Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:4325

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
27-09-2018
Datum publicatie
09-10-2018
Zaaknummer
C/05/330738 / FA RK 17-4078
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Verwijzing na Hoge Raad
Beschikking
Inhoudsindicatie

Hernieuwde beoordeling van het verzoek van de officier van justitie om een machtiging tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis naar aanleiding van de terugverwijzing van de Hoge Raad. Beoordeling ex tunc. Rechtbank wijst verzoek van de officier van justitie alsnog af. Het gevaar was destijds niet dusdanig dat moest worden geoordeeld dat sprake was van een substantieel gevaar dat niet anders kon worden afgewend dan door betrokkene te doen opnemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2018-0455
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Team familierecht

Zittingsplaats Arnhem

Zaakgegevens: C/05/330738 / FA RK 17-4078

Datum uitspraak: 27 september 2018

beschikking

naar aanleiding van het verzoek van

De officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland,

betreffende:

[naam]

geboren op: [geboortedatum]

wonende te: [adres]

verblijvende in: [naam en adres psychiatrisch ziekenhuis] ,

hierna te noemen de betrokkene.

1 Het procesverloop

1.1.

Het procesverloop blijkt uit:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak machtiging tot voortgezet verblijf van deze rechtbank van 4 januari 2018;

  • -

    de beschikking van de Hoge Raad van 13 juli 2018;

  • -

    het verzoekschrift ex artikel 35 Wet Bopz van betrokkene, ingekomen op 9 augustus 2018.

1.2.

De zaak is behandeld ter zitting met gesloten deuren van 13 september 2018. Gehoord zijn betrokkene, bijgestaan door mr. I. Vreeken, de heer J.W. Bijlsma, behandelaar van betrokkene, en de heer R. te Winkel, persoonlijk begeleider van betrokkene.

2 De beoordeling

De terugverwijzing van de Hoge Raad

2.1.

Op 4 januari 2018 heeft de rechtbank een machtiging verleend tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis. De Hoge Raad heeft deze beslissing vernietigd en de zaak naar de rechtbank terugverwezen voor verdere behandeling en beslissing. In de vernietigde uitspraak is overwogen dat sprake is van een stoornis van de geestvermogens en dat ten gevolge van deze stoornis het gevaar bestaat dat “betrokkene zich van het leven zal beroven of zichzelf ernstig lichamelijk letsel zal toebrengen” en dat “gelet op de incidentenlijst van betrokkene (…) het gevaar voldoende is onderbouwd.” De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de uitspraak van de rechtbank voor wat betreft het omschreven gevaar onbegrijpelijk is, omdat het benoemde gevaar niet aansluit bij de geneeskundige verklaring en de feitelijke gebeurtenissen.

2.2.

De rechtbank overweegt dat zij als gevolg van de beslissing van de Hoge Raad nu opnieuw de in december 2017 door de officier van justitie verzochte machtiging moet beoordelen. Aangezien betrokkene op dit moment echter vrijwillig in de instelling verblijft en alle partijen het erover eens zijn dat die situatie gehandhaafd kan blijven, is een rechterlijke machtiging nu niet (meer) aan de orde. De vraag is dan op welke manier betekenis kan worden gegeven aan de terugverwijzing door de Hoge Raad. In de visie van de rechtbank, in navolging van de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 1 november 2017 (ECLI:NL:RBNHO:2017:9448), houdt de terugverwijzing in dat zij thans alsnog een gemotiveerde beslissing op het punt van het gevaar moet nemen. De rechtbank dient hierbij de situatie ‘ex tunc’ te beoordelen. Immers een beoordeling van de actuele situatie is hier, zoals hiervoor al overwogen, niet aan de orde. De rechtbank gaat, gezien het voorgaande voorbij aan het primaire standpunt van de advocaat van betrokkene dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens termijnoverschrijding.

2.3.

