Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:4125

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
28-09-2018
Datum publicatie
28-09-2018
Zaaknummer
18-5076
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Noodbevel, artikel 175 Gemeentewet, burgemeester van Nijmegen, verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen, gezin mag nog niet terug naar huis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/5076

uitspraak van de voorzieningenrechter van

op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] en [verzoekster], te [woonplaats], verzoekers

(gemachtigde: mr. V.M. Weski),

en

de burgemeester van de gemeente Nijmegen, verweerder.

(gemachtigden: mr. H. Zeilmaker en mr. J.W.M. Hagelaars)

Procesverloop

Bij besluit van 15 augustus 2018 heeft verweerder verzoekers en hun gezinsleden bevolen het pand en het perceel [perceel] met onmiddellijke ingang te verlaten, het pand te sluiten en gesloten te houden. Het pand en het perceel mogen niet betreden worden en dienen zichtbaar afgesloten te zijn. Bovendien heeft verweerder verzoekers en hun gezinsleden gelast zich te onthouden van zichtbaar en kenbaar verblijf in de gemeente [woonplaats]. Verder heeft verweerder bestuursdwang in de vorm van een directe en zichtbare sluiting van de woning van verzoekers toegepast.

Verzoekers hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter tevens verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2018. Verzoekers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde en door mr. M.M. Koers. Tevens was aanwezig mevrouw [verzoekster], moeder van verzoeker. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Brunenberg, bijgestaan door de gemachtigden.

Overwegingen

Opmerkingen vooraf

1.1.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

1.2.

Verweerder heeft een stuk overgelegd met toepassing van artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).1 Dit stuk is genummerd A13. Bij beslissing van 17 september 2018 heeft een bestuursrechter van deze rechtbank geoordeeld dat beperkte kennisname gerechtvaardigd is. Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoekers toestemming gegeven dit stuk bij de beoordeling te betrekken, zodat de voorzieningenrechter mede op grond van dit stuk uitspraak doet.2

De aanleiding voor het bestreden besluit

2. In het driehoeksoverleg van 14 augustus 2018 is verweerder geïnformeerd over de situatie die is ontstaan rondom de woning van verzoekers door bedreigingen door personen, vermoedelijk gerelateerd aan een zware criminele organisatie. Verzoekers hebben veiligheidsmaatregelen door de politie aangeboden afgewezen. De politie heeft aangegeven dat de situatie dusdanig ernstig is dat alleen speciale politieteams naar de woning kunnen gaan, vanwege het gevaar beschoten te worden. De personen die mogelijk aanwezig zijn om vergeldingsacties uit te voeren zijn dermate schietgevaarlijk dat politiemensen, maar ook alle personen in de omgeving, groot gevaar lopen.

Het bestreden besluit en het verzoek om een voorlopige voorziening

3.1.

Verweerder heeft hierin aanleiding gezien verzoekers op grond van artikel 175 van de Gemeentewet te bevelen (het noodbevel) dat:

- verzoekers en hun gezinsleden het pand en het perceel [perceel] met onmiddellijke ingang verlaten, het pand sluiten en gesloten houden;

- het pand en het perceel niet mogen betreden worden en zichtbaar afgesloten dienen te zijn;

- verzoekers en hun kinderen zich onthouden van zichtbaar en kenbaar verblijf in de gemeente [woonplaats].

Verweerder acht ernstige vrees voor het ontstaan van ernstige wanordelijkheden aanwezig. In deze situatie van acuut en ernstig levensgevaar heeft verweerder meer gewicht toegekend aan het recht op leven en lichamelijke integriteit van de omwonenden dan aan het huisrecht van verzoekers.

Verweerder heeft in het bestreden besluit voorts op grond van artikel 125, tweede lid, van de Gemeentewet gelezen in samenhang met artikel 5:31 van de Awb zonder last en zonder begunstigingstermijn bepaald dat hij bestuursdwang toepast door het pand [perceel] zichtbaar laat sluiten (het toepassen van bestuursdwang).

