Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:4441

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
15-10-2018
Datum publicatie
16-10-2018
Zaaknummer
05/740038-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Gelderland heeft een 29 jarige man uit Tiel vrijgesproken van het plegen van ontucht met een minderjarige. De man zou op 5 mei 2016 ontuchtige handelingen hebben verricht met een toen 14 jarig meisje. De rechtbank heeft op grond van de wettige bewijsmiddelen en het onderzoek ter terechtzitting niet de overtuiging dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het hem tenlastegelegde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/740038-18

Datum uitspraak : 15 oktober 2018

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1988 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] , [woonplaats] .

Raadsvrouw: mr. G.A.H.M. Steenbakkers, advocaat te Naarden.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 01 oktober 2018.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 05 mei 2016 te Culemborg, in ieder geval in Nederland, met [slachtoffer] , geboren op 25 juli 2001, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit

het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten het brengen van zijn penis in haar mond en/of het brengen van één of meer van zijn vingers in haar vagina.

2 Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van de ten laste gelegde ontuchtige handelingen en heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Het slachtoffer (hierna: [slachtoffer] ) was ten tijde van het plegen van het feit 14 jaar. Verdachte was toen 27 jaar. Het dossier bevat verschillende verklaringen van [slachtoffer] , opgenomen in zowel een drietal processen-verbaal van bevindingen als een proces-verbaal van getuigenverhoor. In laatstgenoemd proces-verbaal verklaart zij dat zij zich herinnert dat verdachte haar in een studio gevingerd heeft en dat zij verdachte heeft gepijpt. Ook weet [slachtoffer] zich te herinneren dat verdachte zijn broek open had en dat hij haar onderbroek kapot scheurde. Volgens de officier van justitie blijkt uit deze verklaring dat [slachtoffer] zich duidelijk bepaalde details kan herinneren.

Ter ondersteuning van de verklaring van [slachtoffer] noemt de officier van justitie als eerste de verklaring van [getuige 1] . [getuige 1] heeft verklaard dat hij heeft gezien dat verdachte [slachtoffer] heeft geneukt, gebeft en gevingerd. De officier van justitie acht deze verklaring geloofwaardig. Ten tweede is ondersteuning voor de verklaring van [slachtoffer] te vinden in de verklaringen van de vriendin van [slachtoffer] , [getuige 2] , en haar moeder, die [slachtoffer] kort na het gebeuren hebben gezien en gesproken. Volgens hen was [slachtoffer] overstuur en was zij suffig. Bovendien bevat het dossier een proces-verbaal van bevindingen inhoudende een WhatsApp gesprek tussen [slachtoffer] en [getuige 3] , die ook aanwezig was in de desbetreffende studio op 5 mei 2016. In dit WhatsApp gesprek bevestigt [getuige 3] volgens de officier van justitie, dat hij heeft gezien dat [slachtoffer] verdachte bevredigd heeft met de mond. Tot slot is de omstandigheid dat [slachtoffer] na haar bezoek in de studio, volgens haar verklaring, geen onderbroek meer aan had een bevestiging van haar verklaring daaromtrent.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit.

Beoordeling door de rechtbank

Niet ter discussie staat dat verdachte op 5 mei 2016 in de studio van [getuige 3] in Culemborg was. Ook staat vast dat [slachtoffer] en [getuige 1] daar op dat moment ook aanwezig waren. Tot slot volgt uit de verklaringen van [slachtoffer] en [getuige 1] dat [slachtoffer] , terwijl zij in de studio was, meerdere alcoholhoudende dranken heeft genuttigd.

Kort nadat [slachtoffer] de studio heeft verlaten, heeft zij vrijwillig seks gehad met [getuige 1] . Zij is vervolgens naar huis gegaan, waarna zij contact heeft opgenomen met een vriendin, die daarop [getuige 2] heeft benaderd. In een door [slachtoffer] aan [getuige 2] verzonden spraakbericht klonk [slachtoffer] , aldus [getuige 2] , overstuur. [slachtoffer] vertelde aan [getuige 2] dat zij van [getuige 1] had gehoord dat zij seks zou hebben gehad met twee mannen. Tegen [getuige 2] heeft [slachtoffer] verteld dat zij alcoholhoudende dranken heeft gedronken en dat ze zich daarna niks meer kon herinneren. [getuige 2] vond [slachtoffer] suf. Toen [slachtoffer] bij [getuige 2] was, was zij heel erg aan het huilen en aan het hyperventileren. Op het moment dat de moeder van [slachtoffer] binnenkwam was [slachtoffer] , aldus [getuige 2] , ineens heel anders.

[getuige 4] , de moeder van [getuige 2] , heeft [slachtoffer] naar haar woning gebracht. [slachtoffer] was toen heel overstuur, ze was aan het trillen en ze was versuft. Toen haar moeder kwam viel ze stil volgens [getuige 4] . Toen haar gevraagd werd wat er gebeurd was vertelde [slachtoffer] “Ze zeggen dat ik seks heb gehad met twee mannen.” [slachtoffer] verklaarde dat ze alcoholhoudende drank had gedronken.

