Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:4332

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
10-10-2018
Datum publicatie
02-01-2020
Zaaknummer
342694
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Pacht. Voorzieningenrechter veroordeelt gedaagde om een perceel grond ter vrije beschikking te stellen aan eiser. Aannemelijk dat sprake is van mondelinge pachtovereenkomst voor onbepaalde tijd. Voorzieningenrechter wijst voorschot op schadevergoeding af vanwege gebrek aan spoedeisend belang aan de zijde van eiser.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zutphen

zaaknummer / rolnummer: C/05/342694 / KZ ZA 18-236

Vonnis in kort geding van 10 oktober 2018

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [plaats] ,

eiser,

advocaat mr. C.F. van Helvoirt te Arnhem,

tegen

1 [gedaagde sub 1] B.V.,

gevestigd te [plaats] , gemeente [plaats] ,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats] , gemeente [plaats] ,

gedaagden,

bijgestaan door mevrouw [naam 2] .

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde sub 1] BV respectievelijk [gedaagde sub 2] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van [gedaagde sub 1] BV, inclusief producties.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is landbouwer en houdt zich bezig met akkerbouw.

2.2.

[eiser] heeft gedurende meerdere jaren maïs en andere gewassen verbouwd op een deel van een perceel grond, kadastraal bekend gemeente [woonplaats] , sectie [sectieaanduiding] , nummer [nummer] (hierna: “het perceel”).

2.3.

Tot 8 november 2017 behoorde het perceel in eigendom toe aan mevrouw [voormalig eigenaar perceel] (hierna: “ [voormalig eigenaar perceel] ”).

2.4.

[eiser] heeft per bankoverschrijving de volgende bedragen betaald op een bankrekening met IBAN: [rekeningnummer] ten name van [voormalig eigenaar perceel] :

  1. op 24 november 2015 een bedrag van € 500,00 met omschrijving “GENST VERBOUW”;

  2. op 22 november 2016 een bedrag van € 500,00 met omschrijving “GRONDGEBRUIK”;

  3. op 22 november 2017 een bedrag van € 500,00 met omschrijving “GERST VERBOUW”.

2.5.

Met ingang van 8 november 2017 behoort het perceel in eigendom toe aan [gedaagde sub 1] BV. [gedaagde sub 2] is enig bestuurder van [gedaagde sub 1] BV.

2.6.

In de maanden februari en maart 2018 heeft [eiser] het perceel bewerkt en bemest.

2.7.

De advocaat van [eiser] heeft [gedaagde sub 1] BV per brief van 25 april 2018, voor zover relevant, bericht:

“(…) U heeft enkele delen van het perceel, tegen de feitelijke grenzen, beplant, waardoor [eiser] niet meer het gehele perceel kan gebruiken. Het perceel is ook niet meer bereikbaar met landbouwwerktuigen. (…)

Namens [eiser] stel ik u in gebreken en verzoek ik u, en voor de wet vereist sommer ik u, het volledige perceelsdeel, waarvan [eiser] steeds het gebruik heeft gehad, uiterlijk deze week ter beschikking te stellen aan [eiser] . (…)”

2.8.

De advocaat van [eiser] heeft [gedaagde sub 1] BV per brief van 1 mei 2018, voor zover relevant, bericht:

“(…) Inmiddels heb ik vernomen dat u geen gehoor geeft aan de sommatie, sterker nog, u bent het resterende deel van het perceel eveneens aan het inplanten met tuinplanten.

Graag verneem ik per omgaande van u dat u – eveneens per omgaande – het perceel alsnog ter beschikking van [eiser] zult stellen. (…)”

2.9.

Op 17 mei 2018 heeft [eiser] het perceel gepoot met maïszaden.

2.10.

Op 9 juni 2018 heeft [eiser] geconstateerd dat de jonge maïsplanten op het perceel waren omgeschoffeld.

2.11.

