Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:4303

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
24-09-2018
Datum publicatie
11-10-2018
Zaaknummer
C/05/341844 KG RK 18/764
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek afgewezen. De rechtbank is van oordeel dat de beslissing van de rechter om het uitstelverzoek van verzoeker niet te honoreren niet zo zeer onbegrijpelijk is, dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de vrees dat de rechter partijdig is dan wel jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, objectief gerechtvaardigd is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK GELDERLAND

Wrakingskamer

zaaknummer: C/05/341844 KG RK 18/764

Beslissing van 24 september 2018

van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van

[verzoeker] ,

hierna te noemen: verzoeker,

strekkende tot de wraking van

mr. G.W. Brands-Bottema,

rechter bij deze rechtbank,

hierna te noemen: de rechter.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het schriftelijke wrakingsverzoek van 22 augustus 2018

  • -

    het schriftelijke verweer van de rechter door de rechtbank ontvangen op 23 augustus 2018

  • -

    het mailbericht van verzoeker van 19 september 2018.

1.2.

Bij de mondelinge behandeling is de rechter verschenen. Verzoeker is, met bericht, niet verschenen.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Het verzoek strekt tot wraking van de rechter als kinderrechter in de zaak met nummer C/05/338053/jerk18/684 inzake het verzoek van Jeugdbescherming Gelderland tot verlenging van de ondertoezichtstelling van het minderjarige kind van verzoeker met een jaar.

2.2.

Verzoeker stelt dat er sprake is van een schijn van partijdigheid. De rechter heeft zijn verzoek om de mondelinge behandeling van de zaak op 24 augustus 2018, die is gepland zonder zijn verhinderdagen op te vragen, uit te stellen afgewezen, ondanks dat hij verhinderd was op die datum en hem de stukken voor die zitting pas twee dagen voor de zitting werden toegestuurd.

2.3.

De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft verweer gevoerd. Dat verweer wordt hierna voor zover nodig besproken.

3 De beoordeling

3.1

Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.

3.2.

De wrakingskamer overweegt verder dat het middel van de wraking niet een verkapt rechtsmiddel kan zijn tegen een onwelgevallige, negatief ervaren (proces)beslissing van de rechter. Het is niet de taak van de wrakingsrechter om te beoordelen of zo’n beslissing en de daaraan ten grondslag liggende motivering inhoudelijk juist zijn, maar te onderzoeken of deze beslissing en motivering feiten en omstandigheden opleveren waardoor de rechtelijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan kan sprake zijn als de beslissing zo zeer onbegrijpelijk is, dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de vrees dat de rechter partijdig is dan wel jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, objectief gerechtvaardigd is.

3.3.

De wrakingskamer stelt het volgende vast ten aanzien van de gang van zaken in de

onderliggende procedure.

Op 13 augustus 2018 heeft de wrakingskamer uitspraak gedaan in een eerder wrakingsverzoek van verzoeker in (onder andere) de zaak met nummer C/05/338053/jerk18/684. De wrakingskamer heeft dat wrakingsverzoek toegewezen.

Op 16 augustus 2018 is verzoeker door de rechtbank opgeroepen voor de zitting van 24 augustus 2018 voor de behandeling van de zaak met nummer C/05/338053/jerk18/684.

Op 20 augustus 2018 heeft verzoeker de rechtbank gemaild met het verzoek om in overleg met hem een nieuwe datum te plannen, aangezien hij op 24 augustus 2018 is verhinderd en hem niet is verzocht om verhinderdata door te geven. Tevens heeft verzoeker verzocht om de stukken van de zaak aan te leveren.

Op 21 augustus 2018 heeft de rechtbank verzoeker gemaild dat zijn verzoek om uitstel van de zitting niet wordt gehonoreerd, omdat de huidige ondertoezichtstelling zou aflopen op maandag 27 augustus 2018. Tevens heeft de rechtbank medegedeeld dat bij brief van 25 juni 2018 de stukken over de zaak al naar verzoeker verzonden waren.

Op 21 augustus 2018 heeft verzoeker met de rechtbank gebeld en is gebleken dat de stukken van de zaak door de rechtbank naar een onjuist adres waren verzonden. Diezelfde dag heeft verzoeker de rechtbank gemaild met het verzoek aan de rechter haar besluit tot afwijzing van zijn uitstelverzoek te heroverwegen.

Op 22 augustus 2018 om 9.31 uur heeft de rechtbank verzoeker gemaild dat zijn uitstelverzoek door de rechter niet is gehonoreerd. Hierbij is verwezen naar artikel 5.1.2. van het procesreglement civiel jeugdrecht. In dat artikel is bepaald dat de zittingsdatum wordt vastgesteld zonder vooraf aan belanghebbenden verhinderdata op te vragen. Gelet hierop en het feit dat de ondertoezichtstelling op 27 augustus 2018 zou aflopen (na een ambtshalve verlenging) kon de rechter geen uitstel verlenen. De rechter heeft daarbij voorgesteld om ter zitting van 24 augustus 2018 zo nodig een korte verlenging van de ondertoezichtstelling uit te spreken en eventuele verdere verlenging op de reeds geplande combi-zitting van 28 september 2018 te behandelen, samen met de zaken betreffende het verzoek van verzoeker tot vervanging van de gecertificeerde instelling en de verzoeken van de moeder om belast te worden met éénhoofdig gezag en verzoeker een contactverbod op te leggen. Aangezien de stukken van de zaak naar een onjuist adres waren verzonden is tevens toegezegd dat de betreffende stukken diezelfde dag nog naar het juiste adres zouden worden verzonden.