3.2.

Verzoekers kunnen zich niet met dit besluit verenigen en hebben de voorzieningenrechter gevraagd het besluit te schorsen, zodat zij terug naar huis zouden kunnen gaan.

Omvang van het geschil

4. Verzoekers hebben geen gronden aangevoerd tegen het toepassen van bestuursdwang in de vorm van een zichtbare sluiting van de woning van verzoekers. Dat betekent dat in de beoordeling van dit verzoek slechts het noodbevel zal worden meegenomen. De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

Ernstige vrees voor het ontstaan ernstige wanordelijkheden

5. Verweerder baseert zijn besluit op artikel 175, eerste lid, van de Gemeentewet.3 Verweerder heeft ten aanzien van het toepassen van deze bevoegdheid beslisruimte. Op basis van de voorhanden informatie, waaronder in het bijzonder de in het stuk A13 neergelegde informatie, kon verweerder in redelijkheid tot het oordeel komen dat sprake is van ernstige vrees voor het ontstaan van ernstige wanordelijkheden als bedoeld in artikel 175, eerste lid, van de Gemeentewet. Dit betekent dat aan deze voorwaarde voor het geven van een noodbevel is voldaan.

Subsidiariteit en proportionaliteit

6.1

Gelet op de verregaande inbreuk die het noodbevel maakt op de grondrechten van verzoekers en hun kinderen, dient evenwicht te worden gezocht tussen de bescherming van het algemeen belang, in dit geval het voorkomen van ernstige wanordelijkheden, en de te respecteren grondrechten van verzoekers en hun kinderen. Uit de parlementaire geschiedenis van artikel 175 van de Gemeentewet kan worden afgeleid dat verweerder bij het geven van bevelen de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit in acht moet nemen. Het geven van een noodbevel is pas aan de orde wanneer gewone middelen niet voorhanden of toereikend zijn (subsidiariteit). Voorts mogen de genomen maatregelen niet ingrijpender zijn dan in de gegeven situatie vereist om het gevaar te beperken (proportionaliteit).

6.2

Niet in geschil is dat verzoekers de hen aangeboden beschermingsmaatregelen hebben afgewezen. Ter zitting heeft verweerder afdoende betoogd dat – naast de door het OM aangeboden beschermingsmaatregelen – thans geen andere maatregelen mogelijk zijn om de veiligheid van alle betrokkenen te kunnen blijven garanderen. Dit betekent dat het gegeven noodbevel niet in strijd is met de beginsel van subsidiariteit. De redenen waarom verzoekers de beschermingsmaatregelen hebben geweigerd doen hier niet aan af.

6.3

Verweerder heeft er voor gekozen het noodbevel van toepassing te verklaren op het gehele grondgebied van de gemeente [woonplaats]. Hoewel dit erg verstrekkend is, is dit gelet op de aard en omvang van de dreiging vooralsnog niet disproportioneel.

6.4

Het noodbevel is bovendien voor onbepaalde tijd opgelegd. Het bestreden besluit is op dit onderdeel wel in strijd met het vereiste van proportionaliteit. Het noodbevel leidt tot een vergaande inbreuk op grondrechten van verzoekers. Dit betekent dat de maatregel niet langer mag duren dan strikt noodzakelijk. Verweerder dient daarom met enige regelmaat te beoordelen of nog steeds sprake is van een ernstige vrees voor ernstige wanordelijkheden. Verzoekers dienen dan de mogelijkheid te hebben een rechtsmiddel in te stellen tegen het resultaat van die herbeoordeling. Door het opleggen van een noodbevel voor onbepaalde termijn hebben verzoekers geen enkele garantie dat na een vooraf bepaalde – overzienbare – tijd de ernst van de situatie opnieuw wordt beoordeeld en dat zij tegen deze herbeoordeling een rechtsmiddel kunnen instellen. Dat zij kunnen vragen om opheffing van het noodbevel doet hier niet aan af.