Op 12 juli 2018 heeft [eiser] aangifte gedaan van vernieling bij de politie Oost-Nederland. Het proces-verbaal van aangifte luidt, voor zover relevant:

“(…)

Ik ben al 20 jaar pachter van 1,1 hectare grond, die gelegen is aan het [adres] ter hoogte van perceel nummer [nummer 2] . (…) Omstreeks februari of maart 2018 kwam ik erachter dat dit stuk grond verkocht was aan [gedaagde sub 2] . Dit kwam doordat [gedaagde sub 2] naar mij toe kwam terwijl ik bezig was op dit stuk grond. Hij vertelde mij dat hij de nieuwe eigenaar was en dat hij zelf ook wat bomen wilde planten. Ik heb hem verteld dat ik hier niets van af wist en dat ik dit na zou vragen bij de familie [voormalig eigenaar perceel] . Ik heb contact gehad met de familie [voormalig eigenaar perceel] . Zij konden mij vertellen dat er voor mij niets veranderde en dat ik gewoon door kon gaan met pachten. (…)

(…) Op 9 juni 2018 kwam ik erachter dat de mais omgeschoffeld was. (…) Ik weet niet wie het heeft gedaan, maar ik vermoed de eigenaar [gedaagde sub 2] zelf. (…)”

2.12.

De advocaat van [eiser] heeft [gedaagde sub 1] BV per brief van 7 september 2018, voor zover relevant, bericht:

“(…) Op 25 april 2018 en 1 mei 2018 heb ik u namens [eiser] gesommeerd het perceel, dat hij meer dan 20 jaren pacht onmiddellijk ter beschikking te stellen. (…) Aan die sommaties heeft u geen gehoor gegeven. Sterker nog, u heeft begin juni jl. de ingezaaide mais omgeschoffeld en volledig vernield. (…) Het vernietigen van de jonge maisplanten kwalificeert als een onrechtmatige daad. Voor de schade stel ik u hierdoor namens [eiser] aansprakelijk. (…) De totale schade bedraagt (…) € 2.780,00 . Ik verzoek u – en voor zover de wet zulks vereist sommeer ik u – dit bedrag binnen één week na heden te vergoeden (…).

Verder sommeer ik u namens [eiser] het volledige perceelsdeel, waarvan [eiser] steeds het gebruik heeft gehad, uiterlijk deze week ter beschikking te stellen aan [eiser] . (…)”

2.13. 2525

BV heeft nadien geen gevolg gegeven aan de sommaties van [eiser] .

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert dat de voorzieningenrechter, uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagde sub 1] BV veroordeelt het perceel onmiddellijk na betekening van dit vonnis, althans binnen een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn, te ontruimen en te verlaten en ter vrije en algehele beschikking van [eiser] te stellen en [gedaagde sub 1] BV te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag of een gedeelte daarvan dat [gedaagde sub 1] BV niet voldoet aan de veroordeling tot ter beschikking stelling met een maximum van € 5.000,00, althans een in goede justitie vast te stellen dwangsom;

II. [gedaagde sub 1] BV, althans [gedaagde sub 2] veroordeelt tot een geldbedrag ad € 2.780,00 als voorschot op de geleden en nog te lijden schade, als gevolg van het onrechtmatig handelen van [gedaagde sub 1] BV;

III. [gedaagde sub 1] BV, althans [gedaagde sub 1] BV en [gedaagde sub 2] , veroordeelt in de kosten van deze procedure waaronder de nakosten van deze procedure, met bepaling dat indien niet binnen 14 dagen na vonniswijzing aan de proceskostenveroordeling is voldaan, wettelijke rente is verschuldigd.

3.2.

Ter onderbouwing van zijn vorderingen stelt [eiser] het volgende. [eiser] gebruikt het perceel uit hoofde van een pachtovereenkomst, die hij gesloten heeft met [voormalig eigenaar perceel] . [gedaagde sub 1] BV moet hem vanwege die pachtovereenkomst toestaan om het perceel te bebouwen. Indien en voor zover geen sprake is van pacht, dan geldt dat [eiser] het perceel al jarenlang in gebruik heeft gehad. [voormalig eigenaar perceel] heeft hem uitdrukkelijk toegezegd dat hij het perceel mocht blijven bebouwen, ook indien zij het perceel zou verkopen. Verder heeft [gedaagde sub 1] BV althans [gedaagde sub 2] onrechtmatig gehandeld door de jonge maïsplanten om te schoffelen. [eiser] heeft daardoor schade geleden. Voor deze schade is [gedaagde sub 1] BV en/of [gedaagde sub 2] aansprakelijk.

