 30 juni 2013.

De opbrengsten van veroordeelde

Veroordeelde ontving inkomsten uit zowel de inname als de afgifte van afvalstoffen. Van de bedrijven [naam 3] (afvalstroomnummer 05wu30000210), [naam 2] (afvalstroomnummer 05wu30000230) en [naam 5] (afvalstroomnummer 05wu30000240) werd afval ontvangen, waarvan in het vonnis van 4 december 2017 is geoordeeld dat veroordeelde dit niet mocht ontvangen. Ook werd er onder de onjuiste naam “waterig lecithine-oliemengsel” afval geleverd aan bedrijven die niet bevoegd waren dat te ontvangen. Dit betreft leveringen aan [naam 8] (euralcode 02.03.99, C.1.12 waterig lecithine-oliemengsel), [naam 7] (euralcode 02.03.99, emulsie van plantaardig olie en vet dan wel C.1.12 waterig lecithine-oliemengsel) en [naam 6] (euralcode 02.03.99, C.1.12 waterig lecithine-oliemengsel).11

In het rapport is beschreven dat per factuur is gekeken naar de vrachten die betrekking hebben op deze afvalstroomnummers/omschrijvingen. De relevante vrachten en bedragen zijn opgenomen in een afzonderlijk bestand.12 Vervolgens is een overzicht gemaakt van de inkomsten per debiteur per jaar.13

Aan de hand daarvan heeft de rechtbank de volgende tabellen opgesteld van de inkomsten per ontdoener en de inkomsten per afnemer:

Bedrijf

2010

2011

2012

t/m juni 2013

Totaal

[naam 3]

535.638,03

228.304,25

103.309,31

57.404,36

924.655,95

[naam 2] BV

107.555,70

94.282,05

90.220,20

41.154,45

333.212,40

[naam 5] BV

5.041,08

15.611,92

9.917,24

20.610,29

51.180,53

648.234,81

338.198,22

203.446,75

119.169,10

1.309.048,88

Bedrijf

2010

2011

2012

t/m juni 2013

Totaal

[naam 8] BV

190.216,85

206.124,05

122.998,25

49.461,64

568.800,79

J.C. [naam 7]

88.753,-

95.272,25

121.612,40

50.325,43

355.963,08

[naam 6] VOF

0

0

5.813,50

13.812,75

19.626,25

278.969,85

301.396,30

250.424,15

113.599,82

944.390,12

De totale (relevante) opbrengst van veroordeelde per jaar bedraagt € 927.204,66 (2010),

€ 639.594,52 (2011), € 453.870,90 (2012) en € 232.768,92 (tot en met 30 juni 2013). In totaal is dit een bedrag van € 2.253.439,-.

Door de verdediging is betoogd dat de meerwinst zou moeten worden berekend; het prijsverschil dat door het vermeend onjuist vermelden van euralcodes zou zijn bewerkstelligd versus de situatie waarin de door het Openbaar Ministerie genoemde euralcodes wel zouden zijn gehanteerd.

De rechtbank is van oordeel dat de verdediging dit punt onvoldoende concreet heeft onderbouwd. Ook de twee ter zitting door de raadsman genoemde vermeende onjuistheden vormen geen reden om niet uit te gaan van bovenstaande berekening, nu bij bestudering van het dossier niet is gebleken van een onregelmatigheid.

De door veroordeelde gemaakte kosten

Zoals volgt uit jurisprudentie van de Hoge Raad (bijvoorbeeld HR 5 februari 2008, NJ 2008/288) kunnen bij de bepaling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel slechts de kosten die in directe relatie staan tot het delict, gelden als kosten die voor aftrek in aanmerking komen.

In de berekening die in het rapport is gemaakt, is rekening gehouden met kosten voor huur van vervoermiddelen van [naam 9] , loonkosten van eigen chauffeurs, transport door derden, kosten van inhuur chauffeurs extern, brandstofkosten en energiekosten productieruimte. Volgens de opstellers van het rapport staan deze kosten in directe relatie tot de voltooiing van de delicten.

Omdat de berekening niet ziet op alle activiteiten van veroordeelde is in het rapport een verhoudingsgetal gehanteerd. Daarbij is uitgegaan van de informatie van het Landelijk Meldpunt Afvalstoffen (hierna: LMA) over de omvang van de onderzochte afvalstromen in kilogrammen, afgezet tegen de totale omvang van de ingenomen en afgegeven afvalstromen in kilogrammen, ook weer op basis van informatie van het LMA.14 Dit levert per jaar een percentage onderzochte ‘foute’ afvalstromen van het totaal aan afvalstromen. Over 2010 gaat het dan om 23,4%, over 2011 om 22,9%, over 2012 om 16,9% en over 2013 (tot en met 30 juni 2013) om 18,7%.15

De verdediging heeft de percentages op zich niet betwist, maar heeft zich op het standpunt gesteld dat deze percentages moeten worden toegepast op alle kosten van veroordeelde en niet alleen op de zes posten die in het rapport worden genoemd. Daarnaast heeft de verdediging naar voren gebracht dat de kosten per transactie hoger waren dan gemiddeld. Gekeken zou moeten worden naar de werkelijke kostprijs van de ritten.

Ten aanzien van dit laatste punt overweegt de rechtbank dat dit onvoldoende concreet is onderbouwd door de verdediging. Niet is vermeld wat dan de kostprijs per kilometer zou moeten zijn.