[slachtoffer] is gehoord tijdens een informatief gesprek zeden op 6 mei 2016 te 00:00 uur, dat wil zeggen enkele uren na haar bezoek aan de studio in Culemborg, in welk gesprek zij heeft verklaard dat zij cola-whisky had gedronken en dat ze na het derde glas niet meer weet wat er is gebeurd. Als ze later gaat plassen (in het natuurgebied “ [naam] ”) merkt ze dat ze haar onderbroek niet meer draagt. Ze zegt dat ze van [getuige 1] heeft gehoord dat verdachte haar anaal heeft genomen en hem heeft gepijpt.

De rechtbank is van oordeel dat uit deze drie verklaringen, die [slachtoffer] kort na het bezoek aan de studio in Culemborg heeft afgelegd, volgt dat [slachtoffer] alcoholhoudende drank had genuttigd en dat ze zich niets meer kan herinneren van wat er daarna is gebeurd. Ook blijkt uit het informatief gesprek zeden dat [slachtoffer] , nadat zij de studio heeft verlaten, met [getuige 1] naar ‘ [naam] ’ is gegaan en dat [getuige 1] haar daar heeft verteld wat er zou zijn gebeurd in de studio.

Steun voor het oordeel, dat [slachtoffer] zich niets kan herinneren van wat er in de studio zou zijn gebeurd, vindt de rechtbank in het WhatsApp gesprek tussen haar en [getuige 3] van 6 mei 2016 startende om 19:31 uur. In dat gesprek schrijft [slachtoffer] (‘ [slachtoffer] ’) immers: “Ik weet niks meer”.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verklaring die [slachtoffer] op 20 mei 2016, dat wil zeggen ongeveer twee weken na haar bezoek aan de studio, als getuige heeft afgelegd, inhoudende dat zij zich herinnert dat verdachte haar gevingerd heeft, dat zij hem gepijpt heeft en dat verdachte haar onderbroek kapot heeft gescheurd, niet zonder meer betrouwbaar is. [slachtoffer] heeft zelf verklaard dat ze uitsluitend van [getuige 1] heeft gehoord wat er zou zijn gebeurd in de studio. De rechtbank kan op grond van de inhoud van het procesdossier niet uitsluiten dat de getuigenverklaring van [slachtoffer] is gebaseerd op hetgeen [getuige 1] tegen haar gezegd heeft. De rechtbank is er dan ook niet zonder meer van overtuigd dat sprake is van de “eigen” herinnering van [slachtoffer] .

Verdachte zelf ontkent stellig dat hij enige seksuele handeling met/bij [slachtoffer] heeft verricht en in het bijzonder dat hij zijn penis in de mond en/of één of meer van zijn vingers in de vagina van [slachtoffer] heeft gebracht zoals ten laste gelegd.

De verklaring van [getuige 1] , ruim een jaar na de ten laste gelegde pleegdatum, kan weliswaar als belastend voor verdachte worden beschouwd, maar die verklaring vindt naar het oordeel van de rechtbank geen steun in objectief bewijs. Immers, uit het DNA-rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 4 januari 2018 komt naar voren dat in geen enkele bemonstering van [slachtoffer] (samengevat: de mond, de vagina en de anus) aanwijzingen zijn gevonden voor de aanwezigheid van DNA van verdachte. Wel zijn er DNA-matches met [getuige 1] gevonden.

Voorts is de rechtbank, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat het WhatsApp- gesprek tussen [slachtoffer] en [getuige 3] d.d. 6 mei 2016 niet kan worden aangemerkt als een bevestiging van de ten laste gelegde handelingen. De opmerking van [getuige 3] aan [slachtoffer] in dat WhatsApp-gesprek “maar jij hebt hem wel bevredigd met je mond” kan immers betrekking hebben op zowel verdachte als [getuige 1] . En gelet op de uitkomsten van het vergelijkend DNA-onderzoek, zoals hiervoor kort weergegeven, acht de rechtbank het aannemelijker dat deze woorden betrekking hebben op [getuige 1] dan dat zij betrekking hebben op verdachte.

Tot slot kan de door de officier van justitie gestelde omstandigheid, dat [slachtoffer] kort nadat zij bij [getuige 2] en haar moeder was aangekomen na haar bezoek in de studio overstuur en emotioneel was, niet tot een ander oordeel leiden. Dat deze toestand het rechtstreekse gevolg zou zijn geweest van mogelijke met en door haar gepleegde seksuele handelingen met verdachte in de studio is naar het oordeel van de rechtbank niet overtuigend.

Met inachtneming van het vorenstaande heeft de rechtbank op grond van de wettige bewijs-middelen en het onderzoek ter terechtzitting niet de overtuiging dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het hem tenlastegelegde.

De rechtbank zal verdachte daarom geheel vrijspreken.

Op grond van het voorgaande zal de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] , niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

3 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van het ten laste gelegde feit.

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, voorzitter, mr. P.C. Quak en mr. G.W.B. Heijmans, rechters, in tegenwoordigheid van R. van Dijk, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 15 oktober 2018.