3.3. 2525

BV voert als volgt verweer. [eiser] ontbeert spoedeisend belang. Van een pachtovereenkomst is geen sprake. [gedaagde sub 1] BV is eigenaar van het perceel. [gedaagde sub 1] BV hoeft dus niet te dulden dat [eiser] het perceel bebouwd met maïs. Het is niet onrechtmatig geweest dat [gedaagde sub 2] de maïsplanten heeft omgeschoffeld. [gedaagde sub 1] BV en [gedaagde sub 2] concluderen tot niet-ontvankelijkheid, althans tot afwijzing, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

3.4.

Tijdens de mondelinge behandeling hebben [gedaagde sub 1] BV en [gedaagde sub 2] nog aangevoerd dat zij schade hebben geleden doordat [eiser] fruitbomen en een sierhaag van het perceel zou hebben verwijderd. De voorzieningenrechter heeft [gedaagde sub 1] BV en [gedaagde sub 2] er echter op gewezen dat zij alleen een tegenvordering in kort geding kunnen indien inzien zij zich laten vertegenwoordigen door een advocaat. De door [gedaagde sub 1] BV en [gedaagde sub 2] aangevoerde schade zal dus verder buiten beschouwing worden gelaten.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Deze zaak draait in de kern om de vraag of [gedaagde sub 1] BV behoort te dulden dat [eiser] het perceel bebouwt met maïs en andere gewassen.

4.2. 2525

BV heeft onder meer betwist dat [eiser] spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen. Omdat dit verweer het meest verstrekkend is, zal de voorzieningenrechter dit als eerste behandelen. Daarna zal worden beoordeeld of sprake is van een pachtovereenkomst. Aan de hand van het antwoord op deze vraag, zal worden beoordeeld of de vorderingen van [eiser] strekkende tot het gebruik van het perceel toewijsbaar zijn. Tot slot zal het door [eiser] gevorderde voorschot op schadevergoeding worden beoordeeld.

spoedeisend belang

4.3.

[eiser] heeft gesteld dat hij spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen omdat hij het perceel moet inzaaien met gras. De mestwetgeving vereist dit omdat [eiser] het perceel in het voorjaar al heeft bemest. Het inzaaien van gras is slechts mogelijk tot medio oktober vanwege de weersomstandigheden. Indien [eiser] niet tijdig gras kan inzaaien, riskeert hij een boete van de overheid. Het voorschot op schadevergoeding is volgens [eiser] spoedeisend omdat hij vanwege de gemiste maïsopbrengst geld nodig heeft om het perceel in te zaaien met gras.

4.4. 2525

BV en [gedaagde sub 2] stellen zich daarentegen op het standpunt dat [eiser] al geruime tijd wist dat [gedaagde sub 1] BV het gebruik van het perceel niet zou dulden. Desondanks heeft [eiser] na zijn eerste sommatie vijf maanden gewacht met het instellen van dit kort geding. Verder betwisten [gedaagde sub 1] BV en [gedaagde sub 2] dat [eiser] op grond van de mestwetgeving gras moet inzaaien op het perceel. Om die reden ontbeert [eiser] spoedeisend belang, aldus [gedaagde sub 1] BV en [gedaagde sub 2] .

4.5.

Als wettelijk uitgangspunt heeft te gelden dat de voorzieningenrechter bevoegd is om een voorziening bij voorraad te geven in alle spoedeisende zaken waarin dat, gelet op de belangen van partijen, vereist is. Een spoedeisend belang bij een voorziening heeft de eiser van wie men niet kan vergen dat hij eerst een bodemprocedure afwacht. Of men van de eiser kan vergen dat hij een bodemprocedure afwacht, hangt af van (onder meer) het voorlopig karakter van het rechterlijk oordeel. Ook hangt dit af van de vraag hoe ingrijpend de gevolgen zijn van het uitblijven of verlenen van de voorziening (HR 15 december 1995, NJ 1996, 509). De enkele omstandigheid dat een eiser geruime tijd heeft laten verstrijken voordat hij een kort geding start, hoeft de voorzieningenrechter er niet van te weerhouden om een spoedeisend belang aan te nemen (HR 29 juni 2001, NJ 2001, 602).

4.6.

