Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:4467

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
01-10-2018
Datum publicatie
17-10-2018
Zaaknummer
331543 / HA RK 18-3
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Deelgeschil. Letselschade door delay na hartinfarct. Aansprakelijkheid gegrond op wanprestatie in reisovereenkomst, art. 7:507 BW. Aan nachtportier van een hotel te stellen eisen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0838
JA 2019/26 met annotatie van Kruijswijk Jansen, J.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rekestnummer: C/05/331543 / HA RK 18-3 / 103 / 512

Beschikking van 1 oktober 2018

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te Burkina Faso,

verzoekster,

advocaat mr. L.T.G. van Engelen te Wageningen,

tegen

de stichting

STICHTING ICRA,

gevestigd te Wageningen,

verweerster,

advocaat mr. J.M. Bruidegom te Den Haag.

De partijen worden verder [verzoekster] en ICRA genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift

  • -

    het verweerschrift

  • -

    de faxberichten met bijlagen van [verzoekster] van 25 juni 2018

  • -

    de e-mail met bijlagen van ICRA van 25 juni 2018

  • -

    de mondelinge behandeling. Verschenen zijn mr. Van Engelen voornoemd, [contactpersoon verzoekster] , contactpersoon van [verzoekster] in Nederland en voormalig medewerker van ICRA, die als informant is verschenen, mr. S.C. Fleer, officemanager van ICRA, mr. Flendré, juridisch medewerker van Nationale Nederlanden en mr. Bruidegom voornoemd. Mr. Van Engelen heeft het standpunt van zijn cliënte mede aan de hand van pleitnotities uiteen gezet.

2 De feiten

2.1.

ICRA is een afkorting van International Centre for development oriented Research in Agriculture.

2.2.

In 2014 was [verzoekster] als landbouwonderzoeker werkzaam voor de Burkinese overheid. Zij heeft toen een NFP(Netherlands Fellowship Programmes)-beurs verkregen van Nuffic (de Nederlandse organisatie voor internationalisering in onderwijs) waarmee zij is toegelaten tot een drieweekse landbouwcursus van ICRA in Wageningen.

2.3.

Bij e-mail van 5 september 2014 heeft ICRA aan [verzoekster] het verkrijgen van de beurs en de toelating tot de cursus als volgt bevestigd:

Onderwerp: Lettre ICRA - NFP et Demande de visa: Programme « Concevoir et Gérer l’Apprentissage Interactif, la Recherche-Action et le Services aux Communautés dans l’Enseignement Supérieur »

Bijlagen: [verzoekster] NUFFIC ICRA Adm Ltr.doc

Madame,

Je vous remercie de votre message de ce jour et vous confirme effectivement avec plaisir qu’une bourse NFP vous a été accordée pour le programme ICRA cité en référence.

Vous trouverez ci-joint une lettre â propos de cette attribution et de votre admission à l’ICRA. Merci de bien vouloir nous confirmer à nouveau votre participation à notre programme, au plus tard le 10 Septembre.

Par ailleurs, vous devez savoir que les Pays-Bas n’ont plus de services consulaires à Ouagadougou. L’obtention de votre visa devra se faire par l’Ambassade des Pays-Bas à Bamako. Nous vous recommandons vivement de les contacter et de vérifier avec eux les démarches à suivre pour lesquelles nous vous fournirons les documents nécessaires.

Vous devrez au moins joindre les documents suivants:

1. La lettre de I’ICRA confirmant l’octroi de la bourse (ci-jointe)

2. Un formulaire de demande de visa et des photos d’identité.

3. Une assurance médicale pour la durée de votre séjour (souscrite par l’ICRA)

4. Un certificat d’hébergement (réservation d’hôtel faite par l’ICRA)

5. Votre billet international aller-retour par avion. Nous ferons une réservation en classe économique pour la période du programme. Si vous souhaitez rester plus longtemps, merci de nous le faire savoir avec votre confirmation. Vous noterez que la bourse ne couvre que la période du programme. Toutes les dépenses liées à une extension de votre séjour seront à votre charge.

