Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:4253

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
20-09-2018
Datum publicatie
04-10-2018
Zaaknummer
C/05/339911 / HA RK 18-128
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Testamentair bewindvoerder heeft aan de rechtbank opheffing van het testamentair bewind verzocht (art. 4:178 lid 2 BW). Het verzoek is niet ingediend door een advocaat.

Op grond van artikel 281 lid 1 Rv is verzoeker in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen. Verzoeker heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

Daarom is verzoeker niet ontvankelijk verklaard in zijn verzoek. Op grond van artikel 3 lid 4 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken is verzoeker griffierecht

verschuldigd vanaf de indiening van het verzoekschrift. Ook al wordt het verzoekschrift niet inhoudelijk behandeld (omdat het niet door een advocaat is ingediend)

of wordt het ingetrokken, het griffierecht blijft verschuldigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2018-0188
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zutphen

zaaknummer / rekestnummer: C/05/339911 / HA RK 18-128

Beschikking van 20 september 2018

in de zaak van

Mr. A.W.M. TOENDERS in zijn hoedanigheid van testamentair bewindvoerder over de door [erflaatster 1] aan [erfgenaam 1] nagelaten of vermaakte goederen,

wonende te Tilburg,

verzoeker,

gemachtigde mr. P.T.E.M. TILLMANN-DERKSEN te Doesburg.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift van 27 juni 2018 met bijlagen,

  • -

    de brief van 16 juli 2018, herhaald op 29 augustus 2018, van de griffier van de rechtbank Gelderland,

  • -

    de brief van 30 augustus 2018 van de gemachtigde van verzoeker.

2 De feiten

2.1.

Op [datum overlijden 1] is te Rheden overleden [erflaatster 1], geboren te [erfgenaam 1] op [geboortedatum] (hierna: erflaatster). De laatste woonplaats van erflaatster was Rheden.

2.2.

Bij testament van 10 april 2013 heeft erflaatster over haar nalatenschap beschikt. Onder de last van een aantal legaten heeft zij [arfgenaam / erflaatster 2] tot haar enige erfgenaam benoemd, met plaatsvervulling volgens de wet. [arfgenaam / erflaatster 2] is op [datum overlijden 2] overleden, met achterlating van één zoon [erfgenaam 1], geboren op [datum overlijden 2]. In het testament is een testamentair bewind ingesteld over hetgeen door erflaatster aan [erfgenaam 1] heeft nagelaten of vermaakt totdat hij de leeftijd van 23 jaar heeft bereikt, met benoeming van mr. A.W.M. Toenders tot testamentair bewindvoerder.

3 Het verzoek

Bij verzoekschrift van 27 juni 2018 heeft verzoeker de rechtbank verzocht het testamentair bewind op te heffen. Aan zijn verzoek heeft verzoeker ten grondslag gelegd dat [erfgenaam 1] thans 21 jaar oud is en de onder bewind staande goederen zelf op verantwoorde wijze zal kunnen besturen.

4 De beoordeling

4.1.

Bij brief van 16 juli 2018, herhaald op 29 augustus 2018, heeft de griffier van deze rechtbank aan verzoeker meegedeeld dat zijn verzoekschrift niet in behandeling kan worden genomen, nu een verzoekschrift tot opheffing van het testamentair bewind als bedoeld in artikel 4:178 lid 2 BW door tussenkomst van een advocaat bij de rechtbank moet worden ingediend. Daarnaast is aan verzoeker meegedeeld dat artikel 281 lid 1 Rv bepaalt dat, indien een verzoekschrift ten onrechte niet door een advocaat is ingediend, de rechter verzoeker de gelegenheid biedt binnen een door hem te bepalen termijn dit verzuim te herstellen. De rechter heeft verzoeker de gelegenheid geboden het door een advocaat ingediende en ondertekende verzoekschrift uiterlijk twee weken na dagtekening brief in te dienen. Voor het geval verzoeker van deze gelegenheid geen gebruik maakt, is hij gewezen op het rechtsgevolg daarvan, namelijk dat hij op grond van artikel 281 lid 1 Rv niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn verzoek.

4.2.

Bij brief van 30 augustus 2018 heeft de gemachtigde van verzoeker meegedeeld dat zij contact heeft gehad met de advocaat van verzoeker en dat deze zaak verder geen gevolg zal hebben bij de rechtbank Gelderland. Nu de zaak niet in behandeling is genomen, gaat de gemachtigde van verzoeker ervan uit dat de griffierechten à € 291,00 terugbetaald zullen worden.

4.3.

Artikel 281 lid 1 Rv bepaalt dat, indien het verzoekschrift ten onrechte niet door een advocaat is ingediend, de rechter de gelegenheid biedt om binnen een door hem te bepalen termijn dit verzuim te herstellen. Maakt de verzoeker van deze gelegenheid geen gebruik, dan wordt hij in zijn verzoek niet ontvankelijk verklaard. In de brief van 16 juli 2018, herhaald op 29 augustus 2018, is deze mogelijkheid tot herstel van dit verzuim aan verzoeker geboden en is verzoeker gewezen op de rechtsgevolgen, indien hij van deze mogelijkheid geen gebruik maakt. Nu uit de brief van 30 augustus 2018 van de gemachtigde van verzoeker kan worden afgeleid dat verzoeker van de aan hem geboden gelegenheid

tot herstel van het verzuim geen gebruik zal maken, dient hij niet ontvankelijk te worden verklaard in zijn verzoek.

4.4.

Op grond van artikel 3 lid 4 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken is de verzoeker het griffierecht verschuldigd vanaf de indiening van het verzoekschrift. Het verzoekschrift van 27 juni 2018 is op 29 juni 2018 ontvangen door de rechtbank Gelderland. De datum van ontvangst wordt aangemerkt als de datum van indiening van het verzoekschrift, vanaf welke datum griffierecht verschuldigd is. Anders dan de gemachtigde van verzoeker heeft gesteld, blijft het griffierecht verschuldigd, ook al wordt het verzoekschrift niet inhoudelijk behandeld (omdat het niet door een advocaat is ingediend) of wordt ingetrokken. Daarom zal het griffierecht niet worden gecrediteerd.

5 De beslissing

5.1.

verklaart verzoeker niet ontvankelijk in zijn verzoek.

5.2.

bepaalt dat het griffierecht niet wordt gecrediteerd.

Deze beschikking is gegeven door mr. D. Vergunst en in het openbaar uitgesproken op 20 september 2018.