Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:4395

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
11-10-2018
Datum publicatie
14-12-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 6552
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

n het kader van de op verzoek van eiseres uitgevoerde herbeoordeling in 2016 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgesteld dat bij de werknemer reeds per 3 augustus 2010 medisch gezien geen verbetering van de belastbaarheid was te verwachten. Dat er bij de werknemer op dat moment al sprake was van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid wordt door verweerder thans ook niet betwist. Het standpunt van verweerder dat er geen aanleiding is om de IVA-uitkering toe te kennen met verdergaande terugwerkende kracht dan tot 3 oktober 2012, zijnde de beëindigingsdatum van de WGA-uitkering, volgt de rechtbank, mede gelet op de vaststelling dat ten onrechte een professionele herbeoordeling in augustus 2010 achterwege is gelaten, dan ook niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: 17/6552

uitspraak van de meervoudige kamer van 11 oktober 2018

in de zaak tussen

Snel Industrie voor Karton en Papierveredeling B.V., te Bemmel, eiseres

(gemachtigde: mr. L.K. Wouterse),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te Arnhem, verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde belanghebbende] , te [woonplaats] .

Procesverloop

Bij besluit van 20 augustus 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder de loongerelateerde Werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA-uitkering) van [derde belanghebbende] (de werknemer) met ingang van 3 oktober 2012 beëindigd en de werknemer per die datum in aanmerking gebracht voor een WGA-loonaanvullingsuitkering.

Bij besluit van 17 oktober 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het besluit van 20 augustus 2012 herroepen en aan de werknemer per 3 oktober 2012 een uitkering op grond van de Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA) toegekend.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2018. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door M.C. Hofmans. Derde-partij is verschenen.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst in afwachting van de beoordeling van het door eiseres op 17 mei 2018 bij verweerder ingediende verzoek tot herziening van het besluit van 13 augustus 2009 waarin aan de werknemer met ingang van 3 augustus 2009 een loongerelateerde WGA-uitkering is toegekend.

Bij brief van 9 juli 2018 heeft verweerder de rechtbank bericht dat het herzieningsverzoek van eiseres is afgewezen. Bij brief van 13 juli 2018 heeft eiseres hierop gereageerd.

Met toestemming van partijen heeft de rechtbank op 21 augustus 2018 zonder nadere zitting het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

1.1.

De werknemer is laatstelijk bij eiseres werkzaam geweest als machinevoerder voor gemiddeld 40 uur per week. Op 6 augustus 2007 is de werknemer voor dit werk uitgevallen vanwege longklachten. Later zijn daar cardiale klachten bijgekomen. Na 104 weken ziekte heeft de werknemer een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Bij beoordeling van de WIA-aanvraag is het arbeidsongeschiktheidspercentage van de werknemer vastgesteld op 100%. Bij besluit van 13 augustus 2009 is aan de werknemer met ingang van 3 augustus 2009 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend. Bij het primaire besluit is deze loongerelateerde WGA-uitkering met ingang van 3 oktober 2012 beëindigd en is de werknemer, zonder herbeoordeling, per die datum in aanmerking gebracht voor een WGA-loonaanvullingsuitkering.

1.2.

In juli 2016 heeft er op verzoek van eiseres een herbeoordeling plaatsgevonden. De voor de werknemer geldende beperkingen zijn neergelegd in een functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 27 juli 2016. Bij besluit van 9 augustus 2016 heeft verweerder met ingang van 29 juli 2016 aan de werknemer een IVA-uitkering toegekend. In bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep E. Klompjan vastgesteld dat bij de werknemer reeds per 3 augustus 2010 medisch gezien geen verbetering van de belastbaarheid was te verwachten en is aan de werknemer met ingang van 31 juli 2015 een IVA-uitkering toegekend. In beroep is de ingangsdatum van de IVA-uitkering gewijzigd in 2 juni 2015.

1.3.

Op 24 juli 2017 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Dit bezwaar is door verweerder ontvankelijk verklaard, aangezien verweerder niet kon aantonen dat het primaire besluit eerder aan eiseres is toegezonden.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan de werknemer per 3 oktober 2012 een IVA-uitkering toegekend. Verweerder heeft hieraan rapportages van verzekeringsarts bezwaar en beroep M. van Oostrom van 25 september 2017 en van arbeidsdeskundige bezwaar en beroep P.G. Reijnen van 30 oktober 2017 ten grondslag gelegd. Volgens verweerder waren de beperkingen van de werknemer op 3 oktober 2012 conform de FML van 27 juli 2016 en zijn de beperkingen, gezien de prognose, vanaf die datum duurzaam. Door Reijnen konden vervolgens geen passende functies worden geduid.

3. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de IVA-uitkering met ingang van 3 augustus 2009 (datum einde wachttijd), dan wel met ingang van 3 augustus 2010, moet worden toegekend. Volgens eiseres heeft verweerder niet onderbouwd op grond waarvan de arbeidsongeschiktheid eerst per 3 oktober 2012 volledig en duurzaam is. Hieruit leidt eiseres af dat er geen sprake is van een gewijzigde situatie ten opzichte van de beoordeling voor de WIA per einde wachttijd in 2008.

4. Partijen verschillen van mening over de vraag met ingang van welke datum aan de werknemer een IVA-uitkering moet worden toegekend. Volgens verweerder is dat met ingang van de beëindigingsdatum van de WGA-uitkering, zijnde 3 oktober 2012. Volgens eiseres volgt uit de medische gegevens dat de werknemer al ten tijde van de beoordeling van de WIA-aanvraag, zijnde 3 augustus 2009, althans in ieder geval met ingang van 3 augustus 2010, volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was en dat zijn medische situatie niet is veranderd.

5.1.

Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA, hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Ingevolge het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.

5.2.

De rechtbank overweegt dat het besluit van 13 augustus 2009 waarin aan de werknemer met ingang van 3 augustus 2009 een loongerelateerde WGA-uitkering is toegekend onherroepelijk is. Het verzoek van eiseres om aan de werknemer een IVA-uitkering toe te kennen per 3 augustus 2009 komt dan ook neer op een verzoek om terug te komen op dit besluit. Nu eiseres in het bezwaarschrift tegen het primaire besluit niet heeft gesteld dat er sprake is van nieuwe feiten op grond waarvan verweerder tot herziening van genoemd besluit had moeten overgaan, heeft verweerder terecht geweigerd aan de werknemer per 3 augustus 2009 een IVA-uitkering toe te kennen.

5.3.

De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder met ingang van 3 augustus 2010 wel een IVA-uitkering aan de werknemer had dienen toe te kennen. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

5.3.1.

In de Memorie van Toelichting bij de Wet WIA (Tweede Kamer, vergaderjaar 2004‑2005, 30 064, nr. 3, p. 34), voor zover hier van belang, is vermeld dat in het nieuwe stelsel geen sprake meer is van wettelijke periodieke herbeoordelingen. Bij iedere claimbeoordeling zal bezien worden wat de datum van een volgende claimbeoordeling, een professionele herbeoordeling, is. Dit hangt af van de prognose van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige met betrekking tot herstel van de gezondheid of van functionele mogelijkheden. Een professionele herbeoordeling is een beoordeling op aangeven van de verzekeringsarts of arbeidsdeskundige, of omdat betrokkene er zelf om verzoekt. Hieruit leidt de rechtbank af dat, hoewel op grond van de Wet WIA geen verplichting tot herbeoordeling bestaat, indien een verzekeringsarts of arbeidsdeskundige aangeeft dat op een bepaald moment een herbeoordeling dient plaats te vinden, dit daadwerkelijk dient te leiden tot een professionele herbeoordeling.

5.3.2.

Het is de taak van verweerder om vast te stellen of een verzekerde recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering en zo ja, om welke uitkering het gaat. In dat kader heeft de verzekeringsarts in augustus 2009 geconcludeerd dat een medisch heronderzoek aan de orde was over één jaar. Hieruit kan worden afgeleid dat deze verzekeringsarts heeft beoogd een medisch heronderzoek te indiceren na het verstrijken van één jaar, zodat een professionele herbeoordeling was aangewezen in augustus 2010. Verweerder heeft dan ook onzorgvuldig gehandeld door niet in augustus 2010 opnieuw de belastbaarheid van de werknemer te onderzoeken, maar hiertoe pas over te gaan nadat eiseres hierom had verzocht.

5.3.3.

In het kader van de op verzoek van eiseres uitgevoerde herbeoordeling in 2016 heeft verzekeringsarts bezwaar en beroep Klompjan vastgesteld dat bij de werknemer reeds per 3 augustus 2010 medisch gezien geen verbetering van de belastbaarheid was te verwachten. Dat er bij de werknemer op dat moment al sprake was van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid wordt door verweerder thans ook niet betwist. Het standpunt van verweerder dat er geen aanleiding is om de IVA-uitkering toe te kennen met verdergaande terugwerkende kracht dan tot 3 oktober 2012, volgt de rechtbank, mede gelet op de vaststelling onder 5.3.2 dat ten onrechte een professionele herbeoordeling in augustus 2010 achterwege is gelaten, dan ook niet.

6. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij 3 oktober 2012 als ingangsdatum voor de IVA-uitkering van de werknemer is gekozen. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien en zal de ingangsdatum van de IVA-uitkering vaststellen op 3 augustus 2010. Deze uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde deel van het bestreden besluit. Verweerder behoeft derhalve geen nieuw besluit te nemen.

7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

9. Voor zover eiseres tevens een verzoek tot vergoeding van de geleden schade heeft ingediend, bestaande uit de ten onrechte betaalde premie WGA-lasten van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas aan de Belastingdienst, overweegt de rechtbank dat dit verzoek thans onvoldoende is onderbouwd om door de rechtbank op te kunnen beslissen. Eisers heeft niet inzichtelijk gemaakt wat de hoogte is van de ten onrechte afgedragen premies. De rechtbank zal dit verzoek dan ook afwijzen. Eiseres kan zich conform het bepaalde in artikel 8:90, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht met een nader onderbouwd verzoek tot schadevergoeding wenden tot verweerder.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij 3 oktober 2012 als ingangsdatum voor de IVA-uitkering van de werknemer is gekozen;

- kent aan de werknemer een IVA-uitkering toe met ingang van 3 augustus 2010;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 333,- aan haar vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 1.002,-;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.W. van Osch - Leysma, voorzitter, mr. H.J. Klein Egelink en mr. drs. J.W.A. Fleuren, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.B. Wichman, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 11 oktober 2018

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.