2.4.

In de bij deze e-mail gevoegde brief van ICRA aan [verzoekster] van 4 september 2014 staat onder meer:

J’ai le plaisir de vous informer qu’une bourse vous a été accordée par le Programme néerlandais NFP, financé par le gouvernement néerlandais. Cette bourse vous permet de participer au programme “Concevoir et Gérer l’Apprentissage Interactif, la Recherche-Action et les Services aux Communautés dans l’Enseignement Supérieur”, organisé par I’ICRA (Centre International pour la Recherche Agricole orientée vers le développement) à Wageningen, Pays-Bas, du 27 Octobre au 14 Novembre 2014.

Elle est soumise à la réglementation du programme néerlandais NFP. Si vous l’acceptez, cela signifie que vous avez lu cette réglementation et que vous êtes disposée à vous y conformer comme vous l’avez indiqué dans votre formulaire de candidature NFP.

Elle comprend:

1. L’intégralité des frais de formation, y compris les documents pédagogiques,

2. Votre billet international aller-retour par avion (organisé par l’ICRA),

3. Les frais de visa demandés par l’Ambassade des Pays-Bas,

4. L’aller-retour en train et bus de l’Aéroport d’Amsterdam à Wageningen (organisé par l’ICRA),

5. Une assurance médicale, contractée par l’ICRA pour la durée de la formation,

6. L’hébergement en pension complète à l’Hôtel The Hof van Wageningen, pendant 3 semaines, et une allocation de 5,50 EUR/jour pour menues dépenses,

7. Une allocation personnelle de 15,00 EUR/mois,

8. Une allocation pour matériel didactique de 15,00 EUR/mois.

Nous avons été informés par Nuffic que vous étiez disponible et aviez accepté la bourse.

2.5.

ICRA heeft via reisagent VX Reizen op kosten van Nuffic voor [verzoekster] een vliegticket naar Nederland geboekt. Medewerkers van ICRA hebben het daarheen geleid dat de vliegtickets van medecursisten van [verzoekster] door reisagent VX Reizen werden omgeboekt.

2.6.

Bij brief van 24 oktober 2014 heeft ICRA [verzoekster] welkom geheten in Wageningen en haar onder meer geïnformeerd over de contactgegevens van de huisartsen, de apotheek, en de tandarts in de stad, over de contactgegevens van het ziekenhuis in Ede en over het noodnummer 112.

2.7.

[verzoekster] verbleef tijdens de cursus in het hotel Hof van Wageningen. In de nacht van 1 op 2 november 2014 voelde [verzoekster] zich niet goed. Zij heeft toen [medecursist A] , die ook in het hotel verbleef, telefonisch te hulp geroepen. [medecursist A] heeft [verzoekster] in haar kamer opgezocht en heeft zich daarna, omstreeks 2.30 uur, bij de receptie van het hotel met de nachtportier verstaan over de conditie van [verzoekster] . Beelden van het gesprek tussen [medecursist A] , die Frans spreekt en geen Nederlands of Engels, en de nachtportier zijn - zonder geluid - opgenomen door de bewakingscamera van het hotel. De portier heeft de situatie van [verzoekster] niet zelf opgenomen of medische hulp ingeroepen om dat te doen. [medecursist A] is vervolgens teruggekeerd naar [verzoekster] en heeft zijn vrouwelijke [medecursist B] erbij geroepen. [medecursist A] en [medecursist B] hebben twee maal vergeefs getracht [contactpersoon verzoekster] te bereiken. [medecursist B] heeft gedurende de rest van de nacht [verzoekster] vergezeld in haar kamer. In de ochtend is receptioniste [receptioniste C] bij [verzoekster] gaan kijken. Toen bleek dat [verzoekster] verlammingsverschijnselen had heeft [receptioniste C] contact opgenomen met de huisartsenpost, die een ambulance zou sturen. [receptioniste C] heeft nadien zelf 112 gebeld en gevraagd om een ambulance. [verzoekster] is vervolgens met de ambulance naar het ziekenhuis gebracht. Daar is een herseninfarct geconstateerd, waarvoor [verzoekster] is behandeld. In zijn brief van 11 november 2014 heeft neurolog Smidt vermeld dat na aankomst in het ziekenhuis geen antistollingsmiddelen zijn toegediend omdat toen meer dan vier uren waren verstreken na het begin van de klachten.

