Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:4406

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
24-09-2018
Datum publicatie
12-10-2018
Zaaknummer
18.9455
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

KEI. Procesrecht. Incident. Relatieve competentie. Forumkeuze in algemene voorwaarden. Tussenvonnis. Bewijsopdracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

_

RECHTBANK GELDERLAND

Civiel recht Zittingsplaats Arnhem zaaknummer: NL18.9455

Vonnis in incident van 24 september 2018

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

INDICIA CARRÉMA B.V.,

gevestigd te Dronten en kantoorhoudende te Tilburg, eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident, hierna te noemen: Indicia Carréma, advocaat J.R. Bügel te Dronten,

tegen

de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid

1. DOLFINARIUM HARDERWIJK B.V., gevestigd te Harderwijk,

2. B.V. RECREATIEPARK LINNAEUSHOF, gevestigd te Bennebroek,

3. DELTA PARK NEELTJE JANS B.V., gevestigd te Vrouwenpolder, gemeente Veere, gezamenlijk handelend onder de naam ASPRO BeNeLux, hierna gezamenlijk te noemen Aspro,

verweersters in de hoofdzaak,

eiseressen in het incident, hierna samen te noemen: Aspro, advocaat L.C.M. Veerbeek te Nijmegen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de procesinleidingen

- het verweerschrift tevens houdende exceptie van relatieve onbevoegdheid

- het verweerschrift in het incident.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De beoordeling in het incident

2.1.

Indicia Carréma vordert in de hoofdzaak dat de rechtbank Aspro hoofdelijk

veroordeelt tot betaling aan haar van € 29.496,34 te vermeerderen met rente en kosten.

Zij stelt daartoe het volgende. Op 8 september 2016 zijn Indicia Carréma en Aspro overeengekomen dat Indicia Carréma vanaf 1 januari 2017 werkzaamheden zou verrichten in verband met de beloning van de medewerkers van Aspro. Bij brief van 9 november 2017 heeft Aspro de overeenkomst beëindigd per 1 januari 2018. Indicia Carréma maakt aanspraak op betaling van drie facturen voor werkzaamheden in het jaar 2018 tot in totaal het gevorderde bedrag.

2.2.

Aspro werpt een exceptie van relatieve onbevoegdheid op. Daartoe stelt zij het volgende. Op de overeenkomst van 8 september 2016 zijn de algemene voorwaarden van Indicia Nederland van toepassing. In artikel 14.2 staat:

De geschillen welke tussen Indicia Nederland en de Cliënt mochten ontstaan naar aanleiding van een door Indicia Nederland met de Cliënt gesloten Overeenkomst dan wel naar aanleiding van een nadere Overeenkomst, zullen worden beslecht door de bevoegde rechter in het arrondissement waar Indicia Nederland haar hoofdvestiging heeft.

Aspro stelt dat Indicia Carréma haar hoofdvestiging heeft in Tilburg, zodat niet de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, maar de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, bevoegd is om kennis te nemen van het geschil.

2.3.

Indicia Carréma voert gemotiveerd verweer. Daartoe voert zij allereerst aan dat niet de algemene voorwaarden van Indicia Nederland van toepassing zijn, maar de algemene voorwaarden van Indicia Carréma. Die laatste algemene voorwaarden bevatten geen bepaling die de rechtbank Zeeland-West-Brabant als bevoegde rechter aanwijst.

2.4.