Met betrekking tot het hanteren van percentages en de aftrek van kosten overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank zal de hierboven vermelde percentages hanteren, maar daarbij wel uitgaan van meer kostenposten dan het Openbaar Ministerie heeft gedaan. Hierbij is van belang dat het in gevallen als het onderhavige moeilijk exact te bepalen is welke (vaste) kosten in directe relatie tot de delicten staan. Daarom zal de rechtbank, in het voordeel van veroordeelde, uitgaan van de kostenposten en bijbehorende bedragen die in de winst- en verliesrekeningen zijn vermeld. Dit betreft lonen en salarissen, sociale lasten, overige personeelskosten, afschrijvingen materiële vaste activa, huisvestingskosten, bedrijfskosten, verkoopkosten, kosten vervoermiddelen, kantoorkosten en algemene kosten. Op het overzicht dat door het Openbaar Ministerie is opgesteld (pagina 5001590) staan deze kosten vermeld onder de vetgedrukte kopjes personeelskosten, afschrijving inventaris, exploitatiekosten, kosten transport, kantoor- en kantinekosten en algemene kosten.16

Over 2010 bedragen deze kosten € 1.997.17017. Ten aanzien van 2011 gaat het om een bedrag van € 1.486.607,-.18 De kosten over 2012 bedragen € 1.575.926,-19 en over 2013

€ 875.937,-.20

Met toepassing van de eerder vermelde percentages komt de rechtbank tot de conclusie dat de volgende bedragen in mindering moeten worden gebracht op de opbrengst van veroordeelde:

2010: 23,4% van € 1.997.170,- = € 467.337,78

2011: 22,9% van € 1.486.607,- = € 340.433,-

2012: 16,9% van € 1.575.926,- = € 266.331,49

2013: 18,7% van € 875.937,- = € 163.800,22

Het wederrechtelijk verkregen voordeel

Met inachtneming van het bovenstaande stelt de rechtbank vast dat het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat op de volgende bedragen:

2010: € 927.204,66 minus € 467.337,78 = € 459.866,88

2011: € 639.594,52 minus € 340.433,- = € 299.161,52

2012: € 453.870,90 minus € 266.331,49 = € 187.539,41

2013: € 232.768,92 minus € 163.800,22 = € 68.968,70

Dit betekent dat de rechtbank vaststelt dat het totale wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat op € 1.015.536,50. Omdat geen draagkrachtverweer is gevoerd, legt de rechtbank veroordeelde de verplichting op dat bedrag aan de staat te betalen.

5 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

6 De beslissing

De rechtbank:

- stelt vast het bedrag waarop het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, te weten een bedrag van € 1.015.536,50 (één miljoen vijftienduizend vijfhonderdzesendertig euro en vijftig cent);

- legt veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 1.015.536,50 (één miljoen vijftienduizend vijfhonderdzesendertig euro en vijftig cent).

Aldus gegeven door mr. G.M.L. Tomassen, voorzitter, mr. G. Noordraven en

mr. J.B.J. Driessen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C. Korevaar, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 oktober 2018.

mr. Tomassen en mr. Driessen zijn buiten

staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

1 Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 22 maart 2017, Politie Eenheid Oost-Nederland, dienst Regionale recherche.

2 Factuur aan [naam 3] van 18 januari 2010 (afval vallend onder afvalstroomnummer 05wu30000210 is opgehaald op 13 januari 2010), p. 5000378; factuur aan [naam 2] van 18 januari 2010 (afval vallend onder afvalstroomnummer 05wu30000230 is opgehaald op onder andere 13 januari 2010), p. 5000379; factuur aan [naam 5] van 1 maart 2010 (afval vallend onder afvalstroomnummer 05wu30000240 is opgehaald op 23 februari 2010), p. 5000412.

3 Proces-verbaal met bijlagen, p. 5000068-5000074.

4 Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, p. 11-12, in samenhang met de rapporten van het NFI over de procesbeschrijvingen van [naam 3] (p. 5000075-5000083), [naam 5] (p. 5000084-5000093) en [naam 2] (p. 5000094-5000105).

5 Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, p. 12, in samenhang met het proces-verbaal van verdenking, p. 5000115.

6 Factuur aan [naam 8] van 18 januari 2010 (op onder meer 2 januari 2010 is geleverd emulsie van plantaardig vet en water), p. 5000376; factuur aan [naam 7] van 18 januari 2010 (op onder meer 6 januari 2010 is geleverd emulsie van plantaardig vet en water), p. 5000380 en het proces-verbaal met bijlagen, p. 5000068-5000074.

7 E-mail van [naam 10] van 17 mei 2010 aan [naam 7] , p. 5000120.

8 Proces-verbaal van bevindingen (selectie stromen), p. 5000064-5000065.

9 Algemeen overzicht van het opsporingsonderzoek, p. 5000006-5000007.

10 Brief van [veroordeelde] van 26 juni 2013, p. 5000024 en proces-verbaal van bevindingen, p. 5000029-5000030.

11 Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, p. 11 en p. 14.

12 Bijlage 29, p. 5001386-5001404.

13 Bijlage 30, p. 5001406.

14 Berekening verhoudingsgetal in kilogrammen ontdoeners, p. 5001407-5001414 en Berekening verhoudingsgetal in kilogrammen afnemers, p. 5001415-5001418.

15 Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, p. 17.

16 Overzicht kosten, ontleend aan de jaarrekeningen en de saldibalans over 2014, p. 5001590.

17 Winst- en verliesrekening [veroordeelde] 2010, p. 5001425.

18 Winst- en verliesrekening [veroordeelde] 2011, p. 5001444.

19 Winst- en verliesrekening [veroordeelde] 2013, p. 5001481 en het proces-verbaal mbt analyse winst- en verliesrekening [veroordeelde] BV 2012, p. 5002268-5002271.

20 Winst- en verliesrekening [veroordeelde] 2013, p. 5001481.