2.8.

Op 14 november 2014 is [verzoekster] uit het ziekenhuis ontslagen en naar Burkina Faso teruggekeerd. Ook na revalidatie inspanningen resteren thans gezondheidsklachten als gevolg van het infarct. Haar mobiliteit is beperkt, onder meer omdat zij zelf geen auto meer kan rijden, en bij haar persoonlijke verzorging en in de huishouding heeft zij ondersteuning nodig. [verzoekster] heeft na het infarct ander werk gekregen waarmee zij minder verdient. Zij heeft de kosten van haar medische behandeling in Burkina Faso volledig zelf moeten dragen.

2.9.

ICRA is tegen aansprakelijkheid verzekerd bij Nationale Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V.

3 Het geschil

3.1.

Het verzoek strekt ertoe dat de rechtbank op de voet van art. 1019w e.v. Rv,

1. voor recht zal verklaren dat de tussen partijen gesloten overeenkomst is aan te merken als een reisovereenkomst in de zin van art. 7:500 BW en richtlijn 90/314 EG, en

2. voor recht zal verklaren dat ICRA aansprakelijk is voor alle door verzoekster geleden en nog te lijden schade voortvloeiende uit het feit dat niet tijdig adequate medische hulp is ingeschakeld in de nachtelijke uren van 2 november 2014,

met veroordeling van ICRA in de kosten van de procedure met inachtneming van de kosten van rechtsbijstand.

3.2.

Aan haar verzoek legt [verzoekster] kort gezegd ten grondslag dat ICRA in de zin van art. 7:507 lid 1 BW is tekortgeschoten in de reisovereenkomst die [verzoekster] met ICRA is aangegaan en uit dien hoofde op de voet van lid 2 van deze bepaling schadeplichtig is, althans dat ICRA jegens [verzoekster] onrechtmatig heeft gehandeld en uit dien hoofde tot schadevergoeding is gehouden, in beide gevallen omdat de nachtportier niet adequaat heeft gehandeld en ICRA zelf in de nachtelijke uren onbereikbaar was. Deze onzorgvuldigheid heeft tot vertraging en daarom tot een ongunstiger resultaat van de medische behandeling van [verzoekster] geleid, althans haar is door deze onzorgvuldigheid de kans op een beter resultaat ontnomen, aldus [verzoekster] .

3.3.

ICRA voert verweer.

4 De beoordeling

4.1.

In dit geding met internationale aspecten heeft deze rechtbank rechtsmacht op grond van art. 4 lid 1 van de herschikte EEX-Verordening (nr. 1215/2012), mede gelet op HvJ EG 13 juli 2000, NJ 2003/597.

4.2.

In de eerste plaats is in geschil of [verzoekster] en ICRA een reisovereenkomst hebben gesloten in de zin van Titel 7A boek 7 BW. Het geschil spitst zich toe op de vraag of ICRA aan [verzoekster] een reis heeft aangeboden en daarom als reisorganisator heeft te gelden in de zin van art. 7:500 lid 1 aanhef en onder a BW, en voorts of ICRA zich naast verblijf in hotel Hof van Wageningen ook heeft verbonden tot het verschaffen van vervoer in de vorm van de retourvlucht naar Nederland zodat aan sub b van deze bepaling is voldaan. In dit verband geldt het volgende.