Aspro licht haar stelling dat de algemene voorwaarden van Indicia Nederland van toepassing zijn als volgt toe (weliswaar in het kader van haar verweer in de hoofdzaak; verweerschrift 24 – 28). Bij e-mailbericht van 7 september 2016 heeft Aspro een opdrachtbevestiging van Indicia Carréma ontvangen waarin wordt verwezen naar algemene voorwaarden die als bijlage waren meegestuurd. Dat waren, naar de rechtbank begrijpt, de algemene voorwaarden van Indicia Nederland. Na bestudering van deze meegestuurde algemene voorwaarden is Aspro akkoord gegaan en heeft zij de opdrachtbevestiging ondertekend. Aspro betoogt dat van haar redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat zij zou nagaan of Indicia Carréma inderdaad heeft bedoeld de set algemene voorwaarden die zij heeft meegestuurd op de overeenkomst van toepassing te verklaren, te meer nu in de opdrachtbevestiging wordt verwezen naar de algemene voorwaarden in de bijlage. Als Aspro niettemin nader onderzoek zou hebben gedaan, dan zou dat haar ook naar de algemene voorwaarden van Indicia Nederland hebben geleid omdat de website van Indicia Carréma alleen een verwijzing naar de algemene voorwaarden van Indicia Nederland bevat.

2.5.

Indicia Carréma stelt hier het volgende tegenover. Zij heeft op 7 september 2016 per e-mailbericht aan Aspro de opdrachtbevestiging gestuurd zoals overgelegd als productie 1 bij de procesinleiding. Deze opdrachtbevestiging is verdeeld in hoofdstukken. In de inhoudsopgave staat bij hoofstuk 11: “Bijlage: Algemene voorwaarden INDICIA Carréma”. In hoofdstuk 9 “Ons voorstel & de condities” staat onder meer: “Op dit voorstel zijn de algemene voorwaarden van INDICIA Carréma van toepassing. (Zie bijlage)”. Indicia Carréma stelt vast dat Aspro deze opdrachtbevestiging zonder voorbehoud heeft ondertekend en concludeert dat zij daarmee haar aanbod, waarin de algemene voorwaarden van Indicia Carréma van toepassing zijn verklaard, heeft aanvaard. Indicia Carréma betwist

dat zij in de bijlage bij het e-mailbericht van 7 september 2016 andere voorwaarden zou hebben toegezonden dan die van Indicia Carréma. Zij betoogt overigens dat bekendheid met de inhoud van de algemene voorwaarden niet van belang is voor de gebondenheid daaraan en voorts dat Aspro de algemene voorwaarden van Indicia Carréma heeft aanvaard door de opdrachtbevestiging met de verwijzing naar die algemene voorwaarden te ondertekenen, althans dat zij daarmee bij Indicia Carréma het vertrouwen daarop heeft gewekt.

2.6.

De vraag of algemene voorwaarden zijn overeengekomen moet worden beantwoord aan de hand van de bepalingen over aanbod en aanvaarding en de totstandkoming van rechtshandelingen in het algemeen. Als Indicia Carréma bij haar aanbod aan Aspro algemene voorwaarden meestuurt, dan mag Aspro daaruit naar het oordeel van de rechtbank afleiden dat Indicia Carréma deze meegestuurde algemene voorwaarden op de overeenkomst van toepassing verklaart. Dat wordt niet anders als in het aanbod zelf wordt verwezen naar andere algemene voorwaarden dan de meegestuurde. Het is immers de verantwoordelijkheid van Indicia Carréma om de juiste algemene voorwaarden met het aanbod mee te sturen en het kan niet van Aspro worden verwacht dat zij controleert of Indicia Carréma dat correct heeft gedaan. Aan Indicia Carréma komt er geen beroep op toe dat zij niet de algemene voorwaarden van Indicia Nederland maar die van Indicia Carréma had willen meesturen (artikel 3:35 BW).

2.7.