Zoals de Hoge Raad heeft geoordeeld sluit het gevaarscriterium dat door de rechtbank in de uitspraak van 4 januari 2018 is omschreven niet aan bij de feitelijke, toen beschikbare informatie. In de geneeskundige verklaring staat vermeld dat betrokkene een gevaar is voor zichzelf, dat hij sturing nodig heeft omdat hij kwetsbaar blijft in zijn sociale contacten en dat zijn sociale netwerk klein is. Daarnaast is vermeld dat het gevaar bestaat dat betrokkene terugvalt in oud gedrag (drugsmisbruik, criminele activiteiten, aanraking met justitie) en dat het gevaar bestaat dat het contact met zijn familie verslechtert. Uit de overgelegde incidentenlijst blijkt verder van agressie naar anderen toe. Deze omschrijvingen passen bij het gevaar dat sprake is van maatschappelijke teloorgang en agressie jegens een ander, maar niet bij de omschrijving dat het gevaar bestaat dat betrokkene zich van het leven zal beroven of zichzelf ernstig lichamelijk letsel zal toebrengen.

Uit de stukken ter onderbouwing van het verzoek van de officier van justitie blijkt dat er zich ten tijde van de zitting op 4 januari 2018 al geruime tijd (vanaf begin augustus 2017) geen incidenten meer hadden voorgedaan. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 13 september 2018 heeft de behandelaar weliswaar melding gemaakt van een incident in november en een incident met de kerst, maar die informatie was er in januari 2018 niet. Daarnaast heeft betrokkene toen te kennen gegeven dat hij vrijwillig in de instelling wilde verblijven. De rechtbank heeft destijds weliswaar geoordeeld dat een behandeling op basis van vrijwilligheid nog niet aan de orde was gelet op het nog prille herstel van betrokkene, maar heeft daarbij een ander gevaarscriterium voor ogen gehad. In het licht van de omstandigheid dat er zich vanaf augustus 2017 geen incidenten meer hadden voorgedaan is de rechtbank thans van oordeel dat het gevaar (van maatschappelijke teloorgang en agressie jegens een ander) destijds niet dusdanig was, althans niet zodanig toegelicht, dat moest worden geoordeeld dat sprake was van een substantieel gevaar dat niet anders kon worden afgewend dan door betrokkene gedwongen te doen opnemen. Dit betekent dat de rechtbank destijds het verzoek van de officier van justitie had moeten afwijzen.

2.4.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de officier van justitie om een machtiging tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis alsnog afwijzen.

Het verzoek om schadevergoeding ex artikel 35 Wet Bopz

2.5.

Betrokkene heeft de rechtbank verzocht hem een schadevergoeding toe te kennen op grond van artikel 35 Wet Bopz, omdat de rechterlijke machtiging destijds niet gegeven had moeten worden en zijn vrijheidsbeneming onrechtmatig was. Betrokkene heeft hierdoor schade geleden, zo stelt hij.

2.6.

De rechtbank overweegt dat de Staat de partij is die zich over dit verzoek dient uit te laten. Hiertoe zal de rechtbank de Staat een termijn van twee weken geven. De advocaat van betrokkene heeft vervolgens twee weken de tijd om daarop te reageren. Zoals ter zitting op 13 september 2018 in overleg met de advocaat van betrokkene is afgesproken zal er geen verwijzing naar de rechtbank Midden-Nederland plaatsvinden en zal deze rechtbank de zaak verder schriftelijk afdoen.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

wijst het verzoek van de officier van justitie om een machtiging tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis alsnog af;

3.2.

stelt de Staat in de gelegenheid zich binnen twee weken na de datum van deze beschikking uit te laten over het verzoek van betrokkene om schadevergoeding en geeft

de advocaat van betrokkene vervolgens twee weken de tijd om daarop te reageren;

3.3.

houdt de beslissing op het verzoek van betrokkene om schadevergoeding aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.E.M. Overkamp, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.V.R. van Raaij als griffier en in het openbaar uitgesproken op 27 september 2018.