4.3.

Vast staat dat Nuffic aan [verzoekster] reeds een beurs had verstrekt toen ICRA [verzoekster] de brief en e-mail van 4 en 5 september 2014 stuurde. In deze correspondentie is aan [verzoekster] , ter besteding van deze beurs, een combinatie van diensten aangeboden, waaronder de cursus, de accommodatie en de vlucht die door ICRA zouden worden georganiseerd. ICRA was bovendien degene die dit pakket aan diensten feitelijk samenstelde, fungeerde voor [verzoekster] als contactpersoon en verzorgde de feitelijke organisatie van de diensten. Naar het oordeel van de rechtbank dient ICRA daarom jegens [verzoekster] als aanbieder van een reis te worden beschouwd en als reisorganisator in de zin van art. 7:500 lid 1 aanhef en onder a BW.

4.4.

Vast staat verder dat [verzoekster] het aanbod van ICRA heeft aanvaard. De vraag is vervolgens of aldus een reisovereenkomst tot stand is gekomen in de zin van art. 7:500 lid 1 aanhef en onder b BW. Nu het aanvaarde aanbod zowel het onderkomen als de vlucht betrof, en dus de diensten vervoer en verblijf omvatte, dient deze vraag in beginsel bevestigend te worden beantwoord. Hieraan doet niet af dat ICRA jegens Nuffic gehouden was de vlucht te organiseren. Nuffic heeft met de organisatie van de vlucht geen bemoeienis gehad. Nuffic heeft alleen voor [verzoekster] aan ICRA de kosten van de vlucht betaald, waartoe Nuffic jegens [verzoekster] gehouden was uit hoofde van de verstrekte beurs. Het was ICRA die zich jegens [verzoekster] tot het verschaffen van vervoer heeft verbonden en zij heeft zich ook van deze verplichting gekweten. De conclusie is dat [verzoekster] en ICRA een reisovereenkomst zijn aangegaan in de zin van in de zin van art. 7:500 BW en richtlijn 90/314 EG. De rechtbank zal dit voor recht verklaren, zoals [verzoekster] heeft verzocht.

4.5.

Vervolgens is de vraag of de reis niet is verlopen overeenkomstig de verwachtingen die [verzoekster] op de grond van de reisovereenkomst redelijkerwijs mocht hebben (art. 7:507 lid 2 BW), zoals [verzoekster] stelt en ICRA betwist. Ter invulling van deze open norm stelt [verzoekster] in de eerste plaats dat zij op grond van de reisovereenkomst redelijkerwijs mocht verwachten dat de reis op zodanige wijze was georganiseerd dat de nachtportier van het hotel waar werd verbleven in geval van een roep om acute medische hulp meteen een arts te hulp zou roepen, dan wel zichzelf van de situatie op de hoogte zou stellen. In dit geval komt de rechtbank een dergelijke verwachting juist voor. Zeker een portier van een hotel waar geregeld buitenlandse gasten uit Afrikaanse landen verblijven, dient in een dergelijke situatie zelf actie te ondernemen en [verzoekster] mocht er redelijkerwijs van uitgaan dat dit ook gold voor de nachtportier van het hotel waarin zij zou verblijven. Of [medecursist A] om acute medische hulp heeft geroepen én of dat voor de portier duidelijk was of redelijkerwijs moest zijn, althans of de portier redelijkerwijs zonder nader onderzoek niet van iets anders mocht uitgaan, is evenwel in geschil. In dat verband is het volgende van belang.

4.6.