Dat het noodbevel voor wat betreft de duur in strijd is met het proportionaliteitsvereiste is echter geen aanleiding om op dit moment tot schorsing van het bestreden besluit over te gaan. Hierbij is van belang dat een noodbevel in de gegeven situatie voor een bepaalde duur wel aanvaardbaar is en de duur van het noodbevel in het besluit op bezwaar hersteld kan worden.

6.5

Ter zitting heeft verzoekers moeder aandacht gevraagd voor de situatie waarin met name de kinderen zich bevinden. Zij heeft hierbij aangegeven dat het noodbevel hen diep in hun leven raakt. Zo mogen zij niet terug naar hun vertrouwde huis, kunnen zij niet naar school en kunnen zij familie en vrienden niet ontmoeten. Feit is dat met name de (minderjarige, leerplichtige) kinderen van verzoekers erg lijden onder het opgelegde noodbevel en ingrijpend worden beperkt in de uitoefening van hun grondrechten. Gelet op de ernst en de mate van bedreiging zoals deze blijkt uit de beschikbare stukken is thans echter aanvaardbaar dat verweerder het bevel mede op de kinderen betrekking heeft laten hebben.

De te nemen beslissing op bezwaar

7. Verweerder dient een beslissing op het door verzoekers ingestelde bezwaar te nemen. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dient verweerder daarbij naast hetgeen hiervoor is overwogen in 6.4. het volgende te betrekken. Ter zitting is gebleken dat verweerder nog altijd niet over een bestuurlijke rapportage van de politie beschikt, waaruit de actuele stand van de bedreiging voor verzoekers, hun gezin en omwonenden blijkt. Bij het besluit op bezwaar dient verweerder ex nunc te beslissen, waarbij de actuele stand van bedreiging relevant is. Mede op basis van een dan voorhanden zijnde bestuurlijke rapportage dient verweerder bij de beslissing op bezwaar een uitdrukkelijke afweging te maken tussen het belang dat gediend wordt door het opleggen van een noodbevel en de belangen van verzoekers en hun schoolgaande minderjarige kinderen en de inbreuk die het noodbevel op hun grondrechten maakt, in het licht van de actuele stand van de dreigende situatie. Bovendien moet verweerder zich ervan vergewissen dat het voortduren van de maatregel er toe kan leiden dat de maatregel onevenredig wordt, ook voor wat betreft de personen tot wie het noodbevel zich richt en de gebiedsomvang van het noodbevel.
Uiterlijk bij het besluit op bezwaar dient verweerder voorts aandacht te besteden aan de vraag of de gezinsleden op enige wijze gefaciliteerd kunnen worden in het kader van een beperking van de schending van hun grondrechten, door bijvoorbeeld digitaal onderwijs te faciliteren.

Conclusie

8. De voorzieningenrechter ziet gelet op het voorgaande thans geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen. Hij zal het verzoek daarom afwijzen. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.H.Y. Snoeren-Bos, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

1 Artikel 8:29, eerste lid, van de Awb luidt :Partijen die verplicht zijn inlichtingen te geven dan wel stukken over te leggen, kunnen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, het geven van inlichtingen dan wel het overleggen van stukken weigeren of de bestuursrechter mededelen dat uitsluitend hij kennis zal mogen nemen van de inlichtingen onderscheidenlijk de stukken.

2 Artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb luidt: Indien de bestuursrechter heeft beslist dat de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is, kan hij slechts met toestemming van de andere partijen mede op de grondslag van die inlichtingen onderscheidenlijk die stukken uitspraak doen. Indien de toestemming wordt geweigerd, wordt de zaak verwezen naar een andere kamer.

3 Artikel 175, eerste lid, van de Gemeentewet luidt: In geval van oproerige beweging, van andere ernstige wanordelijkheden of van rampen, dan wel van ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, is de burgemeester bevoegd alle bevelen te geven die hij ter handhaving van de openbare orde of ter beperking van gevaar nodig acht. Daarbij kan van andere dan bij de Grondwet gestelde voorschriften worden afgeweken.