Tegen deze achtergrond is de voorzieningenrechter van oordeel dat [eiser] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij op grond van de mestwetgeving gehouden is om het perceel in te zaaien met gras. Ook heeft [eiser] voldoende aannemelijk gemaakt dat hij anders een boete riskeert. [eiser] heeft daarom een spoedeisend belang bij zijn vorderingen strekkende tot het gebruik van het perceel. Het verweer van [gedaagde sub 1] BV en [gedaagde sub 2] dat de mestwetgeving anders luidt, acht de voorzieningenrechter onvoldoende onderbouwd. Dat [eiser] vijf maanden heeft gewacht met het instellen van dit kort geding, verandert het oordeel van de voorzieningenrechter niet, gelet op de jurisprudentie genoemd in de vorige rechtsoverweging.

4.7.

Op de spoedeisendheid van het door [eiser] gevorderde voorschot op schadevergoeding zal nog worden ingegaan in rechtsoverweging 4.24.

pachtovereenkomst

4.8.

Volgens [eiser] is sprake van een pachtovereenkomst. Aan hem is immers het perceel verstrekt ten behoeve van landbouw. Voor dat gebruik voldoet hij telkens een tegenprestatie. Daarmee is volgens [eiser] voldaan aan de wettelijke definitie van artikel 7:311 BW.

4.9. 2525

BV en [gedaagde sub 2] betwisten dat sprake is van een pachtovereenkomst. Volgens [eiser] en [gedaagde sub 2] maakte [eiser] jaarlijks opnieuw een afspraak met [voormalig eigenaar perceel] om het perceel te bebouwen. [voormalig eigenaar perceel] heeft [eiser] uitdrukkelijk medegedeeld dat hij het perceel niet meer mocht bebouwen indien het perceel verkocht werd, aldus [gedaagde sub 1] BV en [gedaagde sub 2] . [eiser] heeft hiermee ingestemd. Desondanks heeft [eiser] tegen beter weten in het perceel bewerkt. Ter onderbouwing van een en ander hebben [gedaagde sub 1] BV en [gedaagde sub 2] tijdens de mondelinge behandeling schriftelijke verklaringen van (onder meer) [voormalig eigenaar perceel] overgelegd.

4.10.

De voorzieningenrechter merkt allereerst op dat de schriftelijke verklaringen van (onder meer) [voormalig eigenaar perceel] strikt genomen te laat zijn ingediend door [gedaagde sub 1] BV en [gedaagde sub 2] . Op grond van artikel 6.2 van het Landelijk procesreglement kort gedingen handel en familie behoren stukken immers binnen één werkdag voor de mondelinge behandeling te zijn ingediend. [eiser] heeft echter geen bezwaar gemaakt tegen indiening van de stukken, zodat de voorzieningenrechter de stukken in zijn beoordeling zal betrekken.

4.11.

Voorop wordt gesteld dat een pachtovereenkomst op grond van artikel 7:311 BW de volgende kenmerken bevat:

  1. de ene partij (de verpachter) geeft een onroerende zaak of een gedeelte daarvan aan de andere partij (de pachter) in gebruik;

  2. dit gebruik dient ter uitoefening van de landbouw;

  3. de pachter is hiervoor een tegenprestatie aan de verpachter verschuldigd.

4.12.

Verder volgt uit de jurisprudentie dat de inhoud van de door partijen overeengekomen rechten en verplichtingen beslissend zijn en niet de benaming die partijen aan hun rechtsverhouding hebben gegeven (Hof Arnhem-Leeuwarden, 7 oktober 2014, Agr.r. 2015, 5799). Indien partijen rechten en verplichtingen zijn overeengekomen die volgens de definitie van het artikel pacht opleveren, is de wettelijke regeling van de pacht van toepassing, ongeacht of men de toepasselijkheid van die regels gewild heeft (Hof Arnhem 27 januari 2009, Agr.r. 2009, 5523).

4.13.

Verder bepaalt artikel 7:317 lid 1 BW dat een pachtovereenkomst schriftelijk moet worden vastgelegd. Dit voorschrift is echter geen formeel geldigheidsvereiste. Het voorschrift geldt niet op straffe van nietigheid of vernietigbaarheid.

4.14.