Dat een gast midden in de nacht om een arts vraagt is op zichzelf nog niet een roep om acute medische hulp, ook niet als dit verzoek wordt gedaan door iemand die geen Nederlands of Engels spreekt. Van belang is wat [medecursist A] precies tegen de portier heeft gezegd, althans wat de portier daaruit redelijkerwijs heeft moeten opmaken. Voorstelbaar is dat de portier daarop, ondanks de feitelijke ernst van de situatie van [verzoekster] , toch passend heeft gereageerd. ICRA heeft, onder meer met een beroep op schriftelijke verklaringen van de portier, betwist dat [medecursist A] zich zodanig jegens de portier heeft uitgelaten dat de portier moest begrijpen dat acuut ingrijpen geboden was of dat tenminste nader onderzoek verlangd mocht worden. Uit de (geluidloze) beelden van het gesprek tussen [medecursist A] en de portier, die de rechtbank ter zitting heeft bekeken, blijkt niet zonder meer van de juistheid van deze stelling van [verzoekster] . Voordat inhoudelijk op het tweede verzoek kan worden beslist zal [verzoekster] derhalve bewijs van haar stelling moeten kunnen leveren, ook voor zover het tweede verzoek op onrechtmatige daad is gebaseerd. De investering in tijd en geld die met deze nadere instructie, hoogstwaarschijnlijk in de vorm van getuigenverhoren, gepaard zal gaan weegt naar het oordeel van de rechtbank niet op tegen het belang van de vordering ten gronde en de bijdrage die een beslissing kan leveren aan de totstandkoming van een minnelijke regeling. Voor zover de verzochte tweede verklaring voor recht erop is gebaseerd dat de portier niet adequaat heeft gereageerd zal het worden afgewezen op de voet van art. 1019z Rv.

4.7.

Ter invulling van de hiervoor bedoelde open norm heeft [verzoekster] verder aangevoerd dat zij op grond van de reisovereenkomst redelijkerwijs mocht verwachten dat ICRA ervoor zou zorgdragen dat altijd een van haar medewerkers in geval van nood in de nachtelijke uren te hulp geroepen kon worden. Deze verwachting acht de rechtbank niet reëel. [verzoekster] en de andere cursisten beschikten over de telefoonnummers van medewerkers van ICRA. ICRA hoefde niet erin te voorzien dat ieder van hen ook in de nachtelijke steeds daadwerkelijk de telefoon zou opnemen of dat er altijd tenminste een, bij de cursisten bekende, daadwerkelijk bereikbare medewerker zou zijn. Voor hulp in spoedeisende situaties kon [verzoekster] zich verlaten op de noodhulpdiensten die altijd, zo nodig met de hulp van anderen zoals de nachtportier, via 112 te bereiken zouden zijn. Ook op deze grondslag kan het tweede verzoek niet worden toegewezen.

4.8.

[verzoekster] heeft ten slotte verzocht op de voet van art. 1019aa lid 1 Rv 15 uur aan werkzaamheden van haar advocaat te begroten tegen een uur tarief van € 220,00 exclusief 5% kantoorkosten en btw. De door ICRA verlangde specificatie van de tijdsbesteding heeft [verzoekster] bij faxbericht van 25 juni 2018 verschaft. De redelijkheid van het uurtarief en van de bestede tijd heeft ICRA niet meer (concreet) betwist, zodat daarvan wordt uitgegaan. Begroting van kantoorkosten is niet aan de orde. Betwist is dat deze kosten zijn gemaakt en [verzoekster] heeft niet meer toegelicht waarop deze kosten zien. De begroting sluit dan op een bedrag van € 4.284,00 (€ 220,00 × 15 + 21% btw + € 291,00 griffierecht) Voor een veroordeling tot betaling van de aldus begrote kosten bestaat geen grond nu niet vast staat dat ICRA voor de gestelde schade aansprakelijk is.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat de tussen partijen gesloten overeenkomst is aan te merken als een reisovereenkomst in de zin van art. 7:500 BW en richtlijn 90/314 EG,

5.2.

begroot de kosten bij de behandeling van dit verzoek aan de zijde van [verzoekster] op € 4.284,00.

5.3.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. T.P.E.E. van Groeningen en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2018.