Partijen twisten over de vraag welke algemene voorwaarden Indicia Carréma met de algemene voorwaarden heeft meegestuurd. Volgens Aspro waren dat de algemene voorwaarden van Indicia Nederland, met forumkeuzebeding, volgens Indicia Carréma die van Indicia Carréma, zonder forumkeuzebeding. Uit het e-mailbericht van 7 september 2016, 23:10 uur (productie 2 bij procesinleiding) kan niet worden afgeleid welke algemene voorwaarden Indicia Carréma als bijlage heeft meegestuurd. Aspro beroept zich op de rechtsgevolgen van haar stelling dat Indicia Carréma met haar aanbod de algemene voorwaarden van Indicia Nederland heeft meegestuurd, namelijk de rechtsgevolgen dat die algemene voorwaarden van toepassing zijn en dat de rechtbank niet bevoegd is kennis te nemen van het onderhavige geschil op grond van het forumkeuzebeding in die algemene voorwaarden. De bewijslast van die betwiste stelling rust daarom op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv op Aspro. De rechtbank zal Aspro daarom opdragen te bewijzen dat Indicia Carréma met haar aanbod niet de algemene voorwaarden heeft meegestuurd waarnaar in het aanbod wordt verwezen, maar de algemene voorwaarden van Indicia Nederland. De zaak zal worden verwezen voor akte aan de zijde van Aspro om haar de gelegenheid te geven zich uit te laten over de wijze waarop zij het bewijs wil leveren, zoals in het dictum nader te formuleren.

2.8.

Voor het geval dat de rechtbank oordeelt dat de algemene voorwaarden van Indicia Nederland gelden, betoogt Indicia Carréma dat artikel 14.2 van de algemene voorwaarden van Indicia Nederland ziet op geschillen tussen Indicia Nederland en een cliënt, terwijl in het onderhavige geval een geschil aan de orde is niet tussen Indicia Nederland en een cliënt maar tussen Indicia Carréma en een cliënt. De rechtbank overweegt reeds nu dat zij Indicia Carréma daarin niet volgt. Als de algemene voorwaarden van Indicia Nederland van toepassing zijn in de verhouding tussen Indicia Carréma en Aspro, dan kunnen de partijen de bepalingen in die algemene voorwaarden waaronder het forumkeuzebeding niet anders begrijpen dan dat deze betrekking hebben op hen.

2.9.

Alle beslissingen worden aangehouden in afwachting van bewijslevering.

3 De beslissing

De rechtbank

in het incident

3.1.

draagt Aspro op te bewijzen dat Indicia Carréma met haar per e-mailbericht van 7 september 2016 verstuurde aanbod niet de algemene voorwaarden heeft meegestuurd waarnaar in het aanbod wordt verwezen, maar de algemene voorwaarden van Indicia Nederland;

3.2.

bepaalt dat, voor zover Aspro dit bewijs door middel van getuigen wil leveren, het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van mr. J.R. Veerman in het Paleis van Justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,

3.3.

bepaalt dat Aspro uiterlijk op 8 oktober 2018 getuigen en hun verhinderdagen zal kunnen opgeven, alsmede de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op de vrijdagen in de maanden oktober tot en met december 2018, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald, en bij gebreke waarvan vonnis zal worden gewezen,

3.4.

bepaalt dat Aspro binnen de hiervoor genoemde termijn ook kenbaar zal kunnen maken dat zij het bewijs uitsluitend schriftelijk wil leveren, waartoe zij dan de gelegenheid zal krijgen door uiterlijk 5 november 2018 een daartoe strekkende conclusie in te dienen,

3.5.

bepaalt voorts dat de partijen bij de getuigenverhoren aanwezig zullen zijn en, indien daartoe naar het oordeel van de rechter aanleiding bestaat, tijdens en/of na de getuigenverhoren voor de rechter zullen verschijnen om aan deze inlichtingen over de zaak te geven en deze te laten onderzoeken of de partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden,

3.6.

bepaalt dat de partijen alle schriftelijke (bewijs)stukken die zij nog in het geding willen brengen uiterlijk twee weken voor het getuigenverhoor ingediend moeten hebben,

3.7.

houdt iedere verdere beslissing aan.

in de hoofdzaak

3.8.

houdt alle beslissingen aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Veerman en in het openbaar uitgesproken op 24 september 2018.