Gelet op de over en weer aangevoerde stellingen is het volgens de voorzieningenrechter aannemelijk dat [eiser] het perceel gebruikt ten titel van pacht. Weliswaar ontbreekt een schriftelijke pachtovereenkomst, maar dat is geen formeel geldigheidsvereiste. [eiser] heeft het perceel meerdere jaren gebruikt ter uitoefening van de landbouw. [eiser] betaalde [voormalig eigenaar perceel] daar ook voor. Dit blijkt niet alleen uit de stukken die [eiser] heeft overgelegd, maar ook uit de verklaringen van [voormalig eigenaar perceel] , die [gedaagde sub 1] BV en [gedaagde sub 2] hebben overgelegd. Daarmee is het aannemelijk dat de afspraken tussen [eiser] en [voormalig eigenaar perceel] voldoen aan de wettelijke definitie van een pachtovereenkomst.

gebruik perceel

4.15.

De wet bepaalt in artikel 7:321 lid 2 BW dat men een pachtovereenkomst binnen twee maanden na het aangaan ter goedkeuring aan de grondkamer dient in te zenden. Dat is in dit geval niet gebeurd; het betreft per slot van rekening een mondelinge pachtovereenkomst. Als gevolg daarvan is het aannemelijk dat de pachtovereenkomst op grond van artikel 7:322 lid 1 BW voor onbepaalde tijd geldt, zonder dat deze tussentijds kan worden opgezegd.

4.16.

Verder bepaalt artikel 7:361 lid 1 BW dat een pachtovereenkomst zakelijke werking heeft. Dit houdt in dat door een eigendomsoverdracht van een onroerende zaak, waarop een pachtovereenkomst betrekking heeft, de rechten en plichten van de verpachter overgaan op de verkrijger. Daardoor is het aannemelijk dat de rechten en plichten uit de pachtovereenkomst, die voorheen op [voormalig eigenaar perceel] rustten, door de eigendomsoverdracht van het perceel op [gedaagde sub 1] BV zijn overgegaan.

4.17.

Dit leidt ertoe dat naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter tussen [eiser] en [gedaagde sub 1] BV sprake lijkt te zijn van een niet-opzegbare pachtovereenkomst van onbepaalde tijd. [gedaagde sub 1] BV moet [eiser] dus in staat stellen om het perceel te bebouwen zoals voorheen, tenzij in een bodemprocedure anders wordt beslist.

4.18.

De verklaringen van [voormalig eigenaar perceel] , die door [gedaagde sub 1] BV en [gedaagde sub 2] zijn overgelegd, maken dit niet anders. Uit die verklaringen lijkt te volgen dat de pachtovereenkomst volgens [voormalig eigenaar perceel] telkens met een jaar werd verlengd. Dit is echter niet mogelijk omdat een pachtovereenkomst zonder goedkeuring door de grondkamer voor onbepaalde tijd geldt en niet tussentijds kan worden opgezegd. Verder lijkt uit de verklaringen te volgen dat de pachtovereenkomst volgens [voormalig eigenaar perceel] is beëindigd met wederzijds goedvinden voordat het perceel werd overgedragen aan [gedaagde sub 1] BV. [eiser] heeft dit tijdens de mondelinge behandeling echter uitdrukkelijk betwist. Uit het proces-verbaal van aangifte van 12 juli 2018 lijkt eveneens een ander beeld te volgen. Daardoor is zonder nadere bewijslevering door [gedaagde sub 1] BV – waarvoor in dit kort geding geen plaats is – niet op voorhand aannemelijk dat [eiser] en [voormalig eigenaar perceel] de pachtovereenkomst voorafgaand aan de eigendomsoverdracht aan [gedaagde sub 1] BV hebben beëindigd met wederzijds goedvinden. Indien [gedaagde sub 1] BV dit wenst aan te tonen door middel van bewijs, dan is zij daarvoor aangewezen op de bodemprocedure.

4.19.

Dit leidt ertoe dat de vorderingen van [eiser] strekkende tot het gebruik van het perceel zullen worden toegewezen, zoals in het dictum omschreven. Omdat [gedaagde sub 1] BV althans [gedaagde sub 2] beplanting heeft aangebracht op het perceel, acht de voorzieningenrechter een termijn van vijf dagen redelijk om het perceel te ontruimen. De gevorderde dwangsommen zijn proportioneel en zullen eveneens worden toegewezen.

voorschot op schadevergoeding

4.20.

