Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:4423

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
10-10-2018
Datum publicatie
15-10-2018
Zaaknummer
18/633
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

De raadkamer is van oordeel dat ook een onherroepelijke uitspraak van een buitenlandse rechter moet worden aangemerkt als een veroordeling die aan de toepassing van artikel 591a/89 Sv in de weg staat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2019/28 met annotatie van Haas, A.H.T. de, Bakhuis, M.
NJFS 2019/61
NbSr 2019/28 met annotatie van Haas, A.H.T. de, Bakhuis, M.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/123924-17

Rechtbanknummer : 18/633

Beschikking van de enkelvoudige raadkamer naar aanleiding van het op 26 juni 2018 ter griffie van deze rechtbank ingekomen verzoekschrift, voor zover betreffende artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering, van:

naam: [verzoeker] , hierna: verzoeker,

geboren op : [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats] ,

[adres]

De behandeling in raadkamer

Het verzoekschrift is op 26 september 2018 tijdens de openbare zitting van de raadkamer behandeld. Gehoord zijn daarbij verzoeker, de advocaat van verzoeker mr. A.H.T. de Haas en de officier van justitie mr. M. Haan.

De standpunten

Het verzoekschrift strekt tot vergoeding van de door verzoeker geleden schade tot een bedrag van:

- € 315,00 als gevolg van de ondergane inverzekeringstelling.

De advocaat heeft ter zitting in raadkamer aangevoerd dat het in het onderhavige geval gaat om twee afzonderlijke zaken. Er is achteraf een splitsing ontstaan. De dagvaarding is in de Nederlandse zaak ingetrokken en daarbij is een afzonderlijke sepotbrief opgemaakt, waardoor niet aan het zaaksbegrip van één zaak is voldaan. Dat maakt dat verzoeker ontvankelijk is.

De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de schriftelijke conclusie d.d. 5 september 2018.

De beoordeling

Naast genoemd verzoek en conclusie heeft de raadkamer kennis genomen van:

- de stukken waaruit blijkt dat verzoeker op 9 maart 2017 in verzekering is gesteld en op 11 maart 2017 in vrijheid is gesteld;

- de stukken van de strafzaak, waaronder een sepotbeslissing d.d. 5 juni 2018;

- de stukken van de strafzaak, waaronder een Pools vonnis d.d. 29 maart 2018 waarbij verzoeker is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van

1 jaar met een proeftijd van 3 jaren.

De raadkamer constateert dat de zaak niet is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel.

De raadkamer overweegt voorts ten aanzien van wat door verzoeker is verzocht als volgt.

De raadkamer is allereerst met de advocaat van oordeel dat het in het onderhavige geval gaat om twee afzonderlijke zaken, nu verzoeker voor het ten laste gelegde feit uit maart 2017 reeds is veroordeeld in Polen en voor dat feit een afzonderlijke sepotbeslissing heeft ontvangen. Het feit uit november 2016 zal daarentegen nog worden afgedaan in Nederland. Daaruit volgt dat het hierbij gaat om twee afzonderlijke zaken.

Ingevolge artikel 89, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering kan, indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel of met zodanige oplegging doch op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten, een vergoeding ten laste van de Staat worden toegekend voor schade die ten gevolge van ondergane verzekering, klinische observatie of voorlopige hechtenis is geleden.

Vastgesteld kan worden dat de zaak uit maart 2017, waar het in casu over gaat, niet is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel, immers, verzoeker is voor dit feit onherroepelijk veroordeeld door een Poolse rechtbank tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar met een proeftijd van 3 jaren. De raadkamer is van oordeel dat ook een onherroepelijke uitspraak van een buitenlandse rechter moet worden aangemerkt als een veroordeling die aan de toepassing van artikel 89 Sv in de weg staat.

Gelet op het voorgaande is de raadkamer van oordeel dat in dit geval niet is voldaan aan de wettelijke vereisten van artikel 89, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering om verzoeker een schadevergoeding toe te kennen voor de duur die hij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Verzoeker zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn verzoek. Voor zover het verzoek gaat over de kosten die zien op de zaak uit november 2016, is de raadkamer van oordeel dat deze zaak nog niet is afgedaan en daarom geen kosten kunnen worden toegewezen.

De raadkamer zal daarom beslissen als hierna te melden en neemt daarbij de desbetreffende wetsartikelen in aanmerking.

De beslissing

De enkelvoudige raadkamer:

verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek.

Aldus gegeven in raadkamer door mr. F.J.H. Hovens, rechter, in tegenwoordigheid van

M. Budak, griffier, en uitgesproken in openbare raadkamer van 10 oktober 2018.