Op 22 augustus 2018 om 10:00 uur heeft verzoeker het wrakingsverzoek ingediend.

Bij e-mail van 23 augustus 2018 heeft verzoeker de wrakingskamer gewraakt. Bij beschikking van 18 september 2018 is dat wrakingsverzoek afgewezen, waarbij is geoordeeld dat verzoeker het middel van wraking uitsluitend heeft gebruikt om de procedure te vertragen en waarin is bepaald dat de rechtbank, gelet op dit misbruik van het wrakingsinstrument, een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in deze zaak niet in behandeling wordt genomen.

3.4.

In het schriftelijke verweer en ter zitting van de wrakingskamer heeft de rechter naar voren gebracht dat er in de vorige wrakingszaak later uitspraak is gedaan dan voorzien. Aangezien de ondertoezichtstelling op maandag 27 augustus 2018 zou verlopen, heeft de rechtbank besloten om de drie zaken die eerst gezamenlijk behandeld zouden worden op de combi-zitting van 28 september 2018 te splitsen en het verlengingsverzoek ondertoezichtstelling eerder te behandelen, namelijk op vrijdag 24 augustus 2018. De rechter kon het uitstelverzoek van verzoeker niet honoreren, omdat verlenging van de ondertoezichtstelling niet meer mogelijk is als deze is verlopen. De Raad voor de Kinderbescherming zou in dat geval een nieuw onderzoek moeten starten en een nieuw verzoek tot ondertoezichtstelling moeten doen, met als gevolg dat er in de tussentijd geen beschermingsmaatregel is voor het kind. Wel heeft de rechter aan verzoeker voorgesteld om de ondertoezichtstelling op de zitting van 24 augustus 2018 voor een korte termijn te verlengen, zodat ter zitting van 28 september 2018 de zaak samen met de twee andere zaken behandeld zou kunnen worden. In verband met het wrakingsverzoek heeft deze verlenging nu alsnog plaatsgevonden, maar dan in de vorm van een spoedmaatregel buiten zitting om. De ondertoezichtstelling loopt af op 28 september 2018, de beoogde datum waarop de behandeling van de zaak op zitting plaatsvindt.

3.5.

Gelet op de gang van zaken zoals weergegeven onder 3.3, alsmede wat de rechter naar voren heeft gebracht, is de rechtbank van oordeel dat de beslissing van de rechter om het uitstelverzoek van verzoeker niet te honoreren niet zo zeer onbegrijpelijk is, dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de vrees dat de rechter partijdig is dan wel jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, objectief gerechtvaardigd is. De rechter heeft gehandeld in overeenstemming met het procesreglement civiel jeugdrecht. Voorts blijkt dat de rechter heeft getracht om, zoveel mogelijk rekening houdend met alle bij de zaak betrokken belangen, - voor zover mogelijk - tegemoet te komen aan verzoeker door voor te stellen de ondertoezichtstelling slechts voor een korte termijn te verlengen, zodat ter zitting 28 september 2018 alsnog, in aanwezigheid van verzoeker, over het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de overige voorliggende verzoeken gesproken en beslist zou kunnen worden. Verzoeker heeft niet gemotiveerd waarom hiermee onvoldoende met zijn belangen rekening zou zijn gehouden en heeft ook overigens geen concrete onderbouwing gegeven waarom het niet honoreren van het uitstelverzoek in de gegeven omstandigheden de vrees rechtvaardigt dat de onpartijdigheid in het geding is. Het verzoek wordt daarom afgewezen.

3.6.

De rechtbank is van oordeel dat onder de gegeven omstandigheden moet worden aangenomen dat het wrakingsinstrument is gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het is gegeven, al dan niet om de voortgang van de procedure te frustreren. Verzoeker heeft de rechter gewraakt, omdat zij het uitstelverzoek van verzoeker niet heeft gehonoreerd. In feite is de rechter echter, voor zover mogelijk, aan het uitstelverzoek tegemoet gekomen door voor te stellen om de ondertoezichtstelling slechts voor een korte termijn te verlengen en verzoeker alsnog in de gelegenheid te stellen ter zitting van 28 september 2018 aanwezig te zijn om over de verlenging van de ondertoezichtstelling en de overige voorliggende verzoeken te spreken. Desondanks is verzoeker overgegaan tot wraking van de rechter, zonder concreet te onderbouwen waarom met de beslissing van de rechter de vrees voor partijdigheid gerechtvaardigd zou zijn. Hij heeft vervolgens ook nog de wrakingskamer gewraakt, hetgeen ook reeds misbruik van het wrakingsinstrument inhield, zo is op dit verzoek geoordeeld door de wrakingskamer die op dit ‘gestapelde’ wrakingsverzoek heeft beslist. De wrakingskamer zal daarom op grond van artikel 39 lid 4 Rv en artikel 10.1 van het Wrakingsprotocol bepalen dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in deze zaak niet in behandeling zal worden genomen.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1.

wijst het verzoek tot wraking af.

4.2.

bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in deze zaak niet in behandeling zal worden genomen.

Deze beslissing is gegeven door de mrs. T.P.E.E. van Groeningen (voorzitter), mr. S.J. Peerdeman en mr. M.J.C. van Leeuwen, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.B. Wichman, en in het openbaar uitgesproken op 24 september 2018.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.