Tot slot vordert [eiser] een voorschot op schadevergoeding van [gedaagde sub 1] BV althans [gedaagde sub 2] ten bedrage van € 2.780,00. In dit verband heeft [eiser] aangevoerd dat [gedaagde sub 2] heeft erkend dat hij de maïsplanten heeft omgeschoffeld. Daardoor zijn de maïsplanten verloren gegaan, waardoor [eiser] deze niet meer kan oogsten en verkopen. Volgens [eiser] heeft [gedaagde sub 1] BV althans [gedaagde sub 2] daarmee onrechtmatig gehandeld. [eiser] heeft daardoor schade geleden. Deze schade omvat volgens [eiser] in elk geval:

  1. de misgelopen maïsopbrengst ten bedrage van € 1.600,- exclusief btw;

  2. de extra kosten van grondbewerking ten bedrage van € 159,00 inclusief btw;

  3. de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 925,00.

4.21. 2525

BV en [gedaagde sub 2] hebben hier tegenin gebracht dat [gedaagde sub 1] BV eigenaar is van het perceel. Van een pachtovereenkomst is volgens hen geen sprake. [gedaagde sub 1] BV mag dus vrijelijk beschikken over het perceel en hoeft niet te dulden dat [eiser] het perceel bebouwt. Daardoor kan van een onrechtmatige daad geen sprake zijn.

4.22.

In kort geding gelden voor toewijzing van een geldvordering – zoals een voorschot op schadevergoeding – volgens vaste jurisprudentie strenge vereisten. De voorzieningenrechter moet daarbij niet alleen onderzoeken of het bestaan en de omvang van een vordering voldoende aannemelijk zijn. Hij moet ook onderzoeken of sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. In de afweging van de belangen van partijen moet de voorzieningenrechter ook betrekken het risico van onmogelijkheid van terugbetaling. Dit risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.

4.23.

Zoals hiervoor overwogen is het aannemelijk dat tussen [gedaagde sub 1] BV en [eiser] een pachtovereenkomst geldt. [gedaagde sub 2] heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat hij de maïsplanten heeft omgeschoffeld. Daarmee heeft [gedaagde sub 2] verhinderd dat [eiser] zijn rechten als pachter kan uitoefenen, wat onrechtmatig kan zijn. Ook is het aannemelijk dat [eiser] daardoor schade heeft geleden.

4.24.

Toch is de voorzieningenrechter van oordeel dat voor toekenning van een voorschot op schadevergoeding onvoldoende aanleiding bestaat. Het gaat slechts om een gering bedrag, terwijl [eiser] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij dit geringe bedrag niet zelf kan dragen hangende een eventuele bodemprocedure. Daarmee is het twijfelachtig dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij het door hem gevorderde voorschot op schadevergoeding. [eiser] heeft in dit verband gesteld dat hij het voorschot nodig heeft om het perceel in te zaaien met gras. [eiser] heeft echter niet concreet gemaakt hoeveel geld daarmee gemoeid zal zijn. Indien dit al een substantieel bedrag zou zijn – wat de voorzieningenrechter niet aannemelijk lijkt – dan is daarmee ook gelijk het restitutierisico gegeven. Al met al is de voorzieningenrechter van oordeel dat voor het voorschot op schadevergoeding van [eiser] gevergd kan worden dat hij eerst een bodemprocedure afwacht. Het voorschot op schadevergoeding zal dus worden afgewezen.

proceskosten

4.25. 2525

BV zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- betekening oproeping € 106,50

- griffierecht 291,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.213,50

4.26.

De vorderingen van [eiser] ingesteld tegen [gedaagde sub 2] worden afgewezen.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde sub 1] BV om het perceel binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen (onder meer door verwijdering van de door hem aangebrachte beplanting) en ontruimd te houden en ter vrije beschikking van [eiser] te stellen, op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag of een gedeelte daarvan dat [gedaagde sub 1] BV daarmee in gebreke blijft met een maximum van € 5.000,00,

5.2.

veroordeelt [gedaagde sub 1] BV in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.213,50, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [gedaagde sub 1] BV in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde sub 1] BV niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.A. Bierbooms en in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